Zoek op de website

Haren

Gemeente Haren

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Haren

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Het gehucht Onnen een half uur ten Zuidoosten der kerk, waaronder twee huizen, de Waterhuizen genaamd, behooren, gelegen ten noordoosten van Onnen aan het Schuitendiep. De buurten Essen een half uur ten noordoosten der kerk en den Hoornschendyk op den afstand van 20 minuten ten westen der kerk- Voorts de vereenigde buurten Hemmen en Dilgt ( de laatste eigenlyk Essernieuwland) in eene noordelyke strekking van de kerk, ten westen op de afhelling van de hondsrug (Door oude lieden wordt deze hoogte de bisschopsrug genaamd) gelegen. Van hier dat men Dilgt wil afgeleid hebben van deel-ligt, naar beneden liggende te kennen gevende. Omrent den naamsoorsprong van Essen weet men niets met zekerheid, dan wel, dat deze buurt in vroegeren tyd ook Jesse is genoemd.
Volgens eene overlevering is het gehucht Onnen genoemd, naar zekeren Onno, die aldaar op eene Burgt zoude hebben gewoond. Voor dat de Hoornsche dyk gelegd is, stond er reeds achter Helpen een huis, dat thans nog den Hoorn heet, naar het welk het diep (De Drentsch Aa) de dyk, en vervolgens ook de aangebouwde buurt waarschynlyk is genoemd.
Wat het dorp Haren betreft, hiervan vindt men aangeteekend (Piccardt Antiquiteiten van Drente) dat hetzelve is genoemd naar een Hertog Haron, de Stichter van dit dorp in het 261. Ook wil men het afgeleid hebben van haar of harde waardoor men oudtyds eenen verheven of dorren grond te kennen gaf (Brucheins Gedenkboek van Stad en Lande].

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan de kerk te Haren bevindt zich geen dufsteen of duifsteen. Op de torenklok vindt men het navolgende opschrift: - Joh: Stegnerus. v.d.m. Niclas van Buttingha, Kerckvogdt, Roelf Warmolts kerckvogdt, Rudolf Rummerinck, Schulte H. Homan. G.C.L.T.H. Ebbink A º 1690.
Johan Fremy et Johan Schallembergh me fecérunt si deus pro nobis quis contra nos.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Ten Oosten van Onnen de Hunse of het Drentsche diep, komende van het Ellersveld in Drenthe en loopende in het Schuiten- of Winschoterdiep naar Groningen. Men wil dat deze rivier voorheen zeer kronkelend meer naar de hoogte van den hondsrug heeft geloopen door het lage groenland en verder noordwaarts om Groningen, voor welker loop men de moerassen en den ligt bruinen veengrond houdt.
Ten westen van Haren stroomt de Drenthe Aa of het Hoornsche diep, waarin eene scheepvaart van af Paterswolde langs den Hoornschendyk (daar den Neerwoldschen dyk genaamd) loopt, en noordwaarts naar Groningen stroomt, waar dit diep zich met de Hunse vereenigt. Voor de graving van het gedeelte van dit diep van af Glimmen tot achter Haren, zynde genoegzaam eene regte lyn, liep de Drenthe Aa in eene kronkelende rigting naar het noordwesten, door het lage land achter den Hoornschen dyk en vervolgens weer noordoostelyk in het tegenwoordige diep, ter plaats waar hetzelve weer kronkelend loopt.
Dit gedeelte van de Drenthe Aa is thans een moeras en wordt de oude Aa genoemd.-
Achter den Hoornschen dyk vindt men twee groote zoogenamde togtslooden, die in de Eelderwoldsche kolk en verder in het Aduarder diep uitwateren. Door het lage groenland ten westen van Haren loopt noordwaarts van Harendermolen tot achter Helpen in het Kanaal een maar. Ook ten Oosten van Haren is eene zoodanige afwatering, komende van den Middelhorsterweg of de Schipsloot en loopende noordwaarts tot achter Essen in het Schuitendiep. Voorheen was daar eene kleine Zyl, het Harenderzyltje geheeten, toen dit maar met kleine turfschepen of pramen konde bevaren waren tot aan den Middelhornsterweg.
Dan heeft men achter Onnen een groot diep water, de Biks genaamd, dat vischrijk en op sommige plaatsen zeer diep is.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, wierden, warven en heuvels worden er niet gevonden. Ook geene byzondere hoogten als de bekende hondsrug, zuidwaarts van Groningen door Haren tot in Drenthe loopende, en ten Zuidwesten van Haren in het zoogenaamde Oosterlage land eene kleine hoogte, de Aaksterberg genaamd, die by het hoogste water niet onder loopt. Ten Oosten van Haren, langs het Hoornsche diep, van af Groningen tot Paterwolde is de Hoornsche dyk ter lengte van 1½ uur gaans, voorts eenige dyken door of naar het lage groenland, die eigenlyk geene dyken maar hooiwegen zyn.
Eene Es (Korenes) wordt er slechts in den omtrek dezer kerkelyke gemeente gevonden, de Onner-es, ten Zuidwesten van Onnen, in welke men op onderscheidene plaatsen veengrond aantreft, waar uit boven gryze turf of zoden worden gegraven, en dieper zware kluiten, die wanneer dezelve tot turf bereid wierde, beste baggerturf zoude opleveren.
Deze es was voorheen onvruchtbaar zand- of heidegrond, doch wordt door bemesting zeer vruchtbaar in graan gewassen, voraal in rogge.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen van aanbelang vindt men hier niet dan wel achter de Burgten Zorg-vry (voor heen Emdaburg) en de Middelhorst ten oosten van Haren en achter de plaats Voorveld ten Zuiden van Haren.- Voorts ten Oosten van het Voorveld de Pieperspoelen en aan den Onneweg, het Hoogeveld.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Plantenryk koren, als: rogge, gerst, haver, boekweit, weinig tarwe, koolzaad en veldboonen;- aardappelen, veel cichorei en knollen, vlas, peulvruchten, enz. Uit het dierenryk schoone paarden, koeijen, vriesche- schapen en verkens, hazen, korhoenders, patryzen, ganzen, doch meer wilde eenden, hoenderen, duiven enz. Voorts vossen en ander roofgedierte, als: otters, bunsings enz. Vele kraaijen en musschen, ook zangvogelen, als: nachtegalen robynen enz. – Uit het Delfstoffelykryk keisteenen, leem-, klei- en veenaarden.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond in dit Kerspel, die voornamelyk uit zandgrond bestaat, is op de afhelling van de hondsrug vruchtbaar; doch op de hoogte van denzelven minder vruchtbaar en vermengd men kleine keisteenen. In het algemeen wordt de grond door besmeting, inzonderheid naar het Zuiden en Zuidoosten, alwaar dezelve meer veenachtig is (derg of derry grond) vruchtbaar gemaakt. Aan de zyden van den hondsrug heeft men laag groenland, dat naar het Zuiden meestendeels veengrond is; doch naar het Noorden uit zandgrond bestaat. De grond naar beneden is het noorden klei en leemachtig, byzonder op den hondsrug; doch meer zuidwaarts bestaat dezelve uit wit- of onvruchtbaar zandgrond.( Nader en zeer juist omschreven in de Bydragen tot aanmoediging der beoefening van de Kennis der gronden, in de provincie Groningen.)

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Twee cichoreifabryken, een korenmolen heeft men te Haren. De Landbouw wordt er in het algemeen beoefend. Ook heeft men er eene yzersmedery; voorts bakkers, Kooplieden, herbergiers, Kleermakers, schoenmakers, timmerlieden en metselaars, naaisters, - een heelmeester, een horologie en uurwerkmakers en een ruim aantal arbeiders voor den landbouw. Ook wordt hier de byenteelt, veelal door Landbouwers gedreven.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is vochtig door de vele noorde- en westewinden, doch niet ongezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene Kerk en eene school te Haren; voorts eene school te Onnen en aan den Hoornschendyk. Voorheen bestonden er te Haren één lees- en Zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan zyn voornamelyk de landbouw en de handwerken. Ook door de baggelaryen vinden sommige ingezetenen, vooral die aan den Hoornschendyk hun bestaan.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal heeft veel overeenkomst met die in Groningen, doch onder den boerenstand is dezelve meer hard en plomp. Aan den Hoornschendyk echter is dezelve vermengd met Vriesche tongvallen, welke inwoners oorspronkelyk uit Vriesland zyn gekomen. –Veeltyds gebruikt men daar eene scherpe medeklinker aan het begin eens woords, waar eene zachte vereischt wordt, voraal hoorbaar in de S voor de Z en de f voor de V. (Uit het antwoord op de 16 vraag, kan de platte taal worden opgemerkt, waarin iets van dien aard is ingelascht).

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun karakter is over het algemeen godsdienstig, naarstig, openhartig en milddadig, matig en ingetogen. –Men staat in den zomer algemeen te half vyf en des winters te half zes uren op. Zoodra men is opgestaan, wordt er al aanstonds, inzonderheid door de landbouwers en handwerklieden koffy gedronken,- te acht uren neemt men het morgen ontbyt; bestaande in boterhams en koffy. De boerenstand echter eet dan karnemelkpap/gortenbry/en boterhams, ook veelal aardappelen. – Te 12 uur doet men het middagmaal en te zes uren weder een avond ontbyt, bestaande in éénen boterham met koffy. De burgerstand intusschen drinkt tegen half vier uur thee en neemt dan ook nog wel het avond ontbyt. Tegen acht uren des avonds doen de Landbouwers hun avondmaal in aardappelen en kernemelkpap; de burgerstand is hiervan echter eenigzins onderscheiden. Daarna gaat men in den zomer te 10 en in den winter te half 10 uren naar bed.- Gewoonlyk worden de kermissen te Groningen, ook die van Zuidlaren en Vries door de Jongelingschap bezocht. In den winter vermaakt dezelve zich door de zoogenaamde Sprinstergezelschappen, wanneer eenige meisjes by rondgaande beurten elkander bezoeken. De jongelingen hiervan kennis krygende, deelen dit aan elkander mede, wanneer het volgende gesprek wel eens kan plaats hebben: (Pieter komt van huis en ontmoet zyne Kameraden op de straat).

Pyter: Gouden aavend jonges
Anderen: Ook gouden aavend

Pyter: Er zin van aavend weer sprinters.

Anderen: Waarzoo?-

Pyter: By Knellies Geessien: Ik geleuf, dat er wellen stuk of vieftien zin. Ook nog al gounend, dy geel achter de ooren binnen, zoo als ‘k zyn heb. (Meisjes, die gouden ooryzers dragen).-

Job.(Jakob): Ons klain knecht zee van aavend onder ’t vouren, datter ook yn hyl koppel op Haardermeulen was: maar daar gaan we nyt hen.

Anderen: Nee, maar wanner zuf we naa Geessies hoes?-

Pyter: Dommee tegen zeuven uur. Maar ik wyt wel, dat Jan Loeks Jan van aavend nyt weer by Pauls Gryt zal.-

Ait (Eite): Dat kan nyt meer helpen. Dy kan veul te lienig praaten met zyn smeerige tong. Als ik dy raaden zyl, begun er dan nyt met, anders lopsen paar blaauwe scheenen; want dit is al te wied heur.

Job: Dat leuf ‘k ook, ‘k wyt nyt waar ‘k ’t lest hewit heb, ‘k leuf dat onze boer zee, dat ’t klaar wark was enz.

Heil echter der Jongelingschap: dat deze byeenkomst door tusschenkomst van weldenkende ouders, worden afgeschaft en in onbruik geraken.
Na nieuwjaar komen veelal des avonds de naburen by rondgaande beurten elkanderen bezoeken en houden dan de zoogenaamde Nieuwjaars visites, wanneer men den tyd door gepaste gesprekken en betamelyke vrolykheid zoekt te veraangenamen. Doch veel vermaakt men zich op de bruiloften, die onder den boerenstand nog in waarde worden gehouden. Wanneer namelyk een huwelyk zal voltrokken worden van personen, die niet naby de plaats, waar zulks geschiedt, wonen, dan worden deze en op eenen wagen, voor welken de paarden op eene prachtige en somtyds zeer aardige wyze versierd, met linten en rozen van onderscheidene kleur, gevolgd van andere rydtuigen, naar de bestemde plaats gebragt.
In de woning waar het huwelyksfeest gehouden wordt, is tevens alles, volgens een oud gebruik fraai versierd, in zonderheid de veelvuldige koffypotten en de zoogenaamde zilveren brandewynskoppen, welke laatse aanhoudend met brandwynm gemengd met vele rozynen en suiker, worden gevuld, en veeltyds met smaak door de gasten worden geleedigd. Tegen den avond is men reeds uitermate vrolyk, waneer de jongelingschap in de schuur, zich in eenen ronden kring schaart, en dan onder het zingen van een oud zeer gebrekking en voor het gehoor vervelend lied (het paterslied) begint in het ronde te springen enz.
In vroegeren tyd werd van ieder overledenen in het Sterfhuis, by het kistleggen van het lyk, aan de buren een half ton bier uitgeschonken, doch dit gebruik is met regt afgeschaft. Nog algemeen worden tegenwoordig de lyken, onder het luiden van de dorpsklok in gevolg van vrienden en vele geburen, naar het graf gevoerd, waarna men dan voorheen in het Sterfhuis groote maaltyden hield, doch die insgelyks afgeschaft worden. Ook staat eerlang, de tyd van begraving en het luiden der klok te vervallen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Men vindt te Haren drie Burgten als Zorgvry ten Oosten van Haren, de Middelhorst, en de burgt Voorveld ten Zuiden van Haren, benevens het buiten verblyf van den Heer Reiger. Voor eenige jaren stonden er buiten Haren twee burgten, de burgten van Hemmen genoemd,- naby Emdaburg (Zorgvry) de burgt Lusthorst, die nu onder Zorgvry behoort, en ten zuid- Oosten van Haren, de Oolde- of Oudeburg.
Aan spookverschyningen en andere bygelovigheden, hechten de inwoners van dit Kerspel algemeen geen geloof en hiervan wordt zeldzaam iets verhaald.
Vreemd is het, en in den Zomer opmerkenswaardig, dat men achter den Hoornschendyk, midden in het Veen, onderscheidene heemsteden vindt, n.l. hoogten, die van boven kleiachtig en niet dan met moeite kunnen worden verveend, daar uit dezelve balken, posten en aarden potten van onderscheidene grootte en gedaante worden opgedolven. Deze hoogten loopen van den kant van Paterwolde in eene noordelyke strekking naar den Hoorn. Hieruit blykt, dat deze hoogten bewoond zyn geweest; doch tot nu toe, weet men hier daarvan niets met zekerheid te zeggen. Sommige gissen dat deze hoogten elders zyn weggespoeld en daar ter plaatse aangedreven, en weder anderen willen, dat dezelve een gehucht of dorp, daar op zich zelve hebben uitgemaakt, doch alles is onzeker en niet bekend