Zoek op de website

Boerderijen

De provincie Groningen is van oudsher een sterk agrarisch geörienteerde provincie. In bepaalde regio’s is dit nog goed te zien aan de vele boerderijen.

Veel van die boerderijen hebben al lang geen agrarische bestemming meer en zijn in gebruik als woonhuis.

Als u onderzoek doet naar een boerderij is het belangrijk de oorspronkelijk bedrijfsfunctie niet uit het oog te verliezen.

 Weiwerd : T.J. Jansenweg 11 : boerderij van het Oldambtster type  Fotograaf: M. Douma, [818-17084] Weiwerd : T.J. Jansenweg 11 : boerderij van het Oldambtster type Fotograaf: M. Douma, [818-17084]

Voor u begint

Een goede reconstructie van de geschiedenis van de boerderij en haar bewoners is vaak alleen mogelijk door gegevens uit verschillende bronnen te combineren.

Daarbij is het handig de gegevens op te splitsen in vier aspecten: eigendom, bewoners, gebouw en bedrijfsvoering.

Eigendom

Als u weet wie de eigenaren van de boerderij waren, wil dat nog niet zeggen dat u daarmee ook de bewoners kent. Er waren weliswaar boeren die hun boerderij hun eigendom konden noemen – de ‘eigenerfden’ – maar de meeste boeren waren pachter.

Eigendom werd geregistreerd op momenten van verandering (koop, verkoop en vererving) en als momentopname ten behoeve van bijvoorbeeld grondbelastingen. De laatstgenoemde bron biedt veel nuttige informatie als u de geschiedenis van meerdere boerderijen in een bepaalde regio onderzoekt.

Grondbezit van een boerderij kan ontstaan zijn door samenvoeging of splitsing. Alleen door overdrachten en de opeenvolging van eigenaren en bewoners te onder-zoeken, kan op dit vlak zekerheid ontstaan.

Bewoners

Veel informatie over gezinssamenstelling, woonadres en veranderingen daarin over de periode 1850-1920, staat in de gemeentelijke bevolkingsregisters.

De originele registers vindt u bij de desbetreffende gemeenten; bij de Groninger Archieven zijn de bevolkingsregisters grotendeels op microfiche raadpleegbaar.

Vóór bovengenoemde periode moet bewoning blijken uit onvoorziene bronnen en registraties met een bepaald doel, zoals volkstellingen of belastingen waarbij vaak alleen de hoofdbewoner wordt genoemd.

Ook akten uit de Burgerlijke stand zijn nuttig voor het uitzoeken van eigendoms- en bewonersgegevens.

Gebouw

De beste bron voor de geschiedenis van de boerderij is uiteraard dat gebouw zelf. Als het nog bestaat, geven bijvoorbeeld de ligging, bouwstijl en sporen van verbouwing een idee van de ouderdom en de ontwikkeling van de boerderij.

Overigens kan het bedrijf ouder zijn dan het huidige gebouw. Oude kaarten en foto’s geven een beeld van de ligging en uiterlijk in het verleden. Soms vormt de juiste identificatie van oude boerderijen een probleem.

Dit geldt vooral voor de kleine boerenbehuizingen in een dorpskern. De huidige huisnummering is in veel plattelandsgemeenten pas in de loop van de 20e eeuw ingevoerd.

Met de invoering van het Kadaster in 1838 kwam er een algemene en uniforme aanduiding van locaties, die identificatie door de tijd mogelijk maakt.

Stukken over bouw en verbouw zijn pas vanaf ca. 1900 te vinden in archieven van gemeenten. Informatie over het interieur is eigenlijk alleen te achterhalen via eventuele ooggetuigen en nazaten van de bewoners.

Boedelinventarissen kunnen een globale indruk geven, aangezien deze opsommen welke inboedel er in de vertrekken is aangetroffen.

Ook in akten van overdracht kunnen vermeldingen van vertrekken voorkomen en andere informatie over het gebouw, zoals gegevens over bijgebouwen en onderdelen op het erf.

Bedrijfsvoering

Een boerderij is een bedrijf en het gebouw is dus allereerst een bedrijfsgebouw. Archiefstukken van dat bedrijf en herinneringen van (nazaten van) bewoners geven natuurlijk de meeste informatie.

Als die niet voorhanden zijn, geven de vorm, ligging en indeling van het gebouw wellicht een idee van de oorspronkelijke agrarische functies.

Boedelinventarissen kunnen eveneens ophelderen van welke type bedrijf er sprake was.

De agrarische geschiedenis van de omgeving geeft vaak ook veel aanpwijzingen. Zo kunt u in de kadastrale leggers per perceel bekijken waarvoor het land gebruikt werd.

Mogelijk was de boer lid van een landbouwvereniging of -coöperatie, of kunnen de archieven van verzekeringsmaatschappijen inlichtingen over het bedrijf verschaffen.

Een hagelschadeverzekering bijvoorbeeld kan iets vertellen over het soort gewas dat verbouwd werd, en een brandverzekering zegt iets over het gebouw of de levende have.

Aan de slag

Om structuur aan te brengen in uw zoektocht naar de geschiedenis van een boerderij en de bewoners, is het handig om eerst onderstaande stappen te doorlopen.

  1. Van verschillende regio’s bestaan boerderijboeken. Kijk daarom eerst of er al iets is gepubliceerd over ’uw’ boerderij of het betreffende gebied. Een overzicht van boerderijboeken vindt u o.a. op onze website.
  2. Bekijk kaarten (digitaal of in gedrukte atlassen) van het gebied en bestudeer de ontwikkeling van de boerderij en het omliggend land. Heeft de boerderij steeds op dezelfde plaats gestaan? Wanneer verschijnt het huidige gebouw op de kaarten?
  3. Als u een bedrijfsvermelding van vóór 1832 hebt gevonden en graag wilt weten om welke boerderij het gaat, kunt u proberen deze op te zoeken in de oudste kadastrale
    gegevens uit 1832: de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels en de Minuutplans. Hebt u een vermelding van na 1832, probeer dan de bijbehorende kadastrale aanduiding
    (gemeente, sectie en perceelnummer) te achterhalen. Veranderingen in de eigendomssituatie zijn in tweevoud opgemaakt in de kadastrale leggers. U kunt ze vinden bij de Groninger Archieven of bij de gemeente waarin de gezochte boerderij
    ligt. U kunt alle minuutplans en andere kadastrale gegevens van de provincie Groningen uit 1832 inzien via de website www.hisgis.nl en www.watwaswaar.nl. De daaropvolgende kadastrale gegevens (tot ca. 1990) maken deel uit van de zgn. 'digilegger'van het Kadaster die voorlopig alleen in de studiezaal van de Groninger Archieven te raadplegen is.
    Kunt u de boerderij niet terugvinden in de kadastrale gegevens uit 1832, dan zijn er een paar mogelijkheden
  • U kunt uitgaan van de huidige kadastergegevens en bij het Kadaster op onderzoek gaan.
  • De Groninger Archieven beschikken over notariële akten vanaf 1811 tot ca. 1925. Hebt u een verwijzing naar een verkoop/ overdracht van vóór 1925, dan is het mogelijk in de notariële akten verder terug te zoeken.
  • Stukken betreffende overdrachten vóór 1811 zijn te vinden in de oud-rechterlijke
    archieven, eveneens in te zien bij de Groninger Archieven. Het verschilt per gebied hoever u terug kunt zoeken. Misschien vindt u in de u oudst bekende akte een vermelding van het voorgaande ‘transport’: Hoe is die toenmalige eigenaar
    in het bezit van de boerderij gekomen?

Achtergrond

Grondbezit van de provincie
De grootste grondbezitter in Groningen vanaf ca. 1600 was het gewestelijke bestuur: de Staten van Stad en Lande. De Staten vormden een gecombineerd bestuur, waarin zowel de Stad Groningen als de Ommelanden vertegenwoordigd waren.

Na de reductie van 1594 kwam het gewestelijke bestuur in het bezit van de kloostergoederen, die verspreid lagen over het gehele gewest en ongeveer een derde van het in cultuur gebrachte grondgebied besloegen. De overgeleverde administratie van deze Provincielanden, zoals de goederen voortaan gingen heten, herbergt een schat aan informatie betreffende boerderijen en hun huurders c.q. bewoners.

In 1617 werd een deel van de voormalige kloosterlanden verdeeld tussen de Ommelanden en de stad. In de daaropvolgende periode was het vooral de stad Groningen die door aankopen een flink deel van het voormalig kloosterbezit verwierf en ook in de 18e eeuw (1764-1774) wist te profiteren van landverkoop door een in financiële nood verkerende provincie.

De administratie van al deze goederen, zo vond men in Groningen, mocht niet vermengd worden met eigen bezit (Stadslanden). Dit gold voor voormalig kloosterbezit, maar ook voor de kerkelijke- of ‘predikantengoederen’, die eigendom waren van de drie stedelijke parochiekerken.

De administratie van deze kerkelijke goederen maakte officieel deel uit van het 'Predikantenkantoor. Nu zijn die archiefgegevens te vinden in de verschillende archieven van het stadsbestuur, met name in toegang 1605.

Grondbezit van de stad
De grondpolitiek die de stad Groningen voerde, richtte zich niet alleen op het voormalig kloosterbezit. Zo hadden de stadsbestuurders hun vizier ook gericht op de veenkoloniën, waar de stad de belangrijkste onderneming was naast de compagnieën waarin particulieren participeerden. Dit gold met name voor het Gorecht en de beide Oldambten.

Om die reden werd de stad wel aangeduid als de grootste boer van de provincie. Geheel in overeenstemming hiermee werd in 1619 de heerlijkheid Westerwolde door de stad aangekocht, waarmee ook de oude bezittingen van het klooster Ter Apel aan de stad vervielen. Onmiddellijk werd in opdracht van de stad begonnen met de exploitatie van deze gebieden en werd turf gewonnen. Nadat het veen was afgegraven, werden de gronden geschikt gemaakt voor met name de aardappelteelt en graanverbouw.

Het bijhouden van alle gegevens over het grondbezit , vooral in de pas verworven veengebieden, en de vele huurders die deze bewerkten, de stadsmeiers, vereiste natuurlijk een gedegen administratie. Hiertoe werd vanaf 1652 een aparte rentmeester der stadsvenen aangesteld, die verantwoordelijk was voor het beheer ervan.

Deze administratie is voor een groot deel terug te vinden in het archief van het Veenkantoor. De administratie was verdeeld over drie afdelingen, zogenaamde ‘kantoren’: Sappemeer, Stadskanaal en Pekela. Het vervolg op deze administratie vindt u terug in het archief van de(stads)onderontvangers (1930-1975).

Veranderingen in grondbezit
In de periode vóór 1811 kende Groningen geen notariaat. Welke instantie of functionaris bevoegd was om te ‘zegelen’, het opmaken van een akte, verschilde per regio. Pas na 1750 werd in de hele provincie van elke akte een orgineel (minuut) door de zegelaar bewaard, de zogenoemde protocollatie.

In de stadsjurisdicties werden akten zo ook al geregistreerd vóór 1750. Onder de rubriek ‘Protocollatie’ vinden we in de inventarissen van de archieven bij de verzegelingen overdrachten van onroerende goederen door koop, verkoop of vererving.

Boedelinventarissen, veelal opgemaakt bij voogdijzaken, vindt u bij plaatselijke gerechten in de provincie onder de rubriek ‘Rechtspraak’ of in het archief van de Weeskamer in de stad Groningen.

Ten slotte kunt u in het archief van de Hoge Justitiekamer stukken vinden over gerechtelijke verkopingen van boerderijen en landerijen in de Protocollen van trekcedullen.

Hier liggen ook de Bijlagen van preferentieoordelen (betreffende de verkoop van rechten op de jaarlijkse rente-inning over de waarde van een stuk land), met de namen van de eigenaren en de omvang en ligging van de landerijen.

In de notariële archieven bevinden zich alle akten betreffende de overdracht van onroerende goederen door koop, verkoop of vererving, die dateren van na 1811.

De toegang op de akten wordt gevormd door het Repertorium, een register van de verleden akten. De passeerdatum van de akten bepaalt daarbij de volgorde.

De datum waarop een pachtcontract passeerde wordt de datum van ‘constitutie’ genoemd. In notariële akten wordt deze dikwijls genoemd samen met de naam van de richter of grietman die de akte passeerde.

Belasting op grondbezit
De Staten van Stad en Lande hieven tot 1798 de belasting op grondbezit, de verponding. In de Schatregisters van de verponding staat per belastingplichtige de omvang van het grondbezit (in ‘grazen’ of ‘deimten’).

De registers bevatten geen begeleidend kaartmateriaal, maar ze houden veelal de volgorde van de ligging van de bezittingen in het landschap aan, bijvoorbeeld langs een weg of in een buurtschap. Vanaf 1832 vormden de gegevens van het Kadaster het uitgangspunt voor de kohieren van de grondbelasting.

Tussen 1814 en 1832 werd grondbezit vastgelegd in de Registers voor de grondbelasting. In deze registers vindt u de Leggers en Staten (relevés) van ongebouwde of onbetimmerde eigendommen en de kohieren van de belastingen op de gebouwde eigendommen en op de ‘deuren en vensters’ (registers van eigenaren en vruchtgebruikers).

Speciale aandacht tenslotte verdienen de registers ten behoeve van de waterschapsbelasting: het dijkschot. In Groningen worden deze lijsten aangeduid met de verzamelnaam Schotregisters, maar er bestaan ook andere benamingen. In deze leggers treft u veel informatie aan over landerijen, eigenaren en vruchtgebruikers: de schot- of dijkplichtigen.

Een aantal schotregisters uit Fivelingo, Hunsingo en Westerkwartier uit de periode 1754-1780 bevindt zich in het archief van de Hoge Justitiekamer.

Qua omvang en bestaansperiode vertonen de waterschapsorganisaties in Groningen, ook wel zijlvesten of dijkrechten genoemd, een grote variatie. Een aantal organisaties ontstond al in de Middeleeuwen, op initiatief van kloosters. Andere waterschappen zijn veel later pas ontstaan.

Zo kan het gebeuren dat in het ene waterschapsarchief middeleeuws materiaal te vinden is, terwijl andere slechts archiefstukken uit de 18e en 19e eeuw bevatten.

Om een overzicht te krijgen is het raadzaam om de inventarissen van deze archieven te bestuderen. Deze archieven berusten deels bij de Groninger Archieven en deels bij de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s.