Een boedelinventaris is een beschrijving van de roerende en onroerende goederen van een persoon of huishouden, maar ook van vermogen en schulden.
Dergelijke ‘inventarissen’ werden opgemaakt om belangen van anderen te beschermen.
Dat gebeurde vooral wanneer er sprake was van overlijden of van een voogdijzaak (of een combinatie van beide).
Wanneer bijvoorbeeld een weduwe of weduwnaar met minderjarige kinderen hertrouwde, dan werd een boedelinventaris opgemaakt om de materiële en financiële belangen van die kinderen – hun erfdeel – te beschermen. In de 19e eeuw kwam er nog een ander aspect bij kijken: door de invoering van een belasting op goederen en vermogen uit nalatenschappen (‘successierechten’) werden bezittingen getaxeerd.
Daarom komen we sinds die tijd steeds meer waardebepalingen in boedelbeschrijvingen voor, terwijl het er daarvoor veelal om ging wát er in een boedel zat.
In boedelbeschrijvingen worden de bezittingen van een huishouden of persoon opgesomd, zoals: potten en pannen, hemden en broeken, meubelen en beddengoed, vee en gereedschap, huizen en landerijen, boeken en paperassen.
Het lijkt een bonte verzameling, maar toch zat er enig systeem in de beschrijving. Deze was meestal ingedeeld per vertrek of per ‘rubriek’, of een combinatie van beide.
Over het algemeen betrof het roerende goederen, zowel in als om het huis, en soms ook vee en gewassen.
Ook contant geld werd genoemd en ‘titels en papieren’, oftewel papieren die verwijzen naar onroerende goederen, obligaties, effecten en schulden.
Voor wie een boerderij, een pand of de geschiedenis van een straat wil beschrijven, geven boedelbeschrijvingen een interessante kijk op de bewoning op een bepaald moment. Meerdere boedelinventarissen van een familie in de loop der tijd kunnen inzicht geven in de veranderingen van behoeften, mode en smaak, de houding ten opzichte van behoud en vernieuwing: moderne en ouderwetse wooncultuur.
Als meerdere generaties eenzelfde huis bewoonden, dan kunnen aan de hand van boedelinventarissen de wijzigingen in het gebruik van vertrekken, de inrichting en eventuele verbouwingen worden gevolgd.
Ten slotte kunnen historici boedelbeschrijvingen gebruiken voor onderzoek naar en het beschrijven van algemene kenmerken en trends op het gebied van landbouw, kunst- en sociaal economische geschiedenis.
Vanaf het begin van de 19e eeuw kende men een tiental situaties waarin het opstellen van een boedelinventaris óf wettelijk verplicht was óf vanzelfsprekend geregeld werd. Deze situaties zijn:
- bij overlijden met nalaten van minderjarige kinderen
- bij afwezigheid van de eigenaar en vervanging van diegene door een bewindvoerder
- bij vruchtgebruik
- bij erfstelling over de hand ten behoeve van kleinkinderen en afstammelingen van broeders en zusters
- bij erfstelling over de hand in hetgeen de erfgenaam of legataris onvervreemd en onverteerd zal nalaten
- bij voorrecht van boedelbeschrijving
- bij onbeheerde nalatenschappen
- bij boedelscheiding
- bij overlijden op zee
- bij faillissement
Tot 1811 werd het overgrote deel van de boedelinventarissen opgemaakt om de belangen van twee groepen te beschermen: 1) wezen en halfwezen en 2) erfgenamen en schuldeisers.
In het eerste geval was het maken van een beschrijving verplicht als de beide ouders waren overleden of een weduwe of weduwnaar met minderjarige kinderen hertrouwde. In het tweede geval wordt de beschrijving meestal opgemaakt door het gerecht.
Voor het vinden van boedelinventarissen van na 1811 in de notariële archieven verwijzen wij u naar het onderdeel over notariële akten, pagina 80. Een groot deel van de boedelinventarissen voor 1811 van de gerechten buiten de stad is digitaal voorhanden en kunt u dus via onze website bekijken (zoeken op naam of met de zoekterm <boedels> of <boedelinventarissen>).
De toegangen op oud-rechterlijke archieven buiten de stad bevatten een overzicht van de chronologische series boedelinventarissen. In de inventarissen in de studiezaal staan deze lijsten opgenomen als bijlage.
De boedelbeschrijvingen in het archief van het Volle gerecht van de stad Groningen zijn afzonderlijk beschreven in de inventaris (periode 1790-1804). Ook deze serie boedelinventarissen is gescand. Deze vindt u snel met de zoekterm <nalatenschappen>.
Op de grote serie, aanwezig in het archief van de Weeskamer van de stad, bestaan nadere toegangen (index 110-118). De boedelinventarissen in het archief van het Volle gerecht en de Weeskamer staan op microfiches. Als nadere toegang op die microfiches fungeren de indexen in de studiezaal.
De bruikbaarheid van boedelinventarissen hangt sterk samen met de aard van het onderzoek dat u wilt verrichten. Let bij het ‘lezen’ van een boedelinventaris op een aantal aspecten:
- Wanneer de boedelinventaris is opgemaakt; dit geeft een bepaald moment weer in het leven van de overledene en eventuele gezinsleden.
- Hoe de boedelbeschrijving is opgemaakt: waar is deze voor bedoeld en wie waren erbij betrokken (familieleden en getuigen).
- De grote verschillen in taxatie: naast vakkundige taxateurs waren er ook veel amateurs aan het werk, vaak aangesteld door de familie.
- Het doel: ging het vóór 1811 vaak om het vastleggen van goederen die niet vervreemd mochten worden, na 1806 was de successiebelasting de belangrijkste reden om goederen te laten waarderen. Wanneer een boedelbeschrijving niet was bedoeld voor de belasting, dan was de betrouwbaarheid waarschijnlijk groter. Wanneer het ging om de inventarisatie in verband met een nalatenschap (en daarmee samenhangend: het betalen van successierechten), dan wilde het wel eens voorkomen dat waardevolle spullen nog vóór de inventarisatie door toekomstige erfgenamen uit het sterfhuis werden gehaald. Zo wist men niet alleen de successiebelasting te ontduiken, maar ook eventuele mede-erfgenamen voor te zijn.
Tevens is het vraag, in hoeverre boedelinventarissen representatief zijn voor de toemalige samenleving. In veel gevallen gaat het om personen op leeftijd. Het betreft over het algemeen meer boedels van rijken dan armen, omdat men het in het laatste geval vaak niet de moeite en de kosten waard vond om een inventarisatie van bezittingen op te laten maken.
De nauwkeurigheid en volledigheid van inventarissen kan sterk verschillen.
Zo zijn boedelinventarissen van het platteland over het algemeen summierder dan die van de Stad.
Na 1750 worden ook de beschrijvingen beknopter. ‘Onbelangrijke’ zaken, zoals speelgoed, huisdieren of levensmiddelen, werden vaak niet (uitgebreid) beschreven.









