Groningen kende tot het begin van de 20e eeuw veel scheepvaart en scheepsbouw.
De kans is daarom groot dat u in uw Groningse familiestamboom een of meerdere schippers zult aantreffen.
Of misschien bent u geïnteresseerd in de geschiedenis van een bepaald schip. Schipper en schip zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zodat u altijd onderzoek zult moeten doen naar beide aspecten.
Opnieuw vormt het jaar 1811 een mijlpaal, omdat vanaf dat jaar allerlei nieuwe vormen van scheepsregistraties werden ingevoerd.
Hoogezand : haventje en de scheepswerf van Boon-Molema-de Cock aan de Hoofdstraat [818-7240]
De namen van schepen waren vaak geen lang leven beschoren en vormen dus een weinig betrouwbaar uitgangspunt voor uw onderzoek. De beste ingang bij veel bronnen is daarom de naam van de schipper.
Omdat schippers een reizend bestaan leiden, konden ze op verschillende plaatsen akten laten opmaken of een schip kopen. Het is dus goed mogelijk dat het schip waarnaar u op zoek bent niet in de provincie Groningen is gebouwd en ook de akten kunnen in andere plaatsen zijn opgemaakt.
Voor veel kleine schepen uit de 18e eeuw is de kans groter dat ze uit Groningen komen. Maar na de hoogtijdagen in de Groninger scheepsbouw, rond het midden van de 19e eeuw, werden veel schepen elders gebouwd.
Wanneer voor de aankoop van een schip een hypotheek moest worden afgesloten, kwam daar veel papierwerk bij kijken.
Voor u als onderzoeker is dat van voordeel, omdat deze akten u veel informatie kunnen verschaffen over het schip en de schipper. De documenten die bij aankoop werden opgemaakt, kwamen in het bezit van de schipper.
De personen of instanties die de documenten opmaakten hielden hiervan soms afschriften bij. Het hangt van de persoon of de instantie af, hoeveel informatie er werd genoteerd. De originele akten kunnen in particuliere archieven worden aangetroffen.
Wanneer een schipper zijn schip zelf kon financieren, was ook de inschrijving bij het Kadaster niet verplicht. Een dergelijke vrijstelling gold tevens voor schepen met een bruto inhoud kleiner dan 20m³ en tot 1927 ook voor binnenvaartschepen. Vond er wel registratie bij het Kadaster plaats, dan werd het schip voorzien van merknummers.
Bij onderzoek naar een nog bestaand schip is het verstandig eerst te kijken of deze merknummers of brandmerken terug te vinden zijn. Zo’n brandmerk is te vinden op het achterschip op een in het oog springende plaats. Het nummer staat genoteerd in de hypotheekakte. Het aanbrengen van dit brandmerk of ‘nummer van teboekstelling’ was tot 1997 een taak van de Scheepsmetingsdienst. Nadien werd het gedaan door het Kadaster.
Voor een deel van uw scheepsonderzoek kunt u terecht bij de Groninger Archieven. Instellingen als gemeenten (na 1811), het Kadaster (na 1838) en de Scheepsmetingsdienst helpen u vervolgens verder.
Concentreer u bij uw scheepsonderzoek op de archieven van gemeenten waarin scheepvaart in het verleden een belangrijke rol speelde. Inventarissen van de gemeentearchieven kunt u inzien via www.groningerarchiefnet.nl
Op het scheepsregister bestaan 2 toegangen: op scheepsnaam en op naam van de eigenaar. Als ingang voor onderzoek kan ook dienen het bouwjaar en het brandmerk of ‘nummer van teboekstelling’.
Vanaf 1927 bestaat dit nummer uit een combinatie van: volgnummer, letter Z(eevaart), B(innenvaart) of V(isserij), letter(s) van registratie-plaats (bijv. G of Gron voor Groningen) en jaar van registratie.
De scheepsgegevens van alle landelijke registratiekantoren zijn inmiddels overgebracht naar het Kadaster te Rotterdam.
Er bestaan veel bronnen met informatie over schepen en schippers. Deze zijn te vinden bij verschillende instellingen verspreid over het hele land. Om structuur aan te brengen in uw onderzoek kunt u werken met een stappenplan. Een mogelijke opzet zou kunnen zijn:
1 Onderzoek naar de schipper en zijn familie - familieonderzoek
- Genealogisch onderzoek, zoals ook beschreven in het hoofdstuk Familie.
2 Onderzoek naar schip en bemanning - Noordelijk Scheepvaartmuseum
- Zoeken op naam van de schipper of op scheepsnaam in het ‘scheepsregister Sweijs’.
- Zoeken op naam van de schipper of op scheepsnaam in de lijst van koopvaardijschepen ‘Bouma’.
- Raadpleeg archieven van scheepswerven/rederijen/verzekeringsmaatschappijen.
- Ga op zoek naar scheepsbouwtekeningen.
- Ga op zoek naar aanmonsterbriefjes en monsterrollen.
- Ga op zoek naar schippersverenigingen en zeemanscolleges.
- Bestudeer scheepsmetingen (ook: Maritiem Museum Rotterdam).
- Ga op zoek naar scheepsberichten.
3 Vervolgonderzoek naar schip en bemanning - Kadaster
- Ga op zoek naar de naam van de schipper, de scheepsnaam en/of het brandmerk in het scheepsregister bij het Kadaster te Rotterdam.
- Ga op zoek naar notariële afschriften van koopakten bij het Kadaster te Rotterdam.
- Ga op zoek naar gegevens van de Geautomatiseerde Scheepsboekhouding Kadaster (jaren 1990-heden) bij het Kadaster te Groningen.
4 Vervolgonderzoek naar schip en bemanning - RHC Groninger Archieven
- Ga op zoek naar bijl- en transportbrieven, zeebrieven, scheepsverklaringen, bodemerijbrieven in (oud)rechterlijke en notariële archieven.
- Ga op zoek in het archief van de hypotheekbewaarder, 1838-1948.
5 Aankleding’ van het onderzoek - Musea/RHC Groninger Archieven
- Verzamel kaarten, tekeningen, foto’s, prentbriefkaarten en audiovisueel materiaal.
- Bestudeer boeken, kranten– en tijdschriftartikelen, brochures, documentatie en almanakken.
Tussen 1811 en 1838 werden bijlbrieven geregistreerd bij de rechtbanken van eerste aanleg. Het archief van dat type rechtbank in Groningen bevat afschriften van dergelijke akten, gedateerd vanaf 1788.
Deze waren nodig voor het verkrijgen van een nationaliteitsverklaring, zodat men zich vervolgens in het scheepsregister kon laten inschrijven. Ook in de archieven van de rechtbank van eerste aanleg in Appingedam zijn registraties van bijlbrieven bewaard gebleven.
Over de periode 1819-1838 wordt in het archief van de rechtbank van eerste aanleg in Winschoten een kleiner aantal bijlbrieven genoemd in een register ter verkrijging van zeebrieven.
Daarnaast vinden we in deze archieven ook registraties van transportakten en bodemerijbrieven. Bij deze laatste groep gaat het om akten waarin een geldlening werd vastgelegd ter bekostiging van schade, met andere woorden: een verzekering tegen averij.
De lening werd verstrekt voor de duur van een reis. Het schip was hierbij onderpand. De geldschieter droeg hierbij het risico. Bij averij was hij zijn geld of een deel daarvan kwijt. Wanneer de reis was beëindigd, kreeg de geldschieter zijn geld, met een vastgesteld extra bedrag, terug.
De scheepsverklaringen, rederijcedullen en verklaringen van eigendom kunnen in de originele akten (minuten van akten) worden gevonden. In het archief van de arrondissementsrechtbank in Groningen zit verder een klein aantal verslagen van veilingen van in beslag genomen schepen uit de periode 1840-1876. Hierin is een zeer uitgebreide beschrijving van het schip opgenomen en wordt de prijs van het schip vermeld.
Ook treft u hier de verwijzingen naar andere registraties van de rechtbank aan. Als een schip inzet was van een conflict of als een schipper voor de rechter moest verschijnen in verband met een overtreding, dan zijn de rechtbankarchieven natuurlijk de meest aangewezen bron. U vindt ze in ons archievenoverzicht onder de rubriek ‘Justitie, rechtspraak’.
In de regel worden akten van koop en verkoop na 1811 opgemaakt door de notaris. Iedere notaris hield een chronologisch register, het repertorium, bij van alle akten die door hem werden opgesteld. In deze repertoria is dus na te gaan of een schip is verkocht.
Verkoopakten van een bepaald schip kunnen bij iedere notaris te vinden zijn. Het is raadzaam het onderzoek te beginnen bij de woonplaats van de schipper. Wanneer u daar niets vindt, kunt u bij notarissen in de omliggende plaatsen zoeken, en zo steeds verder.
Voor de werkgebieden van de rechtbanken in Appingedam en Groningen is het praktischer het onderzoek te beginnen bij deze rechtbankarchieven. Akten bij de notaris bevatten de naam van de koper en de verkoper, het scheepstype, de prijs van het schip en eventueel een afbetalingsregeling. Als de schuld voor het schip werd afbetaald, kon ook hiervoor weer een akte worden opgesteld.
De notaris stelde daarnaast de hypotheekakte op. Na de instelling van het scheepsregister bij het Kadaster in 1838 kon alleen een hypotheek gegeven worden op schepen die bij het kadaster geregistreerd waren. Het kadaster hield tevens een registratie van hypotheekakten bij. Wanneer een schip werd gekocht na 1838 kan het onderzoek beter gestart worden bij het Kadaster.
De hypotheekregistratie bevat echter niet altijd de volledige tekst van de akten. Bij het kadaster vindt u de datum waarop en het notariskantoor waar de akte is opgemaakt. Dit maakt het zoeken in de notarisarchieven makkelijker en sneller.
Namen van schepen en hun eigenaren zijn ook te vinden in de registers op de patentbelasting, een Rijksbelasting de van 1806-1894 werd geheven op beoefenaars van zelfstandige beroepen en eigenaars van bedrijven. De registers zijn te vinden in de gemeentelijke archieven.
Bij de tewaterlating van een schip moest deze op schriftelijk verzoek van de schipper en/of eigenaar worden gemeten door de scheepsmeter of ijkmeester. Van deze meting werd voor de schipper/eigenaar een meetbrief opgesteld.
Vanaf 1899 behoorde het tot de taken van de belastingdienst, maar met ingang van december 1933 werd het de kerntaak van de pas opgerichte Scheepsmetingsdienst.
Deze was aanvankelijk op meerdere plaatsen in het land te vinden, maar sinds 1988 is de dienst alleen nog maar in Rotterdam gevestigd. Bij de meting werd op een viertal plaatsen in de scheepshuid een ijkmerk aangebracht, bestaande uit een letter, die de plaats van registratie aanduidt, een volgnummer en nog een letter.
Voor de administratie van de dienst werden naast een volledig signalement van het vaartuig ook gegevens over tonnage, omvang, motornummers, bouwjaar en bouwplaats in een meetboekje genoteerd.
De ‘liggers’, waarin de schepen op volgorde van meting werden ingeschreven, zijn sinds oktober 2008 opgenomen in de collectie van het Maritiem Museum Rotterdam (www.maritiemmuseum.nl). De liggers zijn afkomstig uit alle Nederlandse plaatsen waar schepen werden gemeten, vanaf 1899 tot ca. 1995. De liggers kunnen op aanvraag worden ingezien (e-mail: bibliotheek@maritiemmuseum.nl).
Vanaf het begin van de 19e eeuw stonden in de kranten scheepsberichten over havens in de provincie Groningen. Deze informatie is te vinden onder kopjes als ‘Nederlandse schepen die de Sont zijn gepasseerd’, ‘Aankomst en vertrek van schepen’ of ‘Zeetijdingen’.
In de kranten werd ook melding gedaan van vergane schepen. In het Noordelijk Scheepvaart Museum zijn deze scheepstijdingen uit de periode 1838-1862 in een databestand te vinden. Hierin kunt u zoeken op scheeps- en persoonsnaam.
Zeer interessant zijn ook de mededelingen over de doorvoer van schepen door de stad, die zo rond 1850 in de krant begonnen te verschijnen. Vaak betrof het zogenaamde ‘scheepshollen’ (nieuwgebouwde schepen zonder tuigage) uit de Veenkoloniën en veel andere nieuwe schepen, die via het Reitdiep naar zee gingen.
De aan te treffen informatie heeft betrekking op de scheepsnaam, de naam van de werf, de scheepsbouwer, de eigenaar en het type. Schepen uit Pekela, die via een andere route naar zee gingen, ontbreken. In kranten werden ook advertenties opgenomen waarin schepen, scheepswrakken en lading werden aangeboden.
Aan de hand hiervan kan in de notariële archieven het officiële verkoopprotocol worden gezocht, waarin de kosten, opbrengsten etc. vermeld staan.
Ook zijn er advertenties waarin schippers hun diensten aanboden. De Groninger Archieven beheren een grote collectie kranten, die deels via microfiches in de studiezaal zijn in te zien. Dit geldt ook voor een drietal kranten waarin veel van dit soort informatie over schepen is te vinden: de Ommelander Courant, de Groninger Courant en de Provinciale Groninger Courant.
Veel scheepstijdingen en advertenties van beurtdiensten zijn ook digitaal te vinden op www.dekrantvantoen.nl en http://kranten.kb.nl/.
De fotocollecties van de Groninger Archieven zijn gedigitaliseerd en beschikbaar op www.beeldbankgroningen.nl. Foto’s die deel uitmaken van een archief zijn vermeld in de desbetreffende inventaris.
Speciale aandacht verdient de collectie van Fotobedrijf Piet Boonstra, dat gedurende de jaren 50 en 60 veel tewaterlatingen en proefvaarten heeft gefotografeerd. De negatieven zijn beschreven, maar dit overzicht is (nog) niet in de studiezaal te raadplegen.
U kunt hierover informatie inwinnen bij de baliemedewerkers. Voor films en filmfragmenten uit de collectie van het Gronings Audiovisueel Archief (GAVA) kunt u op titel/beschrijving zoeken met behulp van de zoekfunctie op deze website.
Ook voor 1811 besefte men dat de rechtszekerheid gediend was met een vorm van registratie van akten. Wie daadwerkelijk bevoegd was om akten op te maken en met een zegel te bekrachtigen verschilde van plaats tot plaats.
Het in- of overschrijven van gepasseerde akten in registers (het zogenaamde ‘protocolleren’) vond vóór 1600 maar weinig plaats. Hoewel dit in de stad Groningen en onderhorige stadsjuris-dicties al vanaf het begin van de 17e eeuw gebruik was, duurde het tot 1749 - met de invoering van het ‘Reglement Reformatoir’ - voor het ook in de Ommelanden verplicht was.
Bij de tewaterlating van een nieuw schip werd vroeger een zogenaamde bijlbrief opgesteld. Dit is een verklaring van de scheepsbouwer dat een schip in opdracht en voor rekening van een bepaalde persoon werd gebouwd.
De term komt nog uit de tijd dat de schepen van hout werden gemaakt en ‘schoon van de bijl’ werden opgeleverd. De oudste bewaard gebleven bijlbrieven stammen uit het midden van de 18e eeuw.
Niet alle akten bevatten dezelfde soort gegevens, maar u vindt er in elk geval de naam van de schipper, de naam en woonplaats van de scheepsbouwer(s) en het scheepstype.
Wanneer de capaciteit van een schip wordt genoemd, gebeurt dit in roggelasten. Sommige bijlbrieven en koopakten bevatten ook de maten van het schip, doorgaans genoteerd in voeten en duimen.
Een roggelast is 2099 kilo. Een voet is 29,2 cm. Er gaan 12 duimen in een voet.
Na de invoering van het metrieke stelsel in 1820 bleef men deze oude namen gebruiken: el = meter, palm = decimeter, duim = centimeter en streep = millimeter.
In sommige gevallen werden ook akten opgesteld voor de aanschaf van tuigage, zoals de touw-, ijzer-, rondhout- en zeilbrieven. Wanneer bij de overdracht van het schip nog niet de hele koopsom was betaald, werd later nog een akte opgesteld om de afbetaling vast te leggen.
Voor de overdracht van een bestaand schip werden transportakten geregistreerd. Deze akten zijn te vergelijken met bijlbrieven. In de bijlbrief wordt de scheepsbouwer als verkoper genoemd.
Hoewel in de transportakte in sommige gevallen de scheepsbouwer nog wel genoemd wordt, is de verkoper in dit geval iemand anders, meestal de laatste gebruiker van het schip.
Wanneer een scheepseigenaar een bewijs van eigendom nodig had, bijvoorbeeld voor een verzekeringszaak of bij een erfrechtkwestie, dan kon hij een verklaring van eigendom laten opmaken.
Er waren maar weinig schippers die zich de volledige aankoop van een schip konden permitteren. Om die reden werden er voor de financiering vaak aandelen uitgegeven.
In zo’n ‘partenrederij’ waren dus meerdere personen eigenaar van het schip. In de bijlbrieven staat informatie over eventuele aandeelhouders, maar ook in de archieven van de aandeelhouders zelf kunnen gegevens opduiken, zoals in het huisarchief Menkema en Dijksterhuis.
Het aandeelhoudersbewijs werd een rederijcedul genoemd. Die term werd ook gebruikt als aanduiding voor de lijst van aandeelhouders van een schip. Helaas zijn er maar weinig bewaard gebleven.
Groninger schippers hielden zich vaak bezig met internationale handel. Om te kunnen varen buiten de nationale wateren had de schipper een zeebrief nodig.
Het was een schipper met een zeebrief bovendien toegestaan om de landsvlag te voeren.
Er zijn helaas maar weinig zeebrieven bewaard gebleven. De zeebrief werd verstrekt bij overlegging van een bijlbrief, een rederijcedul en een meetbrief.
Een meetbrief is een document waarin de maten van het schip secuur werden aangegeven.
Er zijn uit deze tijd geen meetbrieven bewaard gebleven. Ook waren er documenten waarin schippers verklaringen lieten opnemen over hun ervaringen gedurende de reis.
Er werd bijvoorbeeld melding gemaakt van vertragingen door slecht weer of van het verlies van lading als gevolg van oorlogsgeweld.
Uit deze scheepsverklaringen is veel interessante informatie te halen, zoals de route die een schip heeft gevaren en de lading die werd meegenomen.
In een monsterrol werd door de zegelaar vastgelegd wie de bemanningsleden waren (naam, rang, woonplaats en leeftijd) en hun afspraken met de schipper over loon, rantsoen en verplichtingen.
Hieruit is dus op te maken hoeveel mensen meevoeren op het schip, en onder welke condities. Een monsterrol werd opgemaakt voor één reis.
In Delfzijl werden tussen 1803 en 1810 de monsterrollen in een apart boek opgetekend. Deze en latere gegevens zijn samengevoegd in een database die via de website van het Noordelijk Scheepvaartmuseum te raadplegen is.





















