Zoek op de website
Uw zoekacties: Cipier van het Tuchthuis te Groningen, (1666) 1670 - 1825
 2007 Cipier van het Tuchthuis te Groningen, (1666) 1670 - 1825
 
 
Zoek in deze archieftoegang
 
 
 
 
 
Inleiding
Deze inventaris maakte oorspronkelijk als afdeling 7 deel uit van: J.J.J. Beek, J. Folkerts, H. de Raad (eindred.), Inventaris van de archieven van de instellingen van het gevangeniswezen in de provincie Groningen (1666) 1670-1961 (1978); Publikaties van het Rijksarchief in Groningen 4 (Groningen, 1988). Het betrof hier de toegang op een fonds. Daarin waren de bestanddelen voorzien van een nummering met een decimale punt. Om praktische redenen is deze toegang nu gesplitst in toegangen op de afzonderlijke archieven. Voor aanhangsel en algemene inleiding behorende bij deze archieven: zie toegangsnr. 83.
In 1609 werd een deel van het Jacobijnerklooster in de stad Groningen ingericht tot stedelijk Tuchthuis. In 1611 werd het overgenomen door de provincie. In het kader van bezuinigingen werd het Tuchthuis in 1624 opgeheven. De behoefte aan een dergelijke instelling bleef, zodat in 1664 in de stad Groningen opnieuw een provinciaal Tuchthuis werd opgericht. De gevangenis bevond zich in de tegenwoordige Zoutstraat. In het onderstaande zullen wij ons tot dit Tuchthuis beperken *  . Het dagelijks toezicht op het Tuchthuis was in handen van een college van voogden. Zij oefenden hun taak uit volgens een door de provinciale Staten vastgestelde instructie.
Eén van de voogden bekleedde de functie van boekhouder-voogd en was belast met de registratie van de gedetineerden in het Tuchthuis. De voogden werden bijgestaan door twee "buitenmoeders", die met name toezicht hielden op de kleding en voeding der gedetineerden. Onder de bevelen van de voogden fungeerde een "tuchthuismeester". Ook zijn instructie werd door de Staten vastgesteld. Voor eigen rekening droeg hij zorg voor het onderhoud van de gedetineerden. Eveneens voor eigen kosten had hij huishoudelijk personeel in dienst. Tegenover deze kosten stonden uiteraard inkomsten. Hij ontving behalve een salaris, de opbrengst van de arbeid van de gedetineerden in de zogenaamde "fabriek" van het Tuchthuis. Voor die arbeid schafte hij zelf de grondstoffen aan en verkocht de eindproducten. In de "fabriek" werd onder meer geweven, gesponnen en verfhout geraspt. Over toelating en ontslag van gedetineerden besliste het college van Gedeputeerde Staten.
De populatie van het Tuchthuis was als volgt samengesteld:
- bedelaars en vagebonden (het aandeel van deze groep daalde sterk na 1700);
- "luie en ongeregelde personen" (vaak werden deze op verzoek vanfamilieleden ingesloten);
- personen veroordeeld door rechterlijke instellingen in de provincie Groningen (deze categorie maakte een steeds groter deel uit van de totale bevolking);
- een restgroep (personen die er eigenlijk niet hoorden, zoals bijvoorbeeld krankzinnigen, lijders aan epilepsie en dergelijke)
De opheffing van de gewestelijke soevereiniteit in 1798 leidde vooreerst niet tot praktische bemoeienis van de centrale overheid met het gevangeniswezen. Er veranderde weinig in bestuur en beheer van het Tuchthuis. De rol van het opgeheven provinciaal bestuur werd overgenomen door de opeenvolgende departementale besturen. In 1807 werd de landdrost belast met het beheer over het Tuchthuis. In 1808 kwam de "inwendige directie" in handen van het departementaal Gerechtshof, en beperkte de landdrost zich tot toezicht op het gebouw *  . Pas het "Arrêté" van 1810 bracht wezenlijke veranderingen. Het Tuchthuis werd in 1811 voorlopig Verbeter- en Tuchthuis *  .
In hetzelfde jaar werd Groningen aangewezen als vestigingsplaats van één van de drie grote "Maisons de Détention", te vestigen in de departementen van het vroegere koninkrijk Holland. Deze gevangenis wilde men huisvesten in het bestaande Verbeter- en Tuchthuis, dat grondig verbouwd zou moeten worden. De uitvoering van dit plan strandde op geldgebrek *  . Sinds 1814 fungeerde de gevangenis als Tuchthuis. In 1814 werd als bestuurscollege voor het Tuchthuis en de overige gevangenissen in de stad Groningen een College van Regenten benoemd. Het college verving een in 1811 benoemd "Conseil" *  . De functie van tuchthuismeester bleef bestaan. Deze functionaris werd ook wel als cipier aangeduid.
Een deel van het archief werd in 1921 overgenomen van het Groningse College van Regenten. Dit onderdeel is eerder beschreven in de inventaris van de archieven van de Hoge Justitiekamer in Groningen en andere gewestelijke rechterlijke instellingen tot 1811.
De overige archivalia werden in 1973 verworven van het Centraal Wervings- en Opleidingscentrum van het Gevangeniswezen te 's-Gravenhage.
Kenmerken
Datering:
(1666) 1670 - 1825
Beschrijving:
Archief van de Boekhouder-Voogd En De Tuchtmeester C.Q. Cipier van het Provinciaal, Later Departementaal Tuchthuis Te Groningen, Sinds 1811 Verbeter- En Tuchthuis, Sinds 1814 Tuchthuis
Bewerker:
J.J.J. Beek, J. Folkerts en H. de Raad
Laatste Publicatie:
1988
Omvang:
0,8 m standaardarchiefberging
Bijzonderheden:
Deze inventaris maakte oorspronkelijk als afdeling 7 deel uit van: J.J.J. Beek, J. Folkerts, H. de Raad (eindred.), Inventaris van de archieven van de instellingen van het gevangeniswezen in de provincie Groningen (1666) 1670-1961 (1978); Publikaties van het Rijksarchief in Groningen 4 (Groningen, 1988). Zie voor de inleiding, bijlagen en het algemene aanhangsel: Toegangsnummer 83.
Categorie:
Archiefvormer(s):
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS