1536_6314_15_cr_beckeringh_borgen-copy2.jpg

Nazi’s konden niet altijd hun zin doordrijven

Nieuw in de collectie

Bij verhalen over de Tweede Wereldoorlog gaat het doorgaans over de meer spectaculaire aspecten: onderdrukking, vervolging, collaboratie en verzet. Hoe de oorlog van invloed was op het alledaagse leven, daarover is veel minder bekend. Maar je kunt het wel nagaan, bijvoorbeeld aan de hand van archieven van organisaties die destijds ‘gewoon’ doorgingen met hun werk. Neem de Groninger Schoolartsendienst, waarvan het archief nog niet zo lang geleden toegankelijk is gemaakt. Wat merk je van de oorlog in de notulen van de Schoolartsendienst?

Bij het antwoord op die vraag springen twee zaken eruit: de reiskosten en het personeelsbeleid. Over die reiskosten, om daarmee te beginnen, was bij de Schoolartsendienst altijd al veel te doen. Ze vormden een bron van onvrede. In principe kreeg een schoolarts 1000 gulden per jaar voor zijn auto uitgekeerd, maar die vergoeding werd ook voor de oorlog al te gering gevonden. Aan het begin van de oorlog bestond er even de vrees voor totale benzineloosheid. Die bleef nog even uit, maar het aanbod van benzine nam wel sterk af en de prijzen stegen navenant. Het benzineverbruik was dan ook al aan het dalen, toen er alsnog distributie werd ingesteld. Voor schoolartsen werd in 1941 het rantsoen eerst 80 liter per maand, maar vanaf 1 augustus 1943 kregen ze helemaal geen benzine meer en moesten ze hun auto’s maar laten ombouwen met een persgasinstallatie. Nog later kregen ze het verzoek om scholen per fiets te bezoeken, of te overnachten in de gemeenten die ver van hun standplaatsen verwijderd lagen.

Klassenfoto 2e klas Coendersschool Groningen, 6-12-1941. Fotograaf onbekend, Groninger Archieven (2138_8099)
Klassenfoto 2e klas Coendersschool Groningen, 6-12-1941. Fotograaf onbekend, Groninger Archieven (2138_8099)

Dat verzoek kwam van Ger Griever, die op 6 juli 1942 door de Commissaris van de provincie benoemd was tot voorzitter van de Schoolartsendienst. De Schoolartsendienst kreeg daarbij geen inspraak: de vorige voorzitter, gedeputeerde Breman (SDAP), werd eenvoudig aan de kant geschoven en daarmee moest men het doen. Anderhalve maand later, op 19 augustus, diende Griever zich voor het eerst aan in een vergadering, en wel in die van de groep Veendam. Hij deelde mee dat er geen officiële installatie van hem als voorzitter zou plaatsvinden en gaf alvast zijn beginselverklaring af: “Als lid van de N.S.B. zullen mijn daden en handelen zuiver nationaal-socialistisch zijn”.

Deze Ger Griever (1900-1970) was eigenlijk groothandelaar in kruidenierswaren te Appingedam, maar genoot een veel ruimere bekendheid als ‘Griever de Schriever’. Hij publiceerde voor de oorlog een reeks boerenromans en tevens enig toneelwerk. In de oorlog gebeurde dat o.a. bij de nazi-uitgeverij De Schouw, terwijl Griever ook bijdroeg aan nationaalsocialistische bladen. Hoewel al eerder sympathisant, besloot hij in juli 1940, dus vlak na de Duitse inval in ons land, lid te worden van de NSB. Het partijblad Volk en Vaderland noemt hem in 1942 “een fellen strijder”: “Zonder eenige terughouding voert hij den strijd…” Griever klom dan ook snel op in de partij, was eerst Groepsleider en later Kringleider van de NSB in Appingedam en omgeving. Ook steunde hij de SS als begunstigend lid.

Vanaf 1 augustus 1942 fungeerde Schriever als Bestuursraad (een soort gedeputeerde) in de provincie Groningen, met in zijn portefeuille culturele zaken. Na de Commissaris van de provincie was hij aanvankelijk de vierde, later de tweede man. Als Bestuursraad installeerde hij nogal wat NSB-burgemeesters met nazistisch-getinte redes. Hij was als censor die boeken op hun “gezonde” inhoud beoordeelde al vroeg betrokken bij de landelijke Kultuurkamer. In het najaar van 1942 werd hij dan ook Leider van de Kultuurkamer voor Groningen en Drenthe. Bij de opening daarvan verklaarde hij, dat hij in de Drenten en Groningers “voortreffelijke Germaansche elementen” zag, die behoorden tot het “Faalsche” en het “Noordras”.

Volk en Vaderland 25 september 1942
Volk en Vaderland 25 september 1942

Meteen in zijn eerste vergadering van de Groninger Schoolartsendienst kwam Schriever namens de Commissaris met de voordracht van slechts één kandidaat voor de vervulling van een vacature, terwijl zo’n voordracht voorheen altijd uit drie kandidaten had bestaan en er maar liefst 38 sollicitanten waren geweest. Alleen die ene kandidaat voldeed in de ogen van de Commissaris en Griever namelijk aan de eisen – niet alleen moest de nieuwe schoolarts een goed medicus en een sociaal-voelend mens zijn, maar hij mocht ook “niet vijandig staan tegenover den nieuwen tijd”. Enige oppositie kwam er van J.A. Hoogkamp en H. de Wit, de burgemeesters van Veendam en Wildervank. Er waren wel zes goede kandidaten, wisten deze, maar daarvan stond er geen enkele op de voordracht. Bovendien was de gemeente Veendam niet in de procedure gekend, terwijl het om een gemeentelijke schoolarts ging. Waar slechts een enkele persoon voorgedragen werd, kwam het voordrachtsrecht feitelijk neer op een benoemingsrecht. Griever zei dat het niet de bedoeling was de gemeentelijke autonomie aan te tasten, maar kon verder alleen maar zijn vereisten herhalen. Uiteindelijk benoemde men de enige kandidaat, die overigens geen lid van de NSB was.

Op 6 november 1942 herhaalde zich dit spel in de schoolartsengroep Zuidhorn. Opnieuw kwam Griever op de proppen met één enkele kandidaat voor de vervulling van een vacature, onder herhaling van bovengenoemd motief: omdat de nieuwe schoolarts met de Nederlandsche Volksdienst (NVD) – het genazificeerde maatschappelijk werk – diende samen te werken, moest absoluut vaststaan, dat hij “niet tegen de nieuwe ordening is”. Dit keer kwam de oppositie van de burgemeesters R.A. Cleveringa (Zuidhorn), D. van Geel (Marum) en A. van de Nadort (Grijpskerk). De eerste verwonderde zich dat er maar één uit zes geschikte kandidaten geselecteerd was, zodat er geen keus werd gelaten, en hij kon zich evenmin verenigen met de politieke eis, want medische ontwikkeling ging boven alles en de schoolarts was er voor kinderen. Van Geel en Van de Nadort vielen hem bij en vroegen zich openlijk af of het algemeen belang en de schoolartsendienst niet met zo’n enkelvoudige voordracht werden geschaad. Een schoolarts die met de NVD samenwerkte, zou bovendien niet gezien zijn bij de bevolking. Griever hield echter voet bij stuk. Bij de schriftelijke stemming leed hij vervolgens een smadelijke nederlaag. Van de 9 stemmen waren er slechts 2 voor de kandidaat en de rest blanco. Omdat het huishoudelijk reglement in zo’n geval geen uitkomst bood, bleef de benoeming van die ene kandidaat uit. Griever concludeerde dat de blanco-stemmers “politieke redenen” hadden en uitte vervolgens een verkapt dreigement: “Zij hebben hun persoonlijke gevoelens boven het algemeen belang gesteld en laden daardoor een geweldige verantwoordelijkheid op zich.”

Desalniettemin leed hij in de groep Hunsingo, op 6 november 1942, een soortgelijke nederlaag. Nu waren er 4 stemmen op zijn kandidaat, tegen 8 blanco, zodat zijn kandidaat niet aan het werk kon. Dit leidde echter niet tot een verharding van de strijd, want de Commissaris en Griever kozen eieren voor hun geld. Bij een vacature, behandeld op 27 december 1942 in de groep Zuidhorn, kwamen zij met een voordracht van drie kandidaten, waaruit er inderdaad eentje werd gekozen. Op 9 juli 1943 bestond een voordracht in de groep Hunsingo bovendien uit twee, maar op dat moment speelde al dat de kandidaten zich moesten hebben aangemeld bij de Artsenkamer, een gelijkgeschakelde standsorganisatie. Vanwege deze eis hadden twee anderen zich teruggetrokken.

De conclusie mag zijn, dat de oorlog zelfs van invloed was bij de vervulling van vacatures voor schoolartsen, die toch voornamelijk met kinderen werkten. Hierbij bleek tevens, dat het door de nazi’s gehuldigde principe van eenhoofdige leiding op dit niveau niet altijd de doorslag gaf. Bij een stevige oppositie bonden zij soms in.

 

Bronnen

  • Groninger Archieven Toegang 1146 (archief Schoolartsendienst Groningen) Inv. nr. 7. Wat betreft de reiskosten op deze data: 29 mei 1940, 26 augustus 1941, 15 mei 1942, 9 juli 1943, 27 oktober en 22 december 1944. Wat betreft de vervulling van vacatures zijn dit de data: 19 augustus, 16 oktober, 6 november en 27 december 1942 en 9 juli 1943.

Voor de biografie van Griever zie:

  • Daniel Broersma, Het wonderland achter de horizon. Groninger regionaal besef in nationaal verband 1903-1963 (Assen 2005) 125.
  • Henk Nijkeuter, Geschiedenis van de literatuur in Drenthe (Assen 2003) o.a. 424, 427, 428, 447.
  • Groninger Archieven, Toegang 1165 (archief kabinet commissaris van de provincie 1942-1945) inv.nr. 178; Toegang 1776 (archief provinciaal bestuur vanaf 1942) inv.nr. 3405.
  • www.delpher.nl: artikelen op de zoektermen ‘Ger Griever’, Gerardus Griever, Griever + Appingedam, Bestuursraad + Griever, Griever + Tribunaal.

Harry Perton

Medewerker Publieksactiviteiten

Over de auteur

Harry Perton is redacteur en historicus. Hij selecteert uit de kersverse toegangen van Groninger Archieven stukken die extra aandacht verdienen omdat ze uniek, zeldzaam, heel bijzonder dan wel buitengewoon informatief zijn. Van deze stukken geeft hij de ontstaansgeschiedenis en de maatschappelijke context.