1536_6314_15_cr_beckeringh_borgen-copy2.jpg

Rondtrekkende troepen zorgen voor onrust en spanningen in Groningen. Op 15 mei schrijft Hieronymus Gotfridus, die waarschijnlijk in dienst is van Johan van Ewsum, een brief over de ‘vaerlickheitz deses tijdes’ en hoe de dreiging nu wel heel dichtbij komt. Volg de Vertaalslag rond Heiligerlee.

Dat de briefschrijver diensten verleent voor Johan van Ewsum blijkt uit het begin van de brief:

Met Johan Segers Edele ghestrenge unde Erentveste heer word ick be=
stellen, soe veer moegelick, dat ju Ghestrenge een goeden Meijer upgespoert
ende toe gestuert worde. Overst die vaerlickheitz deses tijdes sal
voel behinderen, dat men itzuntz neet wal sal koemen an raeken.

Hij is voor Johan van Ewsum op zoek naar een goede meier (een soort pachter), maar dit is een lastige zaak in deze roerige tijden. Ook is verderop in de brief te lezen dat hij een timmerman heeft geregeld.

Onsen timmerman Gestrenger heer hebb ick ontboeden
up toecoemende maendach. Wante het is gans noedich dat wij
het bowhues weder an vangen toe timmeren al eer die hoeij ende
bowtijdt an kumt.

Graaf van Aremberg, Jan de Ligne (ca. 1525-1568). Prent Groninger Archieven (1536_4093) en biref uit Familiearchief van Ewsum, Groninger Archieven (696_25) 
Graaf van Arenberg, Jan de Ligne (ca. 1525-1568). Prent Groninger Archieven (1536_4093) en brief uit Familiearchief van Ewsum, Groninger Archieven (696_25)  

Naast deze dagelijkse beslommeringen over ‘werk’, is het nieuwswaardige aan deze brief dat de Hieronymus Gotfridus een ‘verspieder’, een soort spion, heeft ontmoet:

gister tegens den Avent reijsde hijr eener vorbij (tscheen
een verspeder toe wesen) die ontboede mij, van het hues aff,
om wat bij hem up de wech toe koemen (was mij nochtans
onbekant) ende sede nit seker hoe dat hie uht westerlant strax que
me, ende had al daer die Graeve van Arenborch [Arenberg] seen heer reij=
sen van steenwijck [Steenwijk] up Lewerden [Leeuwarden] met negen waegens ende ijtli=
ke peerden; daer bijneffens, dat dee Graeve van Megen voer hant
was met tijn veertin knechten ende dre hondert ruter;
hoepte nochtans *sie sulden het* velt wall beholden: waer uht
toe marken, dat hie van der goesen Factie was; ende dat toe meer,
want hie voert ijlede omme noch des nachtes toe in den dam [Appingedam]

Blijkbaar moest de briefschrijver in gesprek gaan met deze spion. Hij merkte op dat deze persoon van ‘der goesen Factie’ was, eens te meer omdat hij ’s avonds de nacht zou doorbrengen in Appingedam waar vermoedelijk Lodewijk van Nassau ook nog zou zitten. Deze spion vertelde bovendien dat hij heeft gezien dat de Graaf van Arenberg en de Graaf van Meegen onderweg zijn met wagens, paarden, knechten en ruiters. Een militair treffen lijkt dus steeds dichterbij te komen…

 

Rixt Zuidema

Medewerkster Publieksactiviteiten