1536_6314_15_cr_beckeringh_borgen-copy2.jpg

Dankzij het Maak Geschiedenisproject Lidmaten gezocht, wordt AlleGroningers.nl aangevuld met nog meer waardevolle informatie. Familieonderzoekers zijn er blij mee.  

De lidmatenlijst van Oudeschans laat een ander beeld zien dan de meeste Groninger kerspels (kerkgemeentes) en is daarom interessant om eens nader te bekijken. Alle Groningers biedt uiteraard de mogelijkheid om te zoeken op naam. Zeker in het geval van de lidmaten is het ook aardig om de lijst gewoon eens door te bladeren. Dat geeft een indruk van wat voor mensen er nu eigenlijk in zo’n dorp woonden.

Het registreren van lidmaten ‘in de fortresse van Bellingwolsterzijl’ begint in 1626, best vroeg voor een Gronings kerspel. Veel lidmaten hebben een militaire of ondersteunende functie. Niet verrassend in een vesting. Bijzonder is wel dat bij veel mensen hun beroep vermeld wordt. Voor de mannen is dat vaak hun rang: soldaat, sergeant, luitenant, adelborst en natuurlijk de commandeur zelf. Hij is de hoogste in rang binnen de vesting. Op 9 maart 1734 wordt commandeur Jan Georg Maneel als lidmaat ingeschreven. Na zijn pensioen blijft Maneel in Oudeschans wonen, hij overlijdt er in 1770 als ‘baron van Maneel’. Jan Georg stamde zeker uit een respectabel jonkersfamilie, maar die baronnentitel heeft hij er toch echt zelf bij verzonnen. Dat hoeven we Jan Georg niet aan te rekenen, het was een meer voorkomend verschijnsel. Zijn fors uitgevallen grafzerk is de enige die nog steeds in het garnizoenskerkje van Oudeschans te zien is.

Uitsnede vogelvluchkaart met Bellingwolder- (l.) en Boonerschans, 1674. J. Peeters, GrA (2376_33)
Uitsnede vogelvluchkaart met Bellingwolder- (l.) en Boonerschans, 1674. J. Peeters, GrA (2376_33)

Soldaten worden aangevoerd door officieren. In de zeventiende en achttiende eeuw waren dat voor een groot deel jongere zonen uit adellijke families voor wie er geen borg of ander bezit beschikbaar was. Zij werden bijna als vanzelf het leger ingedreven. Geld verdienen met iets als handel of een ambacht is een burgerlijke bezigheid en zou schande voor de familie opleveren. Veel bekende oer-Groninger jonkersfamilies komen zodoende voorbij in Oudeschans: Jarges, Coenders, Gruijs, Polman, Greving, Clant en Horenken. Er zal een zeker ons-kent-ons sfeertje binnen de wallen van Oudeschans gehangen hebben. Veel van de elkaar aflossende officieren kenden elkaar en waren door bloed of huwelijk verwant.

Sommige lidmaten dragen bekende namen. In 1633 wordt vaandrig (onderofficier) Menno Koehorn als lidmaat aangenomen, hij is een oom van de beroemd geworden vestingbouwer Menno van Coehoorn. Een van de eersten met meer dan één doopnaam in de lidmatendatabase is in 1627 Rudolph Lodewijck Coenders, ‘vaendrager onder de companie van den manaften hopman Cornelis Schaij’.

Naast al die mannen met klinkende namen vinden we ook een vrouw als Taebe Doedes. Zij staat in 1626 op de lijst als ‘in onse schanse’. Zelfs in een, letterlijk, mannenbolwerk als een schans werden kinderen geboren en was er dus een vroedvrouw nodig.

De belegering van de stad Groningen door Bommen Berend is voor wat betreft het rampjaar 1672 in onze streken de hoofdact. In de rest van de provincie werd echter ook stevig geknokt. Oudeschans speelde een rol in deze geschiedenis. Vandaar dat we een kaartje van de kleine maar cruciale vesting afgebeeld zien staan onder het portret van veldheer Rabenhaupt. Hij was het die Oudeschans definitief uit handen van de Münsterse Bisschop wist te houden.

In de achttiende eeuw neemt het militaire belang van Oudeschans geleidelijk af. Ondermeer doordat Oudeschans door inpolderingen van de Dollard steeds verder van zee komt te liggen. Die neergang zien we terug in de lidmatenlijsten, er worden minder soldaten ingeschreven. Boeren en burgers voeren de boventoon.

Namen van prominente families worden steeds zeldzamer in de lidmatenlijst, tot ze tenslotte helemaal verdwijnen. Voor het behalen van roem en glorie op het slagveld moest je in de loop van de achttiende eeuw als jonge edelman echt niet meer in Oudeschans zijn. De eerdergenoemde commandeur Maneel zal een rustige oude dag beleefd hebben in zijn langzaam vervallende vesting die allang geen rol meer speelde in de veroveringsplannen van vorsten en veldheren. Het vestingwerk in het noordoostelijkste puntje van de Republiek was een van die dingen geworden die nu eenmaal voorbijgaan.

Johan Waterborg

Bibliothecaris