0001_2136_0239_banner.jpg
Uw zoekacties: Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek, 1913 - 1970
x1435 Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek, 1913 - 1970
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1435 Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek, 1913 - 1970
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

beacon
 
 
Inventaris
1. Historisch overzicht
1435 Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek, 1913 - 1970
1.
Historisch overzicht
ead-typering:
bioghist
De Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek werd in 1914 in gebruik genomen. Dat is landelijk gezien relatief laat. De meeste suikerfabrieken in Nederland werden in de tweede helft van de 19e eeuw gebouwd, als gevolg van een hernieuwde belangstelling voor de bietsuikerindustrie sinds 1858. *  De late oprichting van de 'Friesch- Groningsche' werd voor een belangrijk deel bepaald door twee ontwikkelingen: het ontstaan van belangstelling voor de suikerbietenteelt in Noord-Nederland en de tendens naar coöperatieve verwerking van landbouwproducten rond 1900.
De suikerbietenteelt in Friesland en Groningen is een betrekkelijk jong verschijnsel. Rond 1860 werden suikerbieten verbouwd op initiatief van Willem Albert Scholten die grondstoffen voor zijn bietsuikerfabriek in Zuidbroek nodig had. Deze suikerfabriek bleek geen succes. Toen de rentabiliteit van dit bedrijf voor Scholten twijfelachtig werd, verbouwde hij het tot aardappelmeelfabriek. Ook de boeren waren nog weinig enthousiast voor de bietenteelt. Angst voor gronduitputting en oogstwerkzaamheden die laat in het jaar vielen, speelden daarbij een rol.
De teelt kwam pas goed op gang in de jaren na 1890. Aanvankelijk werden de in het noorden geoogste bieten naar suikerfabrieken in Noord-Brabant vervoerd. Vanzelfsprekend overwogen zowel de Brabantse suikerfabrikanten als de noordelijke bietentelers de oprichting van een fabriek in Friesland of Groningen. Jan Evert Scholten, de zoon van Willem Albert, bracht de twee partijen bij elkaar en bewerkstelligde de oprichting van de Noord-Nederlandsche Beetwortelsuikerfabriek in Vierverlaten bij Hoogkerk in 1896. Dit was weliswaar een speculatieve *  en geen coöperatieve fabriek, zoals door velen van de telers hier gewenst werd, maar een groot deel van de grieven van de landbouwers tegen de fabrikant werd weggenomen door het hanteren van het participatie- contract.
Dit contract, in 1895 ontworpen door J.F. Vlekke, directeur van de NV Gastelsche Beetwortelsuikerfabriek, voorzag in een bietenprijs die zou afhangen van het suikergehalte, de gemiddelde suikerprijs en de winst van de fabriek. Deze zou na renteaftrek voor de helft aan de bietenleveranciers komen. Deze handelwijze van Vierverlaten heeft ongetwijfeld de oprichting van een coöperatieve fabriek vertraagd. De Friesch-Groningsche stelde later overigens haar leden ook in staat bieten te leveren via het participatie-contract.
De stichting van coöperatieve suikerfabrieken is het resultaat geweest van een langlopend belangenconflict tussen suikerfabrikanten en bietentelers. Dit conflict spitste zich uiteindelijk toe op de wijze van contracteren van de bieten. De boeren voelden zich in twee opzichten benadeeld. In de eerste plaats stonden de bietentelers vanaf 1875, toen de Bond van Suikerfabrikanten werd opgericht en een uniforme inkoopprijs werd vastgesteld, feitelijk tegenover een inkoopkartel. Toen de fabrieken in 1885 onderlinge concurrentie op de bietenmarkt uitsloten door het maken van afspraken over ieders aandeel in de beschikbare grondstof, de bietencontingentering, werd de geringe invloed van de telers nog verder gereduceerd.
Daarnaast was de wijze van contracteren van de bieten ook een bron van wrijving. Aanvankelijk werden door de fabrikanten bepaalde percelen gecontracteerd; later werd meestal op gewicht uitbetaald. Steeds verdergaande selectie resulteerde in zaad dat bieten met een relatief laag gewicht en een relatief hoog suikergehalte produceerde. De wijze van contractering werd echter niet aan deze ontwikkeling aangepast, waardoor de hogere opbrengst alleen de fabrikant ten goede kwam.
De bietentelers overwogen daarom al sinds de jaren '80 zelf de verwerking van hun product ter hand te nemen. Dat dit in de praktijk niet eenvoudig was, wordt aangetoond door het feit dat de Eerste Nederlandsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek in Sas van Gent pas in 1899 opgericht werd. Omdat deze coöperatie het aanvankelijk moeilijk had, heeft men elders nog lang geaarzeld alvorens tot de oprichting van een coöperatieve fabriek over te gaan. De bedrijfsfusies en -sluitingen waarmee de oprichting en uitbreiding van de Algemene Suiker Maatschappij (ASMij) gepaard ging hadden zeker invloed op de stichting van de coöperatie Dinteloord (1908) en het onmiddellijke succes van deze fabriek bevorderde de oprichting van de coöperaties in Puttershoek (1912), Zevenbergen (1912) en Roosendaal (1913).
Ook in Groningen en Friesland ontstonden plannen om een coöperatieve fabriek op te richten. Aanvankelijk had de Noord-Nederlandsche Beetwortelsuikerfabriek in Vierverlaten in de behoefte aan een fabriek in de regio voorzien en het genoemde participatie-contract zorgde ervoor dat er geen scherpe tegenstelling ontstond met de telers. Door de gestage uitbreiding van de bietenteelt in het noorden bleek er ruimte te zijn voor een tweede fabriek. In 1912 werd het principebesluit tot oprichting van een coöperatieve fabriek genomen.
De akte van oprichting van de Vereeniging Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek werd op 16 mei 1913 ondertekend en op 27 juni vond de eerste algemene ledenvergadering plaats. Als directeur werd aangetrokken J.J. van Doormaal, de directeur van de suikerfabriek in Standdaardbuiten. Van Doormaal ontwierp een zeer goed geoutilleerde fabriek, die behoorde tot de grootste van Nederland. De architect W.K. van Oort uit Groningen ontwierp de gebouwen en de machines werden geleverd door Röhrig & König uit Maagdenburg. De fabriek produceerde in zijn eerste campagne ? 1914 ? nog slechts ruwsuiker. Reeds in de zomer van 1915 werd besloten een raffinaderij aan de installaties toe te voegen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog beperkte de overheid in het kader van de stimulering van de graanverbouw de teelt van suikerbieten steeds sterker. De oorlogsperiode was voor de jonge suikercoöperaties echter geen ongunstige periode. Als gevolg van hoge suikerprijzen kon ook een goede bietenprijs uitbetaald worden. Dit had een gunstig effect op bereidheid van boeren om bieten te telen voor de Friesch-Groningsche.
De ingebruikname van de nieuwe suikerfabriek in Groningen had directe gevolgen voor de positie van de Noord-Nederlandsche Beetwortelsuikerfabriek in Vierverlaten. Deze kon de concurrentie op het gebied van de grondstoffeninkoop nauwelijks aan en in 1918 ging het gerucht dat de Noord-Nederlandsche te koop was. De Friesch-Groningsche was geïnteresseerd en deed een bod maar de directie van de Noord-Nederlandsche gaf de voorkeur aan verkoop aan de Wester Suikerraffinaderij in Amsterdam. Toen de Wester Suikerraffinaderij in 1919 deel ging uitmaken van de Centrale Suiker Maatschappij (CSM) kreeg de Friesch-Groningsche in de fabriek in Vierverlaten een potentieel geduchte concurrent.
In de praktijk ontstond er op een aantal terreinen samenwerking tussen de Friesch-Groningsche en de Centrale Suiker Maatschappij via de dochteronderneming te Vierverlaten. In januari 1920 sloten de Friesch- Groningsche en de Centrale Suiker Maatschappij een overeenkomst waarbij werd bepaald dat de CSM gedurende 15 jaar de door de Friesch-Groningsche geproduceerde witsuiker zou verkopen; ook werd afgesproken dat de door de Noord-Nederlandsche gemaakte ruwsuiker door de Friesch-Groningsche zou worden geraffineerd. Verder kwamen de beide partijen overeen dat zij niet zonder elkaar een derde suikerfabriek in het noorden zouden stichten.
De buitengewone uitbreiding van de bietenareaal in het noorden stelde beide fabrieken voor een probleem en reeds in de zomer van 1920 begonnen onderhandelingen tussen de Friesch-Groningsche en de Centrale Suiker Maatschappij over de oprichting van een derde fabriek. Nog datzelfde jaar besloten zij in Franeker de NV Frisia op te richten die gezamenlijk door de Friesch-Groningsche en de CSM geëxploiteerd zou worden. De fabriek werd echter gebouwd toen de conjunctuur zijn hoogtepunt had bereikt. Na de topjaren 1919-1920 zakte de suikerprijs weer tot het vooroorlogse niveau en moesten de suikerfabrieken hun uiterste best doen om rendabel te blijven. De Frisia werd dan ook geen succes en moest in 1929 sluiten. Ook de Friesch-Groningsche kwam door de dalende suikerprijzen (en bietenprijzen) in moeilijkheden en in 1931 gaf het bestuur de leden een stillegging van de productie in overweging.
De algemene ledenvergadering besloot echter het bedrijf voort te zetten. Vanaf 1930 is er in toenemende mate overheidsbemoeienis met de suikerindustrie, eerst in de vorm van een invoerrechtheffing op witsuiker en van een contigenteringsovereenkomst voor de suikerafzet op de binnenlandse markt. In 1931 werd een productiepremie op de bietenteelt ingevoerd die in de volgende jaren telkens verhoogd moest worden. Verder werd in 1933 een vaste bietenprijs aan de telers toegezegd; tevens werd de suikerfabrieken, om hen in staat te stellen deze vaste prijs te betalen, een bepaalde opbrengst voor suiker, pulp en melasse gegarandeerd. Als laatste stap in de bescherming van de suikerindustrie volgde in 1934 een overeenkomst tot contingentering van de bietenoogst. Op deze manier hielden de zes particuliere en zes coöperatieve fabrieken het hoofd boven water tot 1940, waarna de oorlog en de bezetting de situatie drastisch veranderden.
Tijdens de bezetting werden maatregelen genomen om zoveel mogelijk door de eigen landbouw in de binnenlandse behoefte aan voedsel te voorzien. De bietenteelt werd gestimuleerd maar door de buitengewone omstandigheden zoals daling van het aantal beschikbare arbeidskrachten, transportproblemen, gebrek aan hulpstoffen en inundatie van landbouwgrond werd het ieder jaar moeilijker een campagne te draaien. In 1944 werkte de Friesch-Groningsche als enige suikerfabriek boven de grote rivieren maar slechts gedurende één week. Tijdens de bezetting werd de overheidsbemoeienis met het bedrijfsleven ingrijpend veranderd. De suikerindustrie kreeg vooral te maken met twee organen: de Vakgroep Suikerindustrie en het Bedrijfschap voor Suiker (zie bijlage 3).
Na de bevrijding volgde al snel een herstel van de bietenteelt en deze kwam spoedig weer op de vooroorlogse vijf procent van het areaal. Tot 1958 kon de binnenlandse industrie echter niet voldoen aan de binnenlandse behoefte en ook na 1958 was dit niet altijd mogelijk. De suikerindustrie heeft te maken met grote en moeilijk voorspelbare schommelingen in zowel de bietenoogst en als in de suikeropbrengst. Dat bemoeilijkte van oudsher een sterke regulering van deze industrie van regeringswege. Niettemin zette de overheidsbemoeienis met alle aspecten van de suikerproductie zich voort.
Na 1948 was er aanvankelijk een groot aanbod van bieten dat maar moeilijk verwerkt kon worden. Capaciteitsvergroting van de fabrieken loste dit probleem op. De Friesch-Groningsche werkte, onder leiding van de nieuwe directeur H.W.L. Koning, aan een verregaande modernisering in de vorm van twee vijf-jarenplannen. Toen de surplussen eenmaal verwerkt konden worden ontstond andermaal een strijd om de grondstof. De belangstelling concentreerde zich vooral op de nieuwe bietenproducerende gebieden: de zandgronden van Brabant en Limburg en de IJsselmeerpolders. Toen in 1953 weer een overeenkomst tot contingentering van de bietenoogst werd gesloten deed de Friesch-Groningsche niet mee omdat het bestuur meende de weg van de vergroting van het aantal leden en geplaatste aandelen te moeten kiezen.
De teelt in het noorden van het land bleef echter achter bij de verwachtingen en in 1962 gaf de Friesch- Groningsche te kennen ook aan de contingentering mee te willen doen.
Nauwere samenwerking tussen de particuliere en coöperatieve industrie was een steeds terugkerend thema. Over incidentele kwesties werd regelmatig overleg gepleegd, maar van georganiseerde samenwerking was nauwelijks sprake. Wel deden de coöperaties in 1965 een bod op alle uitstaande aandelen van de Centrale Suiker Maatschappij maar dit aanbod werd door de CSM van de hand gewezen. Overigens lag het aandeel van de coöperaties in de bieten- en suikermarkt op ongeveer 63 procent en dat van de CSM op 37 procent. Het overleg tussen de vier coöperaties over het bod op de Centrale Suiker Maatschappij aandelen leidde wel tot de oprichting van de Suiker Unie, een top-coöperatie met als doel:
de coördinatie van investeringen, de rationalisatie van het vervoer van suiker, bieten en nevenproducten, de concentratie van kennis, ervaring en kapitaal en de bundeling van beleid en invloed.
De vier coöperaties bleven voorlopig als zodanig bestaan totdat de integratie in de Suiker Unie voltooid zou zijn. Per 31 december 1970 werden de samenwerkende verenigingen opgeheven en de telers werden nu rechtstreeks lid van de Suiker Unie. De Friesch-Groningsche werd de fabriek Groningen van de Suiker Unie.
2. Organisatie van de Friesch-Groningsche
3. Het archief en verantwoording van de inventarisatie
4. Beperking openbaarheid
Bijlagen
Kenmerken
Beschrijving:
Inventaris van het archief van de Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek
Bewerker:
P.J.M. Velthuys-Bechtold
Behoort tot collectie:
Gemeente Groningen
Laatste Publicatie:
1998
Omvang:
34 m standaardarchiefberging
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS