46 Senaat en de faculteiten van de Groningse universiteit, 1611 - 1930
Uitleg bij archieftoegang
Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.
Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:
• Kenmerken van het archief • Inleiding op het archief • Inventaris of plaatsingslijst • Eventueel bijlagen
De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.
De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.
De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.
Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.
46
Senaat en de faculteiten van de Groningse universiteit, 1611 - 1930
Nadat reeds in 1595, één jaar na de reductie der stad Groningen, ter statenvergadering sprake was geweest van de oprichting van een academie te Groningen, werd deze kwestie pas in 1612, in de rustige tijd van het twaalfjarig bestand, opnieuw in de landdag onderwerp van bespreking. Thans pakten de gedeputeerden deze zaak met zoveel energie aan, dat reeds in de landdag gehouden op 26 november 1612 het besluit viel om een 'provintiael collegium' te stichten. In diezelfde richting werden besluiten genomen aangaande faculteiten, professoren en curatoren en men stelde vast, dat de benodigde gelden zouden worden getrokken uit de opbrengst der voormalige kloostergoederen.
Tevens werden 8 leden uit de statenvergadering, vier uit de stad en vier uit de Ommelanden, waaronder de beide syndici, gecommitteerd tot regeling van deze zaken en verdere bijzonderheden. De commissie kreeg de opdracht naar 'bequame .... mannen ommetesien' en haar aandacht werd bepaaldelijk gevestigd op Ubbo Emmius, sedert 1595 rector der Latijnse school hier ter stede. Inderdaad vond zij Emmius bereid een professoraat op zich te nemen, waarna diens aanstelling tot "professeur in historiis et mathematics" door de Staten op 23 oktober 1613 plaats vond.
Inmiddels was er door de acht gecommitteerden een programma opgesteld, dat in druk uitgegeven en aangeplakt in binnen- en buitenland, van de opening der nieuwe universiteit kond moest doen; deze had op 23 augustus 1614 met grote plechtigheid plaats. Twee dagen later werd Ubbo Emmen Diken (Ubbo Emmius) tot eerste rector gekozen.
De gecommitteerden uit de statenvergadering voltooiden hun taak door het opstellen van academie- wetten en van een instructie voor de curatoren. Deze werden in de statenvergadering van 28 februari 1615 beide goedgekeurd. In diezelfde vergadering vielen nog een aantal besluiten betreffende de academie, onder andere de benoeming der eerste curatoren, twee uit de stad: burgemeester Frederick Coenders en raadsheer Goesen Schaffer, en twee uit de Ommelanden: jonker Johan Rengers ten Post en doctor Scato Gockinga, raad en syndicus der Ommelanden.
Na de voorlezing der academie-wetten in een zitting van curatoren en professoren op 6 maart 1615, had een onaangenaam incident plaats: de professoren protesteerden en bloc tegen deze wetten bij welke samenstelling zij niet gekend waren en die zij onvolledig, onduidelijk en verkeerd achtten. De pas-benoemde curatoren wisten hiertegen weinig in te brengen; hetgeen door de Staten was vastgesteld, vermochten zij niet te veranderen. Slechts konden zij de professoren de gelegenheid toezeggen de volgende dag in een nieuwe bijeenkomst hun wensen kenbaar te maken. De discussie, die toen ontstond, had tot gevolg, dat de curatoren beloofden wijzingen op de volgende landdag aanhangig te maken.
Op 9 maart werden de "leges academiae" plechtig afgekondigd in het theologisch auditorium. De Staten echter maakten geen gebruik van de door de senaat voorgestelde veranderingen; de wetten bleven, althans wat de inhoud betreft, zoals zij waren ontworpen. Een herziening naar de stijl kreeg onder leiding van Ubbo Emmius haar beslag. Het aldus beschaafde wetboek werd 18 oktober 1618 in de senaat voorgelezen; men besloot daarop, de wetten in beide vormen in een register op te tekenen; bij verschil over de zin der wet zou de oorspronkelijke vorm alleen gezag hebben. In de uitgaande stukken van de senaat wordt gewoonlijk de redactie van Emmius aangehaald.
De "leges academiae" hebben in de bijna twee eeuwen, dat zij van kracht zijn geweest, wel enige wijzigingen ondergaan, doch de hoofdzaken ervan zijn toch dezelfde gebleven.
De werkzaamheden van de academische senaat werden geregeld door de "leges in senatu academico et a senatu eodom servandae", de zogenaamde "leges curiae', vastgesteld in de vergadering van 21 februari 1618 en door alle professoren bij hun ambtsaanvaarding sedert dien getekend, tot 1811 toe.
De senaat kwam voor in drie samenstellingen: de senatus amplissimus, academicus en minor.
De senatus academicus was de meest gebruikelijke vorm. Hij bestond uit alle ordinaris professoren en vergaderde minstens eenmaal per maand onder voorzitterschap van de rector of dienst plaatsvervanger en verder zo vaak als deze zulks nodig oordeelde. De rector was verplicht een vergadering bijeen te roepen op verzoek van een hoogleraar of de advocaat-fiscaal (zulks in verband met de juridische bevoegdheden van de senaat, waarover later meer), zonder dat deze verplicht waren de reden op te geven, en op verzoek van een student, mits deze zijn verzoek met redenen omkleedde.
In aangelegenheden van groot gewicht werden ook de curatoren ter vergadering opgeroepen: de senatus amplissimus. Zaken, waarvoor zulks geschiedde, waren onder andere inauguratie van de rector; introductie van professoren; citatie van een professor; geschillen tussen professoren over het doceren van onderdelen hunner leeropdracht; zaken, welke betrekking hebben op de academische wetten (bijvoorbeeld de verbetering der wetten door Ubbo Emmius, geapprobeerd 18 oktober 1619); belangrijke rechtszaken; approbatie door de academische senaat van een sententie tot relegatie; zaken van appèl van een sententie door de academische senaat (zie hierover wat gezegd wordt bij het formum academicum) en promoties, etc.
De senatus minor werd gevormd door rector en assesoren, bijgestaan door de secretaris der academie, welke laatste echter geen stem had. Hij vergaderde wekelijks. Zijn taak was een tweeledige: eendeels bereidde hij zaken van de senatus academicus voor, anderdeels was dit college de gewone academische rechtbank, waarvoor alle academieburgers terecht stonden.
De rector magnificus werd aanvankelijk jaarlijks op 14 augustus gekozen uit en door de ordinaris- professoren; deze keuze moest door de curatoren worden geapprobeerd. Op 23 augustus, de dag der stichting van de school, moest de nieuwe rector als zodanig worden geproclameerd. Dit duurde tot 1700, in welk jaar men in de provincie Stad en Lande overging tot de nieuwe stijl, de verbeterde Juliaanse. Daarom resolveerde de senatus amplissimus op 14 juni 1701, dat ènteur èn introductie 'op de dagh van de oude ofte voorige en gecasseerde stijll, en also elff dagen nae den 16den en 23en Augusti nieuwen stijl, sal gedaen worden'. En inderdaad had de eerstvolgende keur op 27 augustus en de inauguratie van de rector op 3 september plaats. In de jaren 1774 - 1786 werd het rectoraat op de derde donderdag in december overgedragen; van 1787 af was de tweede donderdag in oktober de dag van rectoraatsoverdracht; deze laatste verandering hield verband met de vakantie.
In vergaderingen nam de rector de stemmen op, gaf daarna zijn eigen advies en bracht zijn stem uit. Bij staking der stemmen besliste de stem van de rector. Hij deed de voorstellen en leidde de discussie, formuleerde de conclusie en deed die terstond door de secretaris van de senaat noteren en vervolgens in het net schrijven of in de academieprotocollen inschrijven.
Zijn taak was, behalve de leiding der senaatsvergaderingen, de volgende: hij nam beslissingen in zaken, welke van zo ondergeschikt belang waren, dat zij geen overleg met assesoren of senaat noodzakelijk maakten; hij riep de vergaderingen samen, niet alleen van assesoren en senaat, doch ook van de gehele hogeschool; hij was de bewaarder van het album academicum; hij was bewaarder van het academiezegel; zijn goedkeuring was nodig voor academische publikaties, zonder zijn voorkennis mocht geen publikatie worden aangeslagen en hij had het beheer over het peculium academicum.
Bij ontstentenis werd de rector vervangen door de rector van het voorafgaande jaar.
De assesoren waren twee in getal en bleven twee jaar in functie, zó, dat er elk jaar één nieuwe verkozen werd. Ook hier geschiedde de keuze door en uit de ordinaris-professoren en diende eveneens door de curatoren bekrachtigd te worden. Bij onstentenis van een der assesoren werd hij vervangen door de afgetredene van het vorige jaar. Hun enige taak was, dat zij met de rector de senatus minor vormden.
De secretaris van de senaat was in het begin een hiertoe vast benoemd hoogleraar. In 1614 was dit prof. Joannes Huninga, die dit ambt bekleedde tot 1619; in dat jaar tot rector magnificus verkozen, werd zijn ambt tijdelijk waargenomen door prof. Mulerius. In 1620 werd Huninga tot raadsheer benoemd en legde daarom zijn professoraat alsmede het secretariaat neer. Curatoren gaven daarop kennis (1 maart 1620), dat zij Langius, extra-ordinaris professor in de rechten, bij de verandering van het rectoraat voorlopig tot secretaris perpetuus zouden aanstellen, hetgeen ook 24 augustus 1620 geschiedde. Langeius heeft tot zijn dood op 23 juli 1643 dit ambt bekleed. Daarna is de functie ambulatoir gemaakt, zodat jaarlijks een secretaris werd verkozen, dan wel die van het voorgaande jaar gecontinueerd. Tot secretaris kon alleen een professor worden benoemd; men kon niet tegelijk assesor en secretaris zijn. Toen het secretariaat een functie ad vitam was, werd de functionaris door de curatoren aangewezen; nu het ambulatoir was geworden, had verkiezing van de secretaris door de senaat plaats en confirmatie door de curatoren.
De secretaris was verplicht de handelingen van de senaat te notuleren en in de volgende vergaderingen te resumeren. Hij moest jaarlijks de acta in het net geschreven aan de rector overhandigen. Hij moest bij de rectoraatsoverdracht de wetten voorlezen. Hij hield de recensie (inschrijving der ouderejaars-studenten). In de vergaderingen van de senaat moest hij het eerst aanwezig zijn en het laatst vertrekken. Hij moest aantekening houden van degenen, die absent waren. Was hij een extra-ordinarius, dat zat hij onder aan de tafel en wel met ongedekte hoofde. Bij zijn aftreden moest de secretaris het protocol en alle andere papieren aan de rector ter hand stellen.
In 1748 werd de stadhouder Willem IV benoemd tot rector magnificentissimus en curator primarius. Deze functies waren blote ere-ambten, die niet veel meer met zich meebrachten dan de voorrang van de prins bij academische plechtigheden en het prijken van zijn naam aan het hoofd der academische publikaties. Zijn zoon Willem V volgde hem in deze functie op, totdat op 16 maart 1795 op last der provisionele representanten van het volk van Stad en Lande bepaald werd, dat verdere academische publikaties moesten geschieden met weglating van naam en titel van de erfstadhouder.
Aan de hogeschool van Stad en Lande was slechts één pedel verbonden; deze, in de eerste plaats dienaar van de rector, moest bij plechtigheden de scepter voor de rector uitdragen. Terwijl de pedel hoofdzakelijk met de inwendige dienst der academie belast was, bepaalde zich het werk van de academiebode meer tot eigenlijk 'lopend' werk. Hij stond voornamelijk ten dienste der curatoren, bezorgde stukken van en bij dit college; bij optochten ging hij achter de senaat.
Geen boekverkoping mocht er in de stad gehouden worden dan door de academie in haar lokalen en door een door haar aan te stellen ambtenaar, de 'auctionarius' of 'boeckholder der auctiën'. De auctionarius voerde de administratie aan de verkopingen verbonden en was ook uitmijner bij de verkoop. Later werd steeds de pedel met laatstgenoemde taak belast. Met de inrichting van de keizerlijke universiteit ging dit recht verloren.
Bepaalden de Staten van Stad en Lande in 1615 en 1620 reeds een en ander aangaande de academiedrukker, op 6 december 1651 werd hem door de senaat der academie een instructie gegeven, welke de 8e januari daaropvolgende door de curatoren werd geapprobeerd. Artikel 1 van deze instructie luidde: 'alle de disputatien, dewelcke van de heeren professooren miet die, de van andere beschreeven werden, sullen vrij sijn, sooveel de eerste booge aengaet, ende moeten van dien 125 exemplaeren aen de respondent gegeeven werden, met sooveel tijtels, als noodich sullen sijn om aen te slaen', en artikel 10: 'de akademiedrucker sal van alle hetgheene hie druckt, twee exemplaeren leeveren ter dienste van der akademiebibliotheecke'.
Deze functionaris mocht niets drukken, dan hetgeen eerst geëxamineerd was door de rector of professor, tot wiens faculteit het behoorde, of hetgeen hem door de rector was gezonden.
Ook de academiedrukker stond onder de jurisdictie van de universiteit.
Bij resolutie van meervermelde landdag van 28 februari 1615 werd ook goedgevonden, dat men in de 'oude bibliotheecque ten Broeren beneden een anatomia ende boven een bibliotheecque' zou inrichten. 'Ende om die provinciale bibliotheecque met ter tijt te versien van goede boecken, ende een peculium academicum t'hebben, daarvan die rector magnificus vijff ende 't soeventich ende scriba vijfftich carolus gulden jaerlics soude hebben, ende tijtlicx eenige boecken gekofft, ende andere oncosten worden betaelt, is goet gevonden ses hondert gulden daertoe te consenteren'.
Tot de werkzaamheden van de senaat behoorde ook zijn optreden als forum academicum. De exemptie van de academieburgers van een groot deel der stedelijke justitie was, met de vrijdom van zekere lasten en militaire diensten, een der voornaamste privileges van de universiteit. Zij was in de "leges academiae" in de volgende bewoording neergelegd: 'Ut nulla academiae membra ob aes aleinum, aliasque causas civiles, a magistratuum civilium ministris in jus vocentur, sed actores sequi formum academicum teneantur, nec ab eo provocare permittantur' (lex IX).
Deze bepaling werd in 1622 aanmerkelijk uitgebreid in de publikatie, waarin bepaald werd: 'ut nulla academiae membra ob aes alienum, aliasque causas civiles, id est, quae modo capitales non sunt, ut liquet ex lege LXIV, ubi, cognitionem de delicto, et poenae irrogationem rector magnificus cum assessoribus suis, aut toto senatu academico, si modo delictum capitale non sit, habeto'.
Verder bepaalden de leges academiae: 'Illic (namelijk in de senaat) causae studiosorum et omnium academiae civicum foro academico comptenentes rectore praeside cognoscuntor et sic judicantor, ut aequi et boni ratio magis quam stricti rigoris habeatur' (lex XXIII) en: 'In delictis si poenis sit opus, ea sunto, mulcta pecuniaria, carcer, nominis ex albo academiae dispunctio, relegatio aut momentanea, aut perpetua. Majores in crminibus gravioribus, qua poenam corporalem aut captis merentur, magistratui civili manento' (lex XXIV). Kapitale zaken vielen dus buiten de comptentie van het forum academicum.
De senaat had de prima causae cognito om te decideeren. Geappeleerd kon worden in zware civiele en in criminele zaken van de rector en assesoren op de senatus academicus; in zaken, welke in eerste instantie kwamen aan de senatus academicus, was appèl mogelijk op de senatus amplissimus.
De bursa was een vrije tafel voor enige minder gefortuneerde studenten. Hun aantal was bepaald op veertig, bij senaatsbesluit van 16 december 1628 vermeerderd tot zestig. Naderhand werd dit getal verkleind. Dat de bursa ook juist op ondersteuning van buitenlanders was gericht blijkt uit hetgeen de senaat besloot op 27 december 1628, namelijk dat 'de uytheimischen bij praeferentie vor die inlandischen tot dertich in 't getall daertoe soelen worden geadmitteret'. Toelating geschiedde door de rector. Het beheer was opgedragen aan een 'oeconomus'. Omtrent aard en samenstelling der maaltijden werden door de senaat herhaaldelijk ordonnanties uitgevaardigd, terwijl ook het gedrag der aangewezen studenten door een reglement aan strenge banden werd gelegd.
In 1658 werd een der professoren, als eerste de hoogleraar Schoock, aangewezen tot inspector der burse; zijn taak, vastgelegd in een apart reglement, was het op een 'onbekende dag', iedere week de burse te inspecteren. In 1787 besloot de senaat echter de professoren beurtelings volgens een rooster de burste te laten bezoeken.
De faculteiten waren vier in getal: de theologische, de juridische, de medische en de filosofische. Een splitsing, dezer laatste in een wis- en natuurkundige en een van letteren en wijsbegeerte zou pas in de 19de eeuw plaatsvinden.