Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.
Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:
• Kenmerken van het archief • Inleiding op het archief • Inventaris of plaatsingslijst • Eventueel bijlagen
De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.
De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.
De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.
Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.
Over de wederdopers in het Humsterland in de periode 1531 -1535 is maar weinig bekend. *
Een deel van de wederdopers vroegen - na de val van de stad Munster in juni 1535 - Menno Simons van Witmarsum (Fr.), een uit de Roomse Kerk getreden priester, om hun leidsman te worden. Zijn volgelingen werden na 1544 Menno's volk of Mennisten genoemd.
In de dooplijst * van de "Oudste" Leenart Bouwens worden alleen aantallen gedoopten vermeld. In de periode 1551-1582 werden in Ezinge ca. 25, in Niehove 25 en Noordhorn 32 personen gedoopt. Tot welke gemeenten deze dopelingen behoorden is niet meer vast te stellen.
A.F. Mellink, Documenta Anabaptistisca Neerlandica, I, 131
Dooplijst van Leenart Bouwens betreffende de provincie Groningen: zie Groninger Volksalmanak 1915, 113-118.
In de periode 1555 - 1570 splitsten de Mennisten in Nederland en Oost-Friesland zich in meerdere groepen. In 1574 en 1578 vergaderden verschillende groepen Mennisten uit het gehele land in Humsterland en spraken over de onderlinge geschillen. Het verslag van deze vergaderingen staat bekend als "Vrede in Humsterland" * . Veel stabiliteit heeft dit document echter niet gebracht. Door steeds verder gaande splitsingen en gebrek aan andere informatie is de gemeenteontwikkeling in de rest van de 16e en 17 eeuw in het Humsterland nauwelijks meer te volgen. Omstreeks 1710 zijn er in het Humsterland twee gemeenten: één der stroming van de Groninger Oude Vlamingen en één der stroming van de Vlamingen.
Gemeentearchief Amsterdam, Inventaris der archiefstukken berustende bij de Vereenigde Doopsgezinde gemeente te Amsterdam, 1883, I, inv.nr. 467, 470 en 473.
De gemeente der Groninger Oude Vlamingen vergaderde op Gaaikemaweer * . De gemeente had in 1710 * : 14 broeders, in 1733: 8 broeders en 6 zusters, in 1754: 7 broeders en 6 zusters, in 1767: 1 vermaner en 12 leden. Van de 12 leden was 1 diaken en 1 vermaner met emeritaat. Gewoonlijk had men per gemeente 2 vermaners. Een van hun bekendste vermaners was Tiete Popkes. Hij begon in 1725 als vermaner en werd in 1733 door de Sociëteit tot Oudste verkozen. In 1766 werd in de notulen * van de Sociëteit aangetekend dat de gemeente zeer klein is en medegedeeld dat: "er zijn nog 6 broeders, dog Tiete Popkens schijnt nog niet buyten hoop te zijn, eerlang nog een verkiesing van een leraar te sullen doen". Na het overlijden van Tiete Popkes (in de ouderdom van ca 74 jaar) in 1770, kwam de gemeente niet meer ter Sociëteitsvergadering. Op 4 juli 1775 deelden de nog overgebleven leden mede * dat zij zich afscheidden van de Sociëteit der Groninger Oude Vlamingen. De leden sloten zich aan bij de Vlaamse gemeente op de Jensemaweg in Humsterland. De vermaning op Gaaikemaweer werd in 1778 verkocht. *
S. Blaupot ten Cate, Geschiedenis van de Doopsgezinden in Groningen, Overijssel en Oost-Friesland, I, 205
RHC Groninger Archieven (GrA), Archief van de Sociëteit der Groninger Oude Vlamingen (SGOV), toegangsnummer 358, inv.nr. 1
ibidem, inv.nr. 4
ibidem, inv.nr. 1, notulen 1775
GrA, Archief van het Plaatselijk Gerecht van Niehove, toegangsnummer 735, inv.nr. 380, 21 oktober 1778
De leiding van de gemeente berustte in de eerste helft van de negentiende eeuw bij de leraar en de kerkeraad van 5 leden.
De beroeping in 1818 van Gerrit Bakker uit Oldeboorn, die gestudeerd had aan de "Kweekschool" te Amsterdam (opleidingsinstituut voor doopsgezinde predikanten), heeft grote invloed op de gemeente en haar omgeving gehad. Vanaf 1826 werden er pogingen gedaan om een nieuw kerkgebouw te verkrijgen. Dit gelukte eerst in 1838. De overheid gaf 20% subsidie onder beding dat de architectuur onder toezicht van een ambtenaar van "den Waterstaat" zou geschieden. Op 30 september van dat jaar werd de laatste doopsgezinde dienst in de vermaning aan de Jensemaweg in Humsterland en op 18 november werd de nieuwe kerk aan de Langestraat te Noordhorn met het meubilair * uit de oude vermaning in gebruik genomen. De naam van de gemeente werd gewijzigd in Doopsgezinde gemeente Noordhorn. De lege vermaning aan de Jensemaweg werd bij publieke verkoping van 29 april 1839 * verkocht.
GrA, Archief van de Sociëteit van Doopsgezinde gemeenten in Groningen, Drenthe en Oost-Friesland, toegangsnummer 359, inv.nr. 6
GrA, Archieven van de notarissen te Zuidhorn, standplaats 15, toegangsnummer 99, inv.nr. 107, aktenrs. 59a en 64.
De hoogste bieders waren leden van de Christelijk afgescheiden gemeente van Ezinge, die het gebouw voorlopig als kerk voor hun gemeente in gebruik namen. Na realisatie door de Christelijk afgescheiden gemeente van een eigen kerkgebouw te Ezinge in 1842, kreeg de oude vermaning een particuliere bestemming. De oude vermaning werd in 1862 gesloopt * en vervangen door twee nieuwe woningen.
Dienst van het Kadaster en Openbare registers, Kad. gem. Oldehove, sectie K, hulpkaart 23, opgemaakt 5 mei 1862
In 1852 werd de in het slop geraakte organisatie van de gemeente gereorganiseerd. Er werd een reglement vastgesteld. Men zou voortaan minimaal 4 keer per jaar als kerkenraad bijeen komen en hiervan notulen bijhouden. Voor de ledenadminstratie werd een nieuw boek aangeschaft. De kerkenraad werd met 1 lid ten behoeve van het gemeentefonds uitgebreid. Het oudste kerkenraadslid van het gemeentefonds in dienstjaren werd voorzitter. De leraar werd belast met het secretariaat.
Na het overlijden van Gerrit Bakker in 1871 werd besloten een nieuwe pastorie te bouwen. Ze werd in 1872 in gebruik genomen. *
GrA, Archief van de Doopsgezinde gemeente Humsterland na 1838 Noordhorn (DgHu), toegangsnummer 362, inv.nr. 47
In 1887 stelde de vacante gemeente Pieterzijl aan de gemeente Noordhorn voor om samen één predikant te beroepen. Het resultaat was echter, dat de predikant het beroep van de gemeente Pieterzijl aannam en de gemeente Noordhorn verliet. Een eventuele combinatie komt in de volgende decennia bij vacatures regelmatig ter sprake. De combinatie kwam pas in 1946 onder druk van de financële situatie van beide gemeenten alsmede het gebrek aan proponenten tot stand. Beroepen werd predikant S.S. Smeding van Ouddorp (Zuid-Holland). In 1956 werd deze gevraagd om consulent te zijn in de vacante gemeente Den Horn. Gesprekken tussen de gemeente Den Horn en de predikant Smeding leidden ertoe dat deze met instemming van de kerkenraden van de gecombineerde gemeenten Noordhorn en Pieterzijl in 1958 eveneens in Den Horn kon worden beroepen. Na zijn vertrek in 1960 werd het secretariaat vervuld door een lid van de kerkenraad. Tien jaar later besloten de leden van de drie gemeenten om alle werkzaamheden samen te voegen. De nieuwe gemeente heet de "Verenigde doopsgezinde gemeente in het Westerkwartier van Groningen". Van elke gemeente gingen twee van de zittende kerkenraadsleden over naar de nieuw te vormen kerkenraad.
In 1890 namen de leden het principebesluit om een orgel in de kerk te plaatsen. Door financiële moeilijkheden kon dit besluit pas in 1900 worden uitgevoerd.
Op regionaal niveau was de gemeente lid van de Humsterlandse Sociëteit. Zij ondertekende in 1772 een verbintenis om elkaar binnen de sociëteit geestelijk en financieel te steunen. In 1825 steunde zij het initatief van haar leraar om te komen tot oprichting van een nieuwe sociëteit voor alle doopsgezinde gemeenten in de provincie Groningen. Na haar totstandkoming in 1826 werd ze meteen lid. De "Humsterlandse Sociëteit", overbodig geworden, werd in 1829 ontbonden. De financiën van de opgeheven sociëteit werden verdeeld onder de aangesloten gemeenten. * .
GrA, DgHu, toegangsnummer 362, inv. nr. 47
Op landelijk niveau sloot de gemeente zich niet aan bij het Algemeene Emeritaatsfonds van de Algemene Doopsgezinde Societeit (opgericht in 1848). Dit verzuim had tot gevolg, dat Gerrit Bakker tot aan zijn dood toe in 1871 dienst heeft moeten doen. Hij was toen 82 jaar oud. De kwestie van niet-lid zijn van het emeritaatfonds heeft voor de predikanten, die na hem kwamen en doorgaans 3-6 jaar bleven, verder géén grote gevolgen gehad. In 1895 stelde de Algemene Doopsgezinde Societeit haar jaarlijkse bijdrage afhankelijk van toetreding tot het emeritaatsfonds en de effecten van de diaconie moesten inbewaring worden gegeven bij de Nederlandse Bank. De gemeente werd in 1896 lid van het emeritaatsfonds. De oprichting van het Menno-fonds, bedoeld ten behoeve van de verhoging van de traktementen van de predikanten, leidde in 1921 tot de officiële aansluiting bij de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (A.D.S.) te Amsterdam.
2. Geschiedenis van het archief en de verantwoording van de inventarisatie