800 Gouverneur, na 1850 Commissaris des Konings in de provincie Groningen, 1814-1941 (1950)
Uitleg bij archieftoegang
Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.
Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:
• Kenmerken van het archief • Inleiding op het archief • Inventaris of plaatsingslijst • Eventueel bijlagen
De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.
De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.
De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.
Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.
800
Gouverneur, na 1850 Commissaris des Konings in de provincie Groningen, 1814-1941 (1950)
De Grondwet van 1814 bepaalde verder dat het bestuur in alle provincies zou worden uitgeoefend door de Staten en door commissarissen aan te stellen door de soevereine vorst. In Groningen werd op 6 april 1814 als gouverneur - zoals de commissaris ging heten - benoemd mr. G.W. baron van Imhoff. Deze aanvaardde op 28 april 1814 zijn functie. Op 26 augustus benoemde de vorst (de latere Koning Willem I) voor de eerste keer de leden van de Staten der provincie Groningen. Deze had een zogenaamde standenvertegenwoordiging. De stad Groningen, de ridderschap en de landelijke stand waren elk vertegenwoordigd door 12 leden, die echter individueel hun stem uitbrachten. De standen verkozen elk hun eigen leden. Op 2 oktober 1814 werd uit hun midden een college van Gedeputeerde Staten geïnstalleerd van negen personen, uit elke stand drie. Deze zouden samen met de gouverneur het dagelijks bestuur van de provincie vormen. Daarnaast werd door de vorst een griffier der Staten benoemd, die de vergadering van de Staten assisteerde en de gouverneur in z'n werkzaamheden bijstond.
De zwaartepunt van het provinciaal bestuur kwam duidelijk te liggen bij de gouverneur als vertegenwoordiger van de Koning. De Staten hadden geen financiële zelfstandigheid en hun autonomie was beperkt.