800 Gouverneur, na 1850 Commissaris des Konings in de provincie Groningen, 1814-1941 (1950)
Uitleg bij archieftoegang
Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.
Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:
• Kenmerken van het archief • Inleiding op het archief • Inventaris of plaatsingslijst • Eventueel bijlagen
De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.
De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.
De inventaris of plaatsingslijst is een hiƫrarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.
Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiƫrarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.
800
Gouverneur, na 1850 Commissaris des Konings in de provincie Groningen, 1814-1941 (1950)
Terwille van de lotingsprocedure werd het land verdeeld in militiedistricten van circa 100.000 inwoners verdeeld in 10 kantons. De kantonindeling van Groningen, die verschillende malen werd gewijzigd, is hieronder opgenomen in de rubriek: "Indeling van gemeenten in kantons". De uitvoering van de Militiewet berustte geheel bij de gemeenten en provincies. Ieder manlijke ingezetene van 18 jaar moest zich melden bij de burgemeester van zijn woonplaats, die hen inschreef in zgn. inschrijvingsregisters. Deze bevinden zich in het archief van de gemeente. De loting vond tot 1928 in elke gemeente afzonderlijk plaats in tegenwoordigheid van een militie-commissaris, een rijksfuctionaris die m.n. belast was met het toezicht op de werving van vrijwilligers en dienstplichtigen. Alle ingeschrevenen werden op een bepaalde dag ten gemeentehuize ontboden om hun lotingsnummer te trekken. Werd men bij lot tot de dienst aangewezen dan kon men op bepaalde gronden vrijstelling krijgen of voor een plaatsvervanger zorgen. In beide gevallen moest men verschijnen voor de militieraad van de provincie die competent was om vrijstelling te verlenen en de eventuele plaatsvervanger te beoordelen. Tegen de uitspraak van de militieraad kon beroep worden aangetekend bij Gedeputeerde Staten. Sinds de Dienstplichtwet van 1922 werd vrijstelling verleend door Gedeputeerde Staten met een beroepsmogelijkheid op de Kroon. De nationale militie zou in de loop der jaren het zwaartepunt van het leger gaan uitmaken.
Vooruitlopend op een wettelijke regeling van de verplichte krijgsdienst, zoals voorgeschreven in de Grondwet van 1887, kwamen enige wijzigingen in de Militiewet tot stand. In 1899 deed de persoonlijke dienstplicht zijn intrede. Plaatsvervanging en nummerverwisselen gingen zodoende tot het verleden behoren. De diensttijd werd in de loop der tijd uitgebreid van vijf naar acht jaren, waarvan men circa twaalf maanden werkelijk onder de wapenen was. Ook de sterkte van het jaarlijks contingent werd uitgebreid van 11000 naar 23000 man.
Bij de Landweerwet van 1901 werd ingesteld de Landweer die bestond uit dienstplichtigen die hun acht jaren bij de militie hadden volbracht. Ze bleven hierna nog zeven jaren landweerplichtig. In 1912 werd de tijd dat men de nationale militie diende bekort tot zes jaren en de landweer tot vijf jaren maar de totale diensttijd werd fors uitgebreid door de inwerkingtreding van de Landstormwet van 1912. Wanneer de dienstplichtigen aan het einde van de landweertijd waren gekomen, werden ze opgevangen in de landstorm waartoe ze tot hun 40e jaar bleven behoren. Alleen in tijd van oorlog volgde een werkelijke oproep.
De dienstplicht wet van 1922 kwam met een vereenvoudigde opzet van de dienstplicht. Militie, landweer en landstorm werden afgeschaft en de gebondenheid aan de krijgsmacht vormde nu een onafgebroken periode die voor het merendeel van de dienstplichtigen duurde van hun 20e tot hun 40e levensjaar.
Sindsdien kan niet meer gesproken worden van militieregisters maar aangezien de procedure van inschrijving en loting der dienstplichtigen praktisch gelijk bleef, bleven de registers na 1922 gewoon doorlopen. Sedert de lichting 1939 werd geen loting meer gehouden.
Zie ook R.A.G. Archief van de Militieraad, 1894-1916.
Literatuur: B. Koerhuis en W. van Mulken. De militieregisters (Stichting Archief Publikaties: Broncommentaren V; 's Gravenhage, 1986).