Zoek op de website

Adorp

Gemeente Adorp

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Adorp.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Harssens en Hekkum. Harssens ligt een kwartier uurs ten Zuiden, en Hekkum een kwartier uurs ten noordwesten van Adorp.
Adorp beteekent niets anders dan dorp by de A, zynde eene rivier die ten Oosten van dit dorp stroomt.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of duifsteen wordt hier niet aan de kerk gevonden.
De opschriften welke aan de kerk gevonden worden, zyn: voor by de kerkdeur staat op zyde Anno 1667 of dit het jaar aanduidt in het welk de kerk gebouwd is, weet ik niet.
Achter op het orgel staat: 1815 den 19 October ingeweid. Zynde dit de tyd waarin het orgel hier gekomen is. Het orgel zelve wordt slecht onderhouden, het staat ook op eene slechte plaats, want daar het onder de toren byna geplaatst is, ontvangt het somtyds zoo veel water, dat het in de windlaag nat wordt; beter kon het op het Oosteinde geplaatst worden.
Op de klok leest men: Henric Wegewart dá heft mi gegoten vor de van Harssens in Deventer Anno 1618.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Het Reitdiep, het Selwerder diepje zynde de oude Hunze. De kleine AE en de Groote AE.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren worden hier niet gevonden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Hier treft men verscheidene wieren aan welke schielyk zullen onderzocht worden door de Heeren G.A. Stratingh en Comp.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen vindt men hier niet.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Dierenryk: koeyen, schapen en varkens veelvuldig, paarden worden er in mindere mate aangefokt, ook vindt men er tamme konynen, meest al de uitspanning der jeugd.
Plantenryk, koolzaad, boonen, erwten, rogge, tarwe, gerst, haver, kool, aardappelen, peulvruchten, enz.
Delfstoffelyk ryk, goede klei tot steen.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Ten Westen van Adorp heeft men zware kleilanden, hebbende van onderen zeer zandige klei, zoo dat door het zoogenoemde woelen, waarin de zanddeelen met de kleideelen vermengd worden, daardoor meerdere vruchtbaarheid veroorzaakt wordt; ten oosten op de zoogenoemde Meeden vindt men ook wel kleigrond van boven, doch vermengd met roodoorn of yzerdeelen; van onderen heeft men echter ook goede zandige klei, zoo dat deze landen ook veel verbeterd kunnen worden en vele reeds beter zyn geworden. –

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Byzondere kunsten worden hier niet beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt hier een koornmolen, één bakker, één smid, één kuiper en stelmaker, één houtstek, twee timmerlieden, waarvan de een ook tevens verwer en glazemaker is, twee schoenmakers, waarvan de een ook tevens het leerlooÿen doet, twee kleermakers, vier winkeliers en vyf herbergiers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Een koude en onbestendige luchtsgesteldheid, zynde de noordewind hier zeer guur en onaangenaam.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eéne kerk en ééne school.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De veeteelt en landbouw zyn hier de voornaamste middelen van bestaan.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Om zeker te zyn van de regte gezegden, spreekwyzen en geheele uitspraak te verkrygen, liet ik den kinderen gelegenheid geven om zamenspraken op hunne leÿen te maken over willekeurige onderwerpen in hunne gewone taal, en verkreeg onder anderen, deze van een meisje der tweede klas vooral voorkomende onder knapen en jongelieden.

Zamenspraak tusschen Klaas en Pyt
over de keninen.

Klaas. Hes toe ook nog keninen Pyt?
Pyt. Ja Klaas, maar ‘k wyt ook nog nyt, of onze Jurrien ook nog gounend het.
Klaas. Hou Pyt wys toe dat nyt?
Pyt. Og jong; ik heb dy je zegt domkop, dat wi gounend hadden, wolt doe dan ein praksel koopen?
Klaas. Ja Pyt.
Pyt. Krigst dog gynend Klaas.
Klaas. Waarom nÿt Pyt?
Pyt. Zal ik die dat reis zeggen Klaas?
Klaas. Ja Pyt.
Pyt. Om dus toe mi der haast gyn geld veur geven wilte Klaas, en daarom wil ik ’t nyt doun; want ik ken dien kuren wel.
Klaas. Zoo Pyt hou wil ik dan doun?
Pyt. Doe wilte de keninen goudkoop koopen en dan weer duur verkoopen, want dan winst toe geld Klaas en ik nÿt.

Eene andere Zamenspraak tusschen meer bejaarde personen ontving ik van eenen jongen der derde klas; zy is deze:

Zamenspraak tusschen Jaap en Jan.

Jaap. Gouden dag Jan!
Jan. Ook gouden dag Jaap!
Jaap. Hou gait joe?
Jan. Goud ien order, hou gait joe?
Jaap. Ook goud ien order.
Jan. Hou gait joen vrauw en kiender?
Jaap. Ook nog goud vlug, groutenis!
jan. Nou is ’t mooi weer!
Jaap. Ja, namiddag mennen de boeren dat ’t klundert.
Jan. Hou is ‘t, heÿe ’t witzaad al ’t hoes?
Jaap. Nee wie hebben nog vief graan boeten.
Jan. Moÿe namiddag ook weer an gang?
Jaap. Ja wis.
Jan. Heÿe ook van de zaadmart heurt?
Jaap. Ja Klaas zee guster dat ’t nog neit beter was.
Jan. De zaadmart, lopt ook weer tegen.
Jaap. Ja, ik heb nog yn petÿke koolzaad, daar konk zes gulden veur kriegen, maar dat wolk nog niet doun,
Jan. Hou ist van ’t jaar mit ’t koolzaad? ’t schudt wis niks?
Jaap. Nee, want ik heb vief graan had, en as ‘k dartig mud krieg dan valt mie tou.
Jan. Dat is toch een lukbeetje, maar zes mud van ’t gras en den nog maar zes gulden veur ’t mud dat wordt yn klain gemaaktje, nou, zoo heb ik lyver garst.
Jaap. Ja ik ook. Heb ie ook wat drinken veur mi, ‘k heb zoon deurst.
Jan. Ja wel Jaap daar bi joe stait yn tien met soepen, de nap drift er ien: daar ken ie wel wat oet drinken; ’t is wis nog nyt zoer, anders zal ’t wief joe wat koffie maken.
Boonen is ook weer mis van ’t jaar Jaap!
Jaap. Zek joe wat zeggen, mien boonen bin ’t arbaiden maar evenkes weert, ik heb tegen Pyt zegt of hy ze veur de vyrde part bearbaiden wol; maar mits den mos ik se naar hoes tou brengen; maar wat myn je dat hy dat doun sol, o! lang nyt!
Jan. Ik wil an kom jaar gyn boonen weer zaÿen.
Jaap. Kon ik mout weer vot, nou ‘k wensk joe gouden dag.
Jan. Ook gouden dag, groutenis an joen vrouw en kiender.
Jaap. Dat zelk waarnemen.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

In het algemeen opregt, menschlievend, ondernemend, arbeidzaam en zuinig; hunne levenswyze in het algemeen eenvoudig. De tyd van opstaan is by het boerenvolk meestal 3, 4 a 5 uur, die der dorpbewoonders onbepaalder. De tyd van eten wordt hier door het luiden der klok aangekondigd, zynde het ontbyt des morgens om 8 uren, het middag eten om 12 uur en het avondeten om 6 uur in het zomer halfjaar, terwyl in het winter halfjaar alleen het middag eten om 12 uur op gelyke wyze wordt aangekondigd. Te Hekkum woont een boer die op zyne zomerwoning een klein torentje heeft waar in een klokje hangt, het welk door hem gebruikt wordt om voor zyn volk den tyd van eten aan te kondigen.
De gebruiken by het trouwen zyn zeer gering en geschieden in tegenwoordigheid van ouders of voogden alleenlyk voor den burgemeester in het gemeente huis alhier en niet in de kerk. De plegtigheden by het begraven zyn mede zeer eenvoudig, het begraven zelve geschiedt onder het luiden der klok om of terstond na 12 uur, wordende het lyk, gevolgd door de naaste vrienden, eenmaal om de kerk gedragen en dan bygezet. Dee maaltyden welke daarna aan het sterfhuis gegeven worden, bestaan gewoonlyk alleen in het genieten van wittebrood en rystenbry, terwyl na den maaltyd bier en daarna koffy gedronken wordt; hiermede is alles afgedaan en het Gezelschap scheidt zich.
De tyd van het naar bed gaan is in het algemeen by het boeren volk terstond byna na het eten. Hunne vermaken en uitspanningen zyn harddraveryen, kermissen, paarde- en beestemarkten en des winters schaatsenryden.
De wyze van bezoeken is zeer eenvoudig en min kostbaar; by de boer bestaat een dagelyksch gastmaal uit meelspyze, veeltyds gerstenmeel ten minste dagelyks, verders aardappelen, erwten, somtyds by sommigen ook nog kleinigheden als ryst of pruimen, terwyl men spek en vleesch niet moet vergeten; op een avondbezoek, zelfs by de rykste boeren, gebruikt men niet dan chocolade met beschuiten en daarna koffy, terwyl eindelyk een weinig genever door de mannen en brandewyn door de vrouwen gebruikt wordt tot afscheid. Zulke avondbezoeken worden hier in den winter veelvuldig gedaan, meestal des zondags avonds, durende dikwyls tot namiddernacht, verwekken gezelligheid en vriendschap en tevens weinige kosten. Hunne tafel is ook heel eenvoudig, wordende de meeste spyzen met gort en aardappelen vermengd, als ook wordt hier veel bry gegeten, zoo wel des morgens als des avonds. Op het Kerst-, Paasch- en Pinksterfeest heeft men hier twee dagen op welke men ter kerk gaat en ook zelfs de derde dag wordt zonder arbeid doorgebragt, zoo dat niemand op dien dag arbeiden wil, ja ook zelfs geen daglooner daartoe uitgaat. Even zoo handelt men ook op dien dag, waarop de Roomsch Katolyken vastenavond houden.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Oudtyds stond te Adorp eenen ouden dikken toren, weinig hooger dan de kerk, doch zeer sterk en met schietgaten voorzien.
Te Harssens stond oudtyds eene kleine burgt, zynde bewoont geweest door de Ewsums die daar voor hunne rekening ook eene kapel hadden en waarin zy drie malen des jaar dienst lieten doen, n.l. op den tweeden Kers-, Paasch- en Pinksterdag. Deze burgt werd afgesloten in het jaar 1736, maar de Kapel bleef staan, terwyl de Predikant van Adorp alle jaren op die tyden aldaar moest prediken. Deze Kapel werd echter niet meer onderhouden, kwam dus in verval en is in 1795 verkocht en afgesleten. De klok welke thans te Adorp hangt is toen van Harssens naar Adorp overgevoerd en in de aldaar toen nieuws getimmerde toren geplaatst en de Adorper klok ofschoon grooter en zwaarder zynde doch van slechteren klank, werd als toen verkocht.

(get) S.P. Brill.