Zoek op de website

Appingedam

Gemeente Appingedam

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Appingedam of Appingadam. In vele oude geschriften en nu ook nog by velen enkel den Dam genoemd.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

a. Geene.
b. Geene.
c. Men zegt, dat de Apt, eene afwatering van het voormalige klooster en diens toebehooren, geloopen zoude hebben in den Dam, zittende in het Damsterdiep, oorspronkelyk eene slenk, wat my aangaat ik geloof niet, dat de Apt ooit in het Damsterdiep geloopen heeft; maar wel in de Heekte. De Apt die men als de scheiding tusschen Appingedam en Tjamsweer aanwyst is eene scheidings-gruppel, en afwatering voor de huizen aan de Boersstraat. Bolwerk, oostzyde doch verder niet meer; de naamsverwarring, althans in den zin van de oude Apt is mis. De Apt heeft zich ten Z. niet verder uitgestrekt dan de Monniken Dobbe zich zuidwaarts uitstrekt. Het zoude ook verwonderlijk zyn, indien eene afwatering in een Dam vloeide! – Volgens anderen naar een aanzienlyk geslacht Appinga genoemd en naar een’ dam, welke men zegt ergens in het diep, waarschynlyk tegen of in de nabyheid van het huis van van Kalkar gezeten te hebben.In het eerste geval zoude het dan Appingedam en in het laatste Appingadam moeten zyn. Het gebruik heeft sinds jaren echter reeds Appingedam gewild.
Brúcherus spreekt in zyne Naamlyst enz. op bladz. 43 43, van Dammen, die aan den mond van den Fivel opgeworpen waren en van een oud adelyk geslacht Appinga. Harkenroht in zyne Oostfriesche Oorspronkelykheden op bladz. 103 nog met den ververden stigter Appinga.

Aanm: van den heer N.Westendorp

En dan betekent volgens den steller, zoo als men vervolgens leest, sluis, zyl?
Het is vry duidelijk, dat dit stroomtje geweest nog al van eenige beduidenis, ofschoon minder dan de Delf in breedte, naar welken deze plaats genoemd is. De ingezetenen zullen zich dan daarby neergeslagen hebben. Wat is het oudste gedeelte van Appingedam? En waarom heette de plaats niet Delfdam maar Appingedam? Inge is de uitgang van den tweeden naamval, zoo als in Ebbinge, Fivelinge, Harderinge, Hunsinge enz. Dus dam der Appe.

________

Dom: Cannegieter van Solwerd heeft my gezegd, dat er tusschen Solwerd en Marssum door voorby Appingedam naar Tjamsweer toe, nog een oud stroombed liep: dit moet men naargaan ook met opzigte tot de Appe.
Waar scheidt zich in of by Appingedam het dykvestigs land? Deze scheiding diende Steenhuis scherp naar te gaan tusschen Uitwierde en Tjamsweer.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

a. Neen.
b. Ja, op de groote: Inwoonders dezer Stadt als gy hoort myne klank, dan schikt U tot Uw doodt of tot den tempelgang.

Borgemeesteren Kerkvoogden
Polman  
Saagman  
van der Tunk  
Bouwmeester Secretaris
Mulder Anno 1722  

B. Bouwmeester was het Opperhoofd van al de Gilden.
Op de kleine 1763.
Ik nodig om ter Godsdienst gaan
Ik kondig ’t werk en rusttyt aan
En geef van vreugt ook teken
’t Versterven en begravingsstond
Ik an de levende verkond
Geeft acht dan op myn spreken
Gegoten anno 1763.

Als
Burgemeesteren der Stad Appingedam en
Idema Secretaris waren.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Het Damsterdiep vloeÿende van het Westen naar het O, midden door Appingedam; meer Noordelyk het Zandster of Kattendiep (een klein stroompje) grooter in het onlangs gegravene Nieuwe diep ten Zuiden van Appingedam; in hetzelve werpt zich de Groeve eene afwatering van het schilt, en omliggende landen en stroomende van het Zuiden naar het Noorden.

Aanm: van den Heer N. Westendorp
De oude Appe
De oude Heekt

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

My is geen bekend.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Eene Wierde, eenvoudig Wierde genoemd ten N.W. van de Nicolaï kerk; [dan daar het oude klooster gestaan heeft] (N.W.) doch weinig, althans niet merkbaar hooger dan het midden van Appingedam; evenwel zal zy 10 à 12 vt by raming, hooger dan het maaiveld en pl.m. 12 à 14 grazen in uitgestrektheid zyn.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Veel riviervisch, een weinig veeteelt, ooft en ook wel uitmuntende tuinvruchten, doch niet genoegzaam voor eigen geryf. Uit het Delfstoffelyk ryk, zal leem, dat men op sommige plaatsen kan graven, het eenige zyn.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De bovengrond is algemeen tuinaarde, vervolgens Derrie en op 14 à 15 voeten diepte op vele plaatsen zand, dit is algemeen waar; doch ten Z. van Appingedam is de bovengrond goede klei en vervolgens Derrie en ten N. betere en meer klei dieper en vervolgens leem.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Myns oordeels alle mogelyke kunsten. Sommige der schoone kunsten b.v. de muzyk zelfs tamelyk veel; doch in het gebied der beschaafde en fraaÿe kunsten maakt men weinige vorderingen. Behalve die wetenschappen, welke een eenigzins beschaafd mensch niet missen kan is regtsgeleerdheid in het meeste aanzien; de letteren worden ook niet geheel verwaarloosd.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

De Fabryken zyn er van weinig aanbelang; echter zyn er: 1 oliemolen, 6 weveryen voor vyfschacht, baai en een weinig linnen, 2 bierbrouweryen, eene garentwyndery, 1 lynbaan, 12 broodbakkeryen, 5 yzersmederyen, 3 goud- en zilversmederyen, 1 bleek, eene menigte schoenmakeryen, 4 boekweitenmaalderyen, 3 kuiperyen, 3 scheepstimmerwerven, op eene derzelve zit thans, een nieuw uitgehaald schip, groot 120 last; het grootste, dag ooit binnen de 3 Delfzylen gebouwd is, 1 kaarsenmakery, eene klompenmakery, benevens andere dagelyksche handwerken en bedryven.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Zeer veranderlyk en vochtig; doch voor de inwoners en hen die van zeeplaatsen en kleigronden komen niet ongezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Die kerken, eene Hervormde, roomsche en Joodsche Synagoge, 4 schoolen eene Latynsche, eene byzondere der 2de klasse, eene openbare en eene Hebreeuwsche Joden-school; 4 leesgezelschappen, waaronder een Hoogduitsche, 3 zanggezelschappen en daarenboven 1 muzykgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De voornaamsten als regterlyke en burgerlyke ambtenaren, wyders door hetgeen in antwoord 11 is opgegeven; overigens als schuitenvaarders, tuiniers, herbergiers en vooral ook als winkeliers, tappers, venters enz. De 4 Jaarmarkten brengen algemeen veel voordeel alsmede den nasleep van de Regtbank.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Ik zal hier het onder 17 gevraagde Kinderliedje afschryven, hetwelk op St. Maarten op de straten met brandende kaarsen, door papieren enz. omgeven, op stokken van vlierbomen gestoken in de hand gezongen wordt. De a wordt uitgesproken tusschen ho in hol en de a in al.
Suntermeerten vogeltje mit zien kipkapkogeltje,
mit zien roodrokje mit zien fleddren stokje.
Hier woont än riek man
Dei ons wel wat geven kan,
Lank zäl ie leven, zalig zel ie sterven
’t Koninkriek zel ie beërven.
Enkele woorden zyn nog eenigszins beschaafd b.v. kan inplaats van ken en sterven voor starven. Enkele woorden zyn nog:
bosschop inplaats van boodschap
Op tjoe blyft inplaats van als het U belieft. Y stekt zien and oet, voor hy steekt zyn hand uit. – este na Stad west, was de botter ook beter koop, voor, zyt gy naar de Stad geweest, was de boter ook goedkooper?
er binnen än yl bult ledematen aannomen voor er zyn verscheidene lidmaten aangenomen / hester west, zyt gy er geweest?

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Uit een Godsdienstig oogpunt beschouwd zyn zy goede burgers, onderdanig en zeer volgbaar, Godsdienstige zyn zy zeer kiesch; de meesten houden zich aan de beginselen der Herv: kerk; deze zyn althans het meest geacht; burgerlyk, zyn zy in de maatschappelyke zamenleving, verdraagzaam en zeer geschikt voor de gezellige verkeering.
Hunne zeden en gewoonten, voor zoo verre vreemde invloed, die hier en daar niet onmiddelyk veranderd of bedorven heeft vry oud vaderlyk. De tyd van opstaan is algemeen niet vroeg; – ontbyten ten 8 – middag eten ten 12 – avondeten 7 – en bedgaan (huiszittenden) ten 10 uren.
Tot de vermakelykheden behoort de Jaarlyksche harddravery, het wandelen op Zon- en feestdagen, na kerk tyd, het schaatsenryden, avondpraatjes houden op de stoepen en buitenstaande banken, het zeilen, bezoeken ten 5, 6 of 8 uren ’s avonds, societeit, het nanut, zingen en muzyceren. By het trouwen is niets byzonders op te merken. By het overlyden van iemand gaan de gezamenlyke buren (kluft of buurt) naar huis van den afgestorven en brengen er den avond door.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Het is opmerkelyk, terwyl thans byna of genoegzaam alle Fabryken in Appingedam vervallen zyn en in omstreeks de jaren 1773, 4, 5, 6, en zeventig en eenige volgende jaren verscheidene en bloeÿende waren; als 5 jenever stokeryen, om afgesleten, één zeepziedery, afgesleten, 6 Bierbrouweryen, van welke thans slechts nog 2 bestaan, van 6 Boekweitenmaalderyen zyn er 2 verdwenen, de zoutkeet is afgesleten, de azynfabryk vervallen, van verscheiden garentwynderyen, bestaat er nu eene enkele enz. – Vele burgerfamilien, die toen bloeÿende waren, hebben haar aanzien verloren. De handel in granen was in bovengenoemde jaren van belang, nu verdwenen; In die jaren zyn er ook kerkglazen geschilderd; het houtwerk in de toren is toen gemaakt, de toren van buiten hersteld enz. De tegenwoordige bevolking van Appigedam verschilt echter mynes erachtens weinig van de vroegere op 1mo January 1830 waren er 1495 Gereformeerden 203 roomsch Chr. en 118 Joden (3) zamen 1816 zielen – Aan de Oostzyde van A. by den molen van Bolhuis hebben zeker meerder huizen gestaan; doch dit was onder Opwierde; of de Regtbank van eersten aanleg, die er tegenwoordig nog provisioneel gevestigd is, over het geheel voor- of nadeel aangebragt hebbe, weet ik niet. Reeds voor byna 200 jaren, klaagde men over het verval van Appingedam (4.) De groote armoede is nu misschien niet erger dan voor 50 jaren. De Hutting en de Arke waren zeker vroeger ook verblyven van ellende. De algemeene welvaart en degelykheid heeft echter plaats gemaakt voor meerdere behoefte, vertooning en weelde.
Het Damster wapen is eene pelikaan voedende hare jongen (5).
In de Kerkelyke Gemeente van Appingedam bestaat thans niet eene Burgt; ook weet ik met volkomen zekernheid, geene anderen, die er gestaan heeft dan Snelgersma, van welke nog een klein gedeelte der poort aanwezig is (zie hieromtrent in de 7de aantekening).
Spookverschyningen. Men zegt, dat er in de Broerstraat een zwart lomp beest, ter grootte van een’ beer, met oogen ter grootte van een theekopje en gloeyende als vuur, loopt. Het heeft een zwaarmoedigen gang, gevende door het treden steeds een dof geluid van pof, pof, zyn gang is niet geregeld; doch het verdwynt telkens in de zevengangen. Dit beest verschynt nog somtyds. – Juffers zyn er hier en daar geweest, als: twee in de oude Pastory, eene in de nabyheid der vrouwenbrug, herkomstig van het oude Nonnenklooster. Een monnik op het joden kerkhof, die zelfs nog in het laatste beleg voor Delfzyl eene schildwacht in de gracht wierp.
Overleveringen: dat de dykstraat als eene Dyk zoude gediend hebben, komt my niet waarschynlyk voor. Dat de plaats, waar thans de molen van Smedes staat, het midden van Appingedam zoude uitgemaakt hebben is onwaar. Dykhuizen wordt zelfs in de oudste aanteekening niet binnen, maar-by Appingedam genoemd.

Aanm: van den Heer N.Westendorp.
De Dykstraat zoude niet tot eenen Dyk gediend hebben? Het tegendeel blykt duidelyk uit den naam. Deze dyk aan die zyde der Delft verlengde zich aan wederzyden langs dezelve en strekte oorspronkelyk, om de zyden der boorden te bevestigen.

__________

Hier zyn drie Burgen geweest, zoo als uit het vervolg blykt. Ooster van Wester Snelgersma, aan de Oost en aan den Westkant der kerk, welke beide eens in den stryd der Vetkopers en Schieringers omgeworpen zyn. En dan nog de Borgt van Houwerda. De Houwerda’s komen ook dikwerf voor als in Appingedam wonende.
Doch dan zie ik bovendien uit een aanteekening aanteekens een oud steenen Handschrift op pergament, afkomstig uit het Appingedamster Klooster en thans ter Secretarie van Groningen berustende en uit andere berigten dat vele aanzienlyke familien hier huizen hadden. Eppe Almers, Wythe ten Post, Marten Greving, Rieneke te Weiwerd, Heer Wilken, Wendelmad, Pelfers, Heer Bolten, Popke Ufkens, Enno to Solwerd, Claes Pelfers, Oomke Snelgersma, Menno Sygerts, Clauwes ten Berge, Enneke Enekens of Snelgersma, Bernt Hornekens, Omke Snelgersma, Heer Onneken, Herman te Herwert, Taco te Nansum, een waardener tot Reneke to Weiwert voer en de andere in 1458. By Herkenroth vindt men nog meer andere familien zoo als van Ripperda’s enz.
einde aanm: van de heer Westendorp
__________

Men zegt, dat Appingedam oudtyds magtiger was dan Groningen en ook ouder is. Ook uit Westendorp’s Jaarboek op pag. 293, ID. blykt, dat Appingedam tegen Groningen in 1232 op verre na niet in magt gewogen was. Voor 1230 ken ik geene aanteekening nopens Appingedam; doch toen reeds bestond hetzelve; want volgens Brucherus Classis van Appingedam in eene aanhaling op Emo, abt van Werum, deden twee Preekheeren van ’t Kapittel van Bremen, de kerk van Appingedam in 1234 in den Ban. Menco derde Apt van Werum, schryft dat de Appingedammer kerk in 1254 met eenen toren en een rond dak pronkte. Dat de groote klok, en den grooten toren te Groningen hangende door de Groningers den Damsters willekeurig is afgehaald, kan gedeeltelyk uit stukken op het raadhuis berustende, bewezen worden. – In de Kronyk van Groningen en de Ommelanden, staat op 1326. Dezen tyd begon Appingedam in Negotie, neringe ten platten lande en allerhande ambachten toetenemen en zelfs Groningen etc.
Het eenige waarin Appingedam eenigszins boven Groningen stond, is, dat de schepen van Appingedam met die van Stavoren het voorregt hadden, boven Groningen, om tolvry de Sond te passeren, blykens eene aanteekening, herkomstig van het Raadhuis.
Het kinderliedje is onder 15 geplaatst. Een oud gezang wordt gezongen op bruiloften en als het volk luidruchtig vrolyk is, schikkende zich huppelende in een ronden kring met 2 of meer personen van beide kunne in het midden luidende: Hait (zoude dit ook vader beteekenen?) was in de mai, mai, mai en hait was in de mai (gelyk mei de schoonste der maanden is, zoude hait ook niet in het best zyns levens geweest zyn?), Pater keek in ’t rondom, Hait was in de mai, Of hy ook een meisje vond, Hait was in de mai, mai, mai en hait was in de mai. Hy nam zien nonnegien by der hand Hait was in de mai Hy leidt haar op het ledikant, Hait was in de mai, mai, mai en Hait was in de mai. De Pater spreidt zien witte kap, daar hy met zien nun op zat, Hait was in de mai, mai, mai en hait was in de mai; De Pater gaf de nun yn zoun, Hait was in de mai, Dat duurt hy nog wel drie maal doun, Hait was in de mai, mai, mai en hait was in de mai Nou mout de Pater henen gaan en hait was in de mai, Nou blift de nun allene staan, Hait was in de mai, mai, mai en hait was in de mai.
Vervolgens wordt de non de handelende persoon. Voor zoo verre ik heb kunnen ontdekken moet dit het oudste zyn: tegenwoordig is byna de helft veranderd. Zoude het oorspronkelyke ook bedoeling hebben op de onzedelykheid der Kloosterlingen.
Oudheden. In 1300 had Appigedam zeker reeds den tegenwoordigen; doch moet stomp van boven geweest zyn. In 1554 is op den zelven een spits en twee transsen gebouwd, van welke echter thans slechts eene meer aanwezig is. Ook bestond toen de kerk, ook wel eens Parochiekerk, aan St. Nikolaas gewyd, genoemd. Aan de N.O. zyde vindt men het eenige opschrift, buiten aan de kerk, op een zerk, welk boven den voormaligen ingang gezeten heeft.

Het Nonnen Klooster (Vrouwen) heeft gestaan ter plaatse waar nu het huis van den Heer Poelman staat. Dit Klooster was zeker ook byzonder oud.
Hetzelve zoude gesticht zyn in 793 volgens Kronyk van Beninga Pag. 67 Harkenroth Pag 411.
In 1818 heeft men by het graven van kelders voor genoemd huis, uitmuntende riolen, zeker herkomstig van het vernietigde Klooster, ontdekt; ook is toen het laatste gedeelte der meeren afgebroken. Het Klooster zelf moet niet aanzienlyk geweest zyn; doch de zware en hechte huizen van Idema, Ypeÿenz. zyn zeker overgebleven gebouwen, welke by dit Klooster behoort hebben. In 1328 is de Augustini of Broerkerk en deszelfs Klooster geslecht. Volgens Harkenroth zoude het een Franciscaner Klooster geweest zyn. Dit Klooster was denkelyk van tamelyk grooten omvang. Immers sloot het de geheele Wierde niet met zyn toebehooren in? De oude wevery zegt men, is nog hier van herkomstig. In den tuin van Rodejus zyn twee dobben ook een aarden dyk of kleine wal, welke nu nog het kransje genoemd wordt enz. In het midden is een eilandje op het welk een kapel zoude gestaan hebben. Een gedeelte van den ingang, nu de oude Poort genoemd, is nog aanwezig, alsmede een brok van den ouden kerkmuur. Zoude in de laagte achter het huis van Hoving misschien eene gracht ter afscheiding van het Klooster geweest zyn . Op de scheiding tusschen het oude kerkhof en den tuin van de Weduwe Wagenaar heeft ook een muur gestaan, waarvan het laatste gedeelte voor eenige jaren is afgebroken. Zie Harkenroth over E. Beninga Oostfries. Kronyk bl. 557, waar het Latynsche versje staat, welke op den voormuur zoude geweest zyn. Ook Kronyk van Gr. En Oml. Bl. 63.
In het Klooster vergaderden vele Abten en Kerkoversten van Fivelingo, Hunsingo en Reiderland. In ’t vervolg zyn de inkomsten van hetzelve door den Paus aan den Groninger Bisschop toegelegd en sedert de Reductie dezer Provincie is dit Klooster nevens de kerk vernietigd. De Hervormde leer moet echter nog in deze kerk verkondigd zyn: daarentegen moet de Roomsche in de Parochie kerk nog al lang bediend zyn. Joh. Winschote en Joach. Schuttorphius waren aldaar n.l. in de St. Nik. k. de twee laatste Roomsche Pastoors. Zy waren tevens officialen en Commissarissen der Bisschoppen van Munster: de eerstgenoemde was ook Dokter in de beide Regten. Zy zyn in App: overleden in – 1598 en 69.

De volgende aantekening staat in de marge.
NB. Schuttorpius overleed in 69 en Winschote in 1598. Zie ook de 7de aanteek. De eerste Evangelie dienaar is geweest Johannes Milius en heeft eerst in het Schuttenhuis en niet lang na het aannemen van den Religie vrede in de Augustinus Kerk den dienst waargenomen. Zie verder Classis van Appingedam van Brugerus de naamlyst van de Predikanten in Stad en Lande op bl. 45 (6). De munt, een gevaarte, was voorzeker een oud gebouw, hetzelve is in 1814 gesloopt. Zoude al het Groninger geld niet in deze munt geslagen zyn? – De Mennonieten hebben hiervan ouds hunne Godsdienst uitgeoefend. Boven de Poort op een zerksteen stond: 8 is mer als 1000. Brucherus zegt hier omtrent, dat, daar, het merkteeken ∞ doorgaans 1000 te kennen geeft, dit cyfer-getal 8 moest voor meer als 1000 gehouden worden; doch zouden de ouden met 8 ook gezinspeeld hebben op het woordje acht? van achtgeven; bedoelende, dat het goed oppassen, wèl acht geven van meerder belang is,dan eene menigte geld. –

Aanm: van den Heer N.Westendorp
Voorzeker, want nog is dit spreekwoord
in dien zin in zwang.

Appingedam heeft wel vestingwerken; doch myns oordeels geene van aanbelang gehad. Dezelve waren misschien alleen geschikt om een oploop voor te komen. In het Z. achter kerk was een muur onmiddelyk aan het kerkpad langs welken de Groeve stroomde. Deze is in 1819 afgebroken, wanneer men de voormalige schutgaten heeft meenen te kunnen opmerken. Elders had men misschien eenige opgeworpene hoogten als wallen; doch regulier evenmin als reguliere grachten zyn by my niet denkbaar (7). Immers ook dan moesten er van zelve meer dan drie poorten geweest zyn; daar in de Geschiedenis der vrye Friesen op bladz. 177 gezegd wordt de drie poorten (8a). In 1536 volgens anderen later, zyn der vestingwerken geslegt. Sinds dien tyd komt Appingedam meest altyd als vervallen voor. In 1630 is het Raadhuis gebouwd en in 1825 is hetzelve vergroot; terwyl de Stadswage, onder het Raadhuis verkleind is (8b).

Aanm: van den Heer N.Westendorp
In de straksgemelde aanteekening van 1458 worden de Edele Heerden opgegeven waarop voor menschen heugen te Appingedam het Damster Radschap en het Zylregt vallen., zynde 70 in getal. Hiervan waren toen afgesleten 27, 3 wiens een door Unico Ripperda een door Menno Houwerda, een door Hajo Ripperda enz.

Merkwaardigheden
Merkwaardig, althans geschiedkundig, is, dat vooral in de 15e en 16e eeuwen, deze plaats, de gevolgen van den oorlog dikwyls heeft ondervonden, dan door Groningers, hetwelk door de overmagt van Groningen, meestal ten nadeele van Appingedam afliep; dan door de Oostvriezen, dan door de Saksers, vooral den 21 July 1514, wanneer onder aanvoering van den jongen Hertog van Brunswyk, 1136 menschen (denkelyk aan weerszyden) gedood werden en omtrent 200 soldaten en Burgers gevangen genomen werden; zie verder Ges. der Frye Friezen, – dan door de Gelderschen, dan door de Keizerlyken. – Eene byzonderheid is het misschien ook, dat er in den kerkmuur te Tjamsweer eene zerk gezeten heeft, in welke stond: Hoedt je nu en hoedt je dan, Hoedt je voor een Damsterman. – In 1327 werden de oude regten door de Overheden van Fivelingo en vervolgens door Vrieslands algemeene Staten, by Durik bekrachtigd, en wel onder den blooten hemel, slechts beschaduwd door drie statige eiken. Eene Copy van den Buurbrief van het jaar 1327, in het Latyn geschreven is nog op het Raadhuis aanwezig. In denzelven wordt ook tegen uitspatting gewaakt. Zoo b.v. is het aantal gasten op een bruilofts maal bepaald.
In 1536 zocht Dirk Philips, broeder van Menno Simons, deszelfs leer in Appingedam te verbreiden.
In 1568 werd de Hervormde Godsdienst in Appingedam verkondigd, zie Kerkelyke Gesch.: bl. 251.
In 1594 zochten de Borgemeesters, Bouwmeester, Kerkvoogden en Kerkenraad 2 predikanten in dienst te bekomen. Derzelver beroeping is vervolgens altoos geschied door de Gemeente met Eedgenoten en Kerkenraad volgens verdrag van 16 Nov: 1661 Verg. Bachiene Kerkelyke Geographie 4e stuk bl. 120 Seg. Thans is er slechts een Predikant. De Gemeente is in deszelfs beroeping voor weinige jaren uitgesloten.
In 1595 is bepaald, dat de Classis binnen Appingedam zoude byeenkomen.
Henricus Houbingius is de eerste Rector der Latynsche scholen geweest in 1596.
In 1602 werd vast gesteld, dat de Synode alleen te Groningen en Appingedam zoude vergaderen. Kerkgeschiedenis van Stad en Lande bl. 259. –
Het getal Borgemeesteren is vroeger 4 geweest, welke op een groote vlint of keisteen in de Wykstraat gelegen geinstalleerd werden. Deze steen, schoon eenigzins verplaatst, is nog aanwezig. Van al de voorregten die Appingedam als stad genoten heeft is er alleen overgebleven, dat hetzelve den naam van Stad mag voeren, dat hetzelve een Burgemeester benevens 2 Wethouderen heeft, dat hetzelve een eigen wapen heeft (9).
Merkwaardig is misschien ook, dat de Emder Veerman van Emden naar Delfzyl roept – naar den Dam. Van Appingedam bestaan een afzonderlyk Kronyk Geleerden. Doch van Amsweer gesproten uit een Voornaam geslacht te Appingedam, was een voorstander van den Hervormde Godsdienst en vlugtte daarom in 1580 naar Oostvriesland; doch is by de Reductie dezer Provincie bevorderd tot Gedeputeerde Staat; hy was niet alleen een geleerd, maar ook een verdienstelyk man; hy hervormde door zynen yver byna al de vervallene zaken. Hy woonde ook de Synodale vergaderingen als Commissaris Politiek by, zynde voorts Borgemeester en Ouderling te Appingedam geweest. Hy heeft in 1583 te Emden laten drukken. Spiegel der aanvechting des Satans met eene voorrede aan de bedroefde en verstrooide Gemeente van Appingedam; – In 1590 eene Christelyke Tragedie, de Koopman of het Ordel genaamd.
Jacobus Perizonius werd in het jaar 1651 te Appingedam geboren. Hy bezat volgens Van Kampen, Geschiedenissen der Nederl. Letteren en Wetenschappen I deel bl. 413 alle eigenschappen van den Pragmatischen Geschiedschryver. Hy werd in 1681 Conrector te Delft en in 1682 hoogleeraar te Franeker en vervolgens te Leiden. Zyne werken worden nog door de grootste geleerden hooggeschat. b.v. door Heeren onder anderen heeft hy ook geschreven Geschiedenis der 16e eeuw.
Harkensroth noem ik (onder Placius, Ippius Adami enz.) alleen om dat deze eene Kronyk van Appingedam geschreven heeft; dezelve is echter niet gedrukt; maar het moet echter nog in wezen zyn. Indien er mogelykheid ware, om dit werkje op het spoor te krygen, dan zoude er misschien nog veel licht opgaan. Zyne Oostfriesche oorsponkelykheden is mede een aardig werkje. – Brucherus heeft uitgegeven: Naamlyst van de Predikanten in Stad en Lande, Kerkgeschiedenis van Stad en Lande, Schets van de Schoolstraat in I stuk te bekomen te Groningen by J. Oomkens, onder den titel: Gedenkboek van Stad en Lande. Hy is te Appingedam geboren, waar zyn vader Rector en Predikant was – deszelfs manuscript is insgelyks voor eenige jaren uitgegeven by J. Oomkens, onder den titel: Geschiedenis der Kerkhervorming in de Provincie Groningen.

Aanteekeningen.
1. Zoude er inplaats van een Dam (pending) onlings in het diep ook eene Zyl gelegen hebben? – Dit was, naar myn inzien, natuurlyk, daar ik my van een dam of dammen in het diep hier geen denkbeeld kan vormen. Harkenroth zegt P.431 Zyle of dam, in de al oude tyden een en hetzelfde beteekende, weshalve onze voorvaderen gemeenlyk zeiden: “Mit dyken und dammen moet men Friesland herholden.

Aanm. van den Heer N.Westendorp
Ik houde het ook daarvoor. Zyl is de sluis der
bedding. dam de kunstmatige waterkering, die
echter geopend of opgetrokken konde worden.

2. D: Cannegieter en J. Kuipers (onderwyzer) mogen zich als vele moeite gegeven hebben in de Poppegoische tou Lopsterloug; het laat nog veel te wenschen; myns oordeels kan zoo iets niet wel zonder sleutel gebeuren en hy die zoo iets op zich neemt, moet ten mimste de Duitsche taal kunnen lezen.

3. Deze 118 Joden leven genoegzalle van het beroep als vleeschhouwer.

4. In 1754 noemde Badium het een zeer welvarend vlek, zie Volkomene Geographie 1e deel pag. 673.

5. My dunkt een zeer fraai wapen. Zoo teder de Pelikaan voor hare jongen zorgt, met even groote tederheid zorgt de Regering voor de Welvaart en de belangen der ingezetenen.

6. Volgens Harkenroth waren in 1580 in Appingedam de beide Gereformeerde Predikanten Johannes Melius en Joh. Aerarius; doch zyn in dat jaar naar Emden gevlugt.

7. Geene reguliere grachten, n.l. geene op zich zelve staande grachten, of, met andere woorden Appingedam was niet geheel van grachten omgeven; doch wel omringd van water. De wateren welke Appingedam insloten moeten zich volgens myne nasporingen aldus uitgestrekt hebben; beginnende aan de W. zyde van Appingedam, ten Z. van het Diep. Daarlangs waar nu de werf van Jan Pieters is, liep de Stads Gracht. Verder tusschen het land van Homan en de groenelaan tot aan den : Stadsweg. (door den zelven?) ten O. stond de Wester Poort, verder rondom de black en rondom dat gene wat te voren aan de familie Blaupot behoorde, op welke volgens overleveringen eene zeer oude Burgt zoude gestaan hebben welke Wester Snelgersma heette en dat zoo om W. Snelgersma in de Groeve. Verder de Groeve langs aan den kerkhofmúúr tot aan Ooster Snelgersma. – Deze Burgt stond ter plaatse waar nu de tuin van Houwerzyl is en zoo door den weg, ten Westen van welken de Ooster Poort gestaan heeft. Nog liggen hier de fondementen dezer Poort n.l. van den Z. vleugel. In 1830 gevonden, liggen ter diepte van 5 voeten (het bovenste) van Kraptil. verder door den tuin van v .d. Werff (ten oosten waar de straat ophoudt) dat gedeelte, hetwelk door gemelden tuin liep, werd de Moe genaamd, om zoo in het Damsterdiep. Voorts langs het Kattendiep en nu wêer (als gracht) langs den tuin van Klunder, rondom het Paradys, waar het huis Houwerda gestaan zoude hebben en zoo verder door den weg, waarin eene Klapbrug zal gelegen hebben; – althans die weg wordt nog de Klapweg genoemd. Verder, als gracht tusschen de doode Ven en den tuin van den Hr. Tonkens rondom het Joden Kerkhof tot aan de Westzyde van het Bieltje. Hier wierp zich de Heekte by langs het Bieltje, in de Stadsgracht, langs de tegenwoordige Stadsstoep en van hier misschien de overlevering, dat de Heekte in Appingedam zoude geloopen hebben.

Aanm: van den Heer N.Westendorp
Voorzeker was er eene oude en eene nieuwe
Heekte by Appingedam.

Verder om de Wierde – hier was zy byzonder breed – binnen het Paaschland, eerst Z. waarts, vervolgens Westwaarts. Hier wierp zich nu de Apt in en stroomde nu vervolgens westwaarts in de Heekte. Er zyn nog menschen die het heugt, dat zy als kinderen, hier met kleine scheepjes, uit de Heekte voeren. Voorts, misschien, langs de Heekte en zoo het Bolwerk (welk woord by de Vriezen niets anders dan eene Wal (by ons misschien eene hooge Wal aanduidt en zal mogelyk hier eene soort van hoornwerk uitgemaakt hebben) om en zoo weder in het Damsterdiep.

8a. Deze Poorten hebben de Ooster-Wester en denkelyk de Noorder Poorten.

8b. Tot de oudheden behooren zeker nog: – op eene grafzerk in de kerk staat

Op eene andere Nobili et Generoso in reni Snelligers ab Houwerda in damone Capitaneo anno 1579. Op de oudste zerken staat damme en op die der vorige eeuw Appingedam. Op de kerkglazen staat insgelyks Appingadam. In een der pylers zit een steen gemetseld met een omschrift  1515 Staerf . . . Hovelick. Het oudste jaartal op de kerkglazen is 1735 behalve eenige my onbekende figuren. Al de glazen zyn beschilderd geweest. Het eene boven de bank van den Rector was bekostigd door het Bakkersgild. Een, dat tegen den toren heeft gezeten, nu toegemetseld, was van het Smidsgild. – Een, by de school heette het Officiers (hoplieden zieg) glas, het Eedgenoten glas boven het Eedgenoten gestoelte enz. Het nieuwste in de kerk en zeker een van de laatst geschilderde kerkglazen in van de Gecommutteerde Raden van de Ommelanden tusschen de Eems en . . . . . gebrandschilderd binnen Groningen in 1782. Dit glas was waarlyk schoon. Om hetzelve te bewaren, was er aan de buiten zyde gevlochten koperwerk – doch dit is zoo wel als al de andere geschonden.
Tot de oud- en merkwaardigheden behooren zeker ook de onderscheidene Gasthuizen als: Anthoni Gasthuis, Cornelius Albati Gasthuis enz. – doch het voornaamste het ryke Gasthuis, is nu veranderd in een huis van bewaring.

9. Merkwaardig is misschien nog, dat Appingedam verdeeld is in 4 wyken, welke te voren Vendelen genoemd werden. De verdeeling is altyd dezelfde gebleven. Ieder Vendel had een hopman en een schutten-rigter. De hoofden der huisgezinnen trokken op Prinsen jaardag op: elk jaar een volgend Vendel, ieder Vendel onder deszelfs hopman, Ieder was voorzien van een geweer, een degen en een oranje kokarde aan den drietipten hoed, geschaard onder een Vaandel. De Hopman (officier) had een Oranje sjerp, hangende over den regter schouder met neerhangende kwasten aan de linkerzyde. Voor het hopmanschap is wel eens 100 gulden betaald. De schuttenrigters werden door den Schutten onder het toezigt van de Borgemeesteren gekozen. Die dag werd Schuttenrigtersdag genoemd.
De schutten-rigtersdag, zoowel als op ’s Prinsen Jaardag ging het zelden zeer zedig toe. De Schutten werden door de Borgemeesteren uit de begoedigde burgers gekozen. Het Schutten gerigte wees de geschillen uit tusschen scheidingen of Zwetten; wanneer er goten gelegd wierden, moest het Schuttengerigt geraadpleegd worden. Zelfs mogt iemand voor zyn eigen huis geene bank hernieuwen zonder voorkennis en toestemming van het Schuttengericht. – De uitspraak van het Schuttengerigt was onherroepelyk, – Zy die thans de wegen schouwen, noemen zich gaarne het Schuttengerigt, blykens nevensgevoegde Publicatie. ’s Zondags in de kerk waren de Borgemeesteren, Eedgenoten, de Leden van den Kerkenraad en de voorzanger met zwarte mantels omhangen. De Stadbode met eenen donkergroenen – deze werd alle 7 jaren hernieuwd. – De Week markten waren bepaald op Woensdag en ’s Zaterdags. Op die dagen wordt in het Voorjaar en in den herfst nog al eenigen handel in Vee gedreven. De Woldschippers komen in die dagen ook het meest in Appingedam.
Als een blyk van verdraagzaamheid van de zyde der Hervormden dient aangemerkt te worden dat de Graven van den laatsten Roomschen Pastoor welke de dienst in de Nicolaï kerk verrigt heeft, Winschote, en van de Herv: Predikanten Ippius en Brucherus door denzelfden steen gedekt zyn, blykens het opschrift op het koor in de kerk. Winschote stierf 7 Nov. 1598. Ippius 12 Oct. 1697 in den ouderdom van 44 jaren en Brucherus 30 Mei 1797 oud 73 jaren. Verschillende dus genoegzaam telkens eene eeuw. De Ambtsbroeder van Winschote was Schuttorpius, overleden anno 1569. De Echtgenoote van Brucherus, Juffer Ebels is met Schuttorpius insgelyks door denzelfden steen gedekt blykens opschrift op het koor.

Byvoegselen
Het verval van Appingadam schryg ik toe aan de nabyheid en overmagt van Groningen. De bevaarbaar maken van het Damsterdiep tot Groningen 1650. De Stichting van de Kolonien Veendam. de Pekela enz. Ook leed Appingadam by elke verandering van regeringsvorm “De Damsters zyn het huis van Oranje zeer toegedaan.” – Het manuscript van Harkenroth, dat zeker hier of daar nog aanwezig zal zyn, heeft ten titel:
Appigedamster Oudheden.
Er bestaat eene Kronyk van Appingedam in quarto welke zeer ouderwetsch gedrukt is, konde men deze opsporen! Ofschoon Appingedam. Ofschoon Appingedam in kracht en innerlyke deugdelykheid verloren heeft, zoo zyn de zeden, geloof ik, thans minder bedorven, dan wel voorheen.
De Damster trots bestaat niet meer; deze is met de welvaart verdwenen of heeft ze gevolgd.

(get) H.P. Steenhuis.