Zoek op de website

Beerta

Gemeente Beerta

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Beerta.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

1. Ulsda, liggende Oost zuid Oost ½ uur van de Ger: Kerk.
2. Beersterhogen, oost Noord oost ¼ uur van de Kerk.
3. De Zandhoogte, waar eene boerenwoning staat, de Kloostergave genoemd; waarschynlyk, dat daar wel eens een Klooster geweest is.
Beersterhoogen of Beersterhoven, weet ik den naamsoorsprong niet op te geven en nog minder den oorsprong van den naam Beerta.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan onze Kerk (gebouwd, volgens eene inscriptie boven de eene deur thans onleesbaar, maar volgens het getuigenis van geloofwaardige menschen zou er staan als volgt:
As men screev MDVI (1506) doe was legt de eerste stein op maandag na St. Marens.)
is dufsteen of Duifsteen, ter grootte van 12½ duim lang 5¾ duim breed en 2½ duim dik (oude maat).
Hier zyn twee klokken in den Toren waarvan het opschrift op de groote Klok aldus is:
Onze hulpe is in den naame des Heeren die hemel en de aarde gemaakt heeft Ps: 124 – De gemeente Kaspellieden in de Beerta hebben my laten vergieten door Mr Godfridius Raulard Lotharingius, Anno Domini 1639. –
De Kleine Klok is omgegoten ten koste der ingezetenen van de Beerta in het jaar 1814 onder Direktie van J.H. Geertsema en R.P. Roelfzema als Kerkvoogden en Sebo O. van der Wal en Edzo H. Dethers, door M. Fremij en A van Bergen.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Hier is een diep, het Vierkarspeldiep genaamd, nemende het Blyhamster Water by de Winschoterzyl op, loopende van daar naar de Zylkertil in eene Noordelyke strekking, vervolgens in eene noordoostelyke strekking langs en achter de Beerta, tot de zoogenaamde Karspel Til, van daar weder noordoost waarts, tot de Hogen der watermolen en dan vervolgens noordwaarts min of meer door de Finsterwolderlanden naar de Vierkarspel Zyl afstroomende.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Ten Noordoosten van de Beerta is alles kleiland en ten Zuidwesten, uitgegraven veengrond, lage dal-landen en hier en daar nog een hoekje hoog Veengrond.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier zyn twee kerken, eene voor de Gerformeerden, en eene voor de Mennoniten. Een hoofdschool en drie Byscholen. Een Leesgezelschap, en in het winterhalfjaar bestaat hier ook een Zanggezelschap. –

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Het hoofdbestaan van de inwoners is de landbouw, en minder van de Veefokkery, enz.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Hiermede gedeeltelyk voldaan te hebben aan de opgegeven vragen van de Commissie van Onderwys
v. d. Prov. Groningen d.d. 10 Juny ben ik uwe dienstwillige dienaar.
(get) R.K. Dyksterhuis
Schoolmr. te Beerta