Zoek op de website

Boertange

Gemeente Vlagtwedde

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De Naam onzer woonplaats is Bourtange, zynde eene reguliere vyfhoekige vesting van de eerste soort, waaronder behoort het zoogenaamde Schuitendiep binnen de vesting werken gelegen. – Verder nog het platte huis en Abeltjeshuis buiten de Vriesche en Munstersche poorten; zynde by het Abeltjeshuis nog aangelegd een vesting werd de linie genaamd, strekkende aan de Munstersche grenzen. Ook heeft men hier de Bakoven, eene battery aan de gegravene Ruiten a, waar voorheen een wachthuis stond. Deze vesting moet voorheen zeer schoon geweest zyn, doch teekent thans een zeer diep uit- en inwendig verval.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Omtrent dezelver naamsoorsprong verhaalt men het volgende: Om de strooperyen van de benden van Rennenberg tegen te gaan, was men bedacht, om hier eene hoogte of verschansing in de Veenen te zoeken. Ter bereiking van dit oogmerk vroeg men eenen boer om eenig onderrigt. Deze wees hun deze en zeide: “Gün lait eine tange.” Naar dezen boer (bour) noemde men deze tange, de Bourtange.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

a. (van duf- en duifsteen geene melding.)
b. Ja om de klok staat aldus geschreven:
Mit, min, gelvt, groot, ende, min, helge, clouck, verkondig ’s menschen doot, vermaent den kerck gongk, – gert powies M.F. Anni 1602.
Voor het oude Magazyn staat onder het beeld van den Nederlandschen Leeuw in zerksteen uitgehouwen:
Anno 1593 in de maent Augusti is dese fortresse alhier op de Bourtange tot dienste der Generaliteit deur die neerstige beleidinge en bevorderinge der Welgeborene heere, heere Wilhel, Lidwich Graeffe tot Nassau Cattezenelleborg viade Dietz et ’s Catholde, en Cappityn Gnael, in Vrislat, en by de here gedeputeerde s Catealde aangeleyt en in corte tyt in Devenue gebracht.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Men heeft hier niets anders dan een gegraven diep of uitwatering, de Ruiten a, gegraven, om de vesting door water te versterken. Dit diep komt uit de westerwoldsche a, en watert af in de Eems in het Koningryk Hanover en is in het jaar 1813 eenigzins verbreed, onder directie van den Heer Modderman. – Voorheen was hier nog een diep, doch is thans toegewassen, genaamd het Spanjaardsdiep, loopende van den Bakoven naar de Westerwoldsche a. Eertyds waterde het ook af naar de Eems. In dit diep vond men voor eenige jaren eene Krúik in de gedaante van een bierkan, met een tinnendeksel, van buiten geheel met beeldwerk, verbeeldende het laatste oordeel.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Een gedeelte van het Zellinger meer, zynde nog aanwezig.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene bosschen. De Zoogenaamde Meede, een stuk lands, groot ongeveer 108 deimten; Was voorheen geheel met Kreupelbosch bewassen, doch dit is voor eenige jaren geheel uitgeroeid; dezelve dient nu tot hooiland.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

1) Uit het Dierenryk: paarden, runderen, schapen, (weinig) verkens, hoenders, eenden, hazen, patryzen, korhoenders, vossen, otters, snippen, kiewieten, weinig visch enz.
2) Plantenryk: rogge, boekweit, haver, gerst, aardappelen, knollen, tuinvruchten, moesgroenten enz.
3) Delfstoffelyk ryk: turf, zand.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond dezer plaats bestaat uit Veen en Zand. Digt aan het meer heeft men ongeveer 2 Vt beneden de oppervlakte ter dikte van � vt eene laag mos gevonden, geheel gaaf. Hier en daar treft men onder het Veen op het Zand eenig hout aan.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men heeft hier één korenwindmolen, verder bakkers, timmerlieden, schoenmakers, kleermakers, één smid en één korvenmaker.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De lucht is hier vry droog en gezond, en men treft hier vele oude menschen aan.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Men heeft hier één gereformeerde kerk en een huis waarin de joden, des Sabbats hunnen Godsdienst verrigten; leesgezelschappen bestaan hier niet, Zanggezelschappen heeft men alleen in den winter.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De voornaamste middelen van bestaan, zyn landbouw en veeteelt. Sommige inwoners beoefenen ook de Byenteelt. De tuinbouw maakt een voornaam middel van bestaan uit.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Deze is niet zoo platduitsch, als wel op andere streken van het Westerwoldsche, waartoe zeker niet weinig hebben bygedragen het meerder verkeer met andere volken, het alhier in garnizoen gelegene krygsvolk, de thans hier gevestigde gepensioneerden, ambtenaren enz. Meestal spreken de inwoners als die van de Kolonien de Pekela, Veendam enz.; doch de uitspraak der h wordt hier veel beter in acht genomen; ook hoort men hier vry goed het onderscheid tusschen ken en kan.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Meestal zyn de Bourtangers vrolyk en luchtig van aard, een overblyfsel van het Krygsmansleven. Niet zoo stiptelyk gezet op het bywonen van den Openbaren Godsdienst als wel op andere dorpen van Westerwolde, evenwel begint men er sedert eenige jaren meer werk van te maken. Voorheen maakte men ook meer gebruik van sterken drank en men vond meer beminnaars van het spel. Thans heeft men veelal tot uitspanning het kegelen, by het zoogenaamde platte huis. Op uitstekende zedelykheid kan men geen roem dragen; de opvoeding der kinderen kon met velen beter gesteld zyn. De dagelyksche maaltyden geschieden geregelder dan wel in andere dorpen van Westerwolde. Onder de Volksvermaken kan men tellen de markten en kermissen in het naburige Munsterland. –

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.