Zoek op de website

Den Andel

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Sommigen noemen den naam onzer woonplaats Andel; doch anderen schrijven Den Andel.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Er behooren geene gehuchten tot ons dorp. Of de onderscheidene gedeelten onzes dorps, die bijzondere namen dragen, voor buurtschappen kunnen doorgaan, durven wij niet bepalen. Wij zullen ze echter opgeven en eenigzins beschrijven. Vooreerst dan de Kuiperij. Deze ligt omstreeks 350 ellen ten Z.O. van de kerk, ten Zuiden van den ryweg naar Warffum. Men vindt hier thans twee huizen. Oude lieden weten te vertellen, dat hier in vroegeren tijd eene Kuiperij had gestaan en dat de tegenwoordige naam van Kuiperij daarvan zijnen oorsprong heeft.

In de tweede plaats noemen wij het Fiel. (In de dagelijksche taal het Fyl genaamd) Hier staat een kleine boerderij ten zuiden van even bovengenoemden weg. Deze boerderij behoort onder het naburig gehucht Raskwerd en draagt eigenlijk den naam van Fiel; door de twee arbeiders woningen ten noorden van den weg, en die onder ons dorp behooren, worden thans altijd mede onder den naam van Fiel begrepen. Het Fiel ligt meer oostwaarts dan de Kuiperij, en dus O.Z.O. van de kerk, op eenen afstand van plm. 950 ellen. Betrekkelijk den naamsoorsprong van het Fiel heeft niemand ons eenig spoor kunnen aanwijzen en wij weten daarvan ook niets.

Verder heeft men hier de Kruisweg. Deze plaats zal zeker daarom zoo genoemd zijn geworden, omdat de zoogenaamde Oosterweg, welke Z. en N. ten Oosten van ons dorp loopt, hier een smal wegje onder den naam van het Oude dijkje, opneemt, hoezeer hierdoor anders geenen volkomenen kruisweg gevormd wordt. Dezelve ligt ten naasten bij 650 ellen ten N.O. van de kerk. Men vindt er ten oosten van den Oosterweg eene boeren-plaats, en aan de westzijde van dien weg, vijf arbeiders woningen, waarin zich echter wel 7 of 8 armoedige huisgezinnen ophouden.

Eene vierde plaats, welke eenen bijzondere naam draagt, is de Oude Dijk. Deze is eene streek van arbeiders en boeren woningen, en loopt oost en west op eenen noordelijken afstand van omstreek 820 ellen van de kerk. In deze streek zijn hier en daar nog brokken van eenen dijk overig, en voor eenige jaren was dezelve er nog geheel aanwezig. Wij hebben hem er echter zoodanig niet gekend. Dat deze streek haren naam van dien aldaar gelegenen dijk heeft overgenomen, is dus buiten twijfel.

Ten noorden van den Ouden dijk tot aan den Nieuwen- of Zeedijk, bij velen ook den Middeldijk genoemd, ligt het Uiterdijk. Hier vindt men goede weide- en bouwlanden, doch weinig huizen; eenige hutten niet ver van den Ouden dijk, benevens twee kleine boerderijen aan den Middeldijk, waarvan de oostelijkste den naam van Dobben draagt, is alles wat hier bestaat. Dobben is genoemd naar de dobben, welke daar digt bij zijn, en bij welke, de boeren, in den zomer, of liever bij gebrek aan water, hun vee laat drinken.

Ten noorden van het Uiterdijk ligt de Polder, van welke wij in de vijfde plaats iets zullen aanstippen. Hij is een gedeelte van den Noordpolder, welke in het jaar 1811 werd binnengedijkt. De Andelster Polder is bepaald, ten oosten door dien van Warffum; ten westen door dien van het Westernieland; ten zuiden door den Nieuwen- of Middeldijk, en ten noorden door den Polderdijk. Men vindt hier zeven heerlijke boerderijen, en eenige kleine huisjes. Drie der genoemde boerenplaatsen, dragen ieder eenen bijzonderen doch willekeurig gegeven naam. Men heeft er ten 1sten de plaats, Arion genaamd, gebouwd door M.D. Teenstra; ten 2de de Polderlust, gebouwd door Jan Rentjes Vos; en ten 3de Nieuwe Huisum geboud door Gaomt Elings. Laatstgenoemde persoon, echter, in de Gemeente van Warffum woonachtig, op de aanzienlijke boerderij Groot Huisum genaamd, heeft den naam van zijne polderplaats, van zijne eigene woonstede ontleend.
Dat gedeelte van ons dorp, eindelijk, hetwelk ten zuiden der kerk tot aan den molen, en het noorden van gene tot aan het Oude dijkje strekt, wordt de Streek genoemd. De huizen staan hier aan beide zijden van den weg, welke zuid en noord ten westen der kerk loopt, gebouwd. De naam van Streek is dus niet ongepast aan dit gedeelte onzes dorps, ter onderscheiding van andere, gegeven.

Wat nu de naamsoorsprong van Andel of den Andel betreft, hieromtrent kunnen wij zeer weinig, en dan ook slechts een paar gissingen mededeelen. - Eenigen willen den naam Andel afgeleid hebben van de Delte, zijnde een riviertje, stroomende ten Z.O. van Warffum. - De Delte, meenen zij, had in vroegere jaren meerdere uitgestrektheid bezeten, en een tak van dezelve was door deze landen gevloeid. De landerijen van ons dorp hadden dan aan de Delte gelegen, en daarom had men onze woonplaats Andel of Den Andel genoemd.
Anderen zijn van oordeel dat Andel afgeleid was van Andeel of Andeelen. -Zij zeggen namelijk; dat ons dorp zamengesteld was geworden uit bijzondere deelen (andeelen) van andere dorpen, zoo als van Warffum, Baflo-Raskwerd, Pieterburen enz., en dat ons dorp, eertijds Andeel was genoemd geweest. - Wij kunnen voor deze gissingen volstrekt geene bewijzen aanvoeren; maar dat ons dorp vroeger Andeel is genoemd geworden, bekomteenige waarschijnlijkheid, door een opschrift van een grafzerk alhier. Dit opschrift luidt aldus:

ANDREAS LISING PASTOR
IN DEN ANDEEL IS HIR
BEGRAVEN INT JAER
MDC(1) XXI

(1) Het schijnt ons toe dat er een getalmerk tussen C en X gemist wordt. Trouwens de ruimte tussen beide is grooter dan tusschen de andere, en de zerk is daar juist eenigszins beschadigd.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Er is geene dufsteen of duifsteen aan onze kerk. - In onzen toren hangen twee klokken: eene groote - en eene kleine klok. Het opschrift op de groote klok, luidt aldus:

IVRIEN . BALTHASAR . ME . FECIT . IN . LEEVWAER . DEN . 1653.

(op de kleine klok staat volgens zeggen van den Timmerman (1) in het midden:

NEPTUNUS.

en boven:

SOLI . DEO . GLORIA . ME . FECIT . M.C.TROSCHELL . NCOPP . 1780.

(1) Wij achtten ons op die plaats, waar men het opschrift konde nazien niet veilig; wij moesten ons derhalve vergenoegen met den timmerman na te schrijven.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De wateren in deze kerkelijke Gemeente, zijn, behalve het Wad ten noorden van den Polderdijk; door hetwelk hier misschien niet in aanmerking komt, ten 1sten het Poldermaar, (ook wel Kanaal genoemd) bijlangs de Nieuwe of Middeldijk; en ten 2de het Andelster-maar of de Andelster-togt.
Het Poldermaar loopt, even als de Middeldijk, oost en west; het gedeelte onder den Andel behoorende is ten westen onmiddellijk verbonden aan het gedeelte van het Westernieland en ten oosten aan dat van Warffum. Dit Kanaal ontlast zich door de Noorder- of Polderzijl.
De Andelster Togt is ondiep en smal; hij dient echter voor onze dorpschippers, ingeval zij niet voor de Polderboeren varen, om langs denzelven koren en andere goederen te vervoeren. -Dezelve loopt eerst zuidwaarts tot aan het Raskwerder Tilje, vervolgens kronkelt hij zich door het land zuid-oostwaarts op, en komt bij de zoogenoemde Zwynbrug in het Raskwerder Maar; loopt met dit in het Warffummer trekdiep, en ontlast zich eindelijk in het trekdiep bij Onderdendam.
De Oude Weer, maakt de scheiding tusschen onze Gemeente, en tusschen Warffum etc; doch daar dezelve niet meer dan de eene goede sloot is, zal dezelve welligt geen byzonder nasporen behoeven?

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meren hebben wij hier nergens aangetroffen.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Alles wat wij, van de, in deze vraag opgenoemde punten, in onze Gemeente aantreffen, zyn, behalve het Kerkhof, eenige hoogten, en twee dyken.
Het kerkhof is in het jaar 1826, lager en grooter gemaakt. Er is toen ten naten by 3 palmen afgegraven, en is hetzelve 2,5 roede vergroot. Thans is deszelfs hoogte nog omstreeks 1 el boven het vlakke veld; en deszelfs grootte is 15 roeden.
De hoogten; liggen oost en west, ten zuiden onzes dorp, van elkander. Eene kleine boerdery, staande ten zuiden van twee hoogten, welke door eene sloot gescheiden zyn, wordt gewoonlyk het Hoogtje genoemd. - Genoemde twee hoogten zijn naby 1,5 el boven het maaiveld verheven, en de westelykste hoogte heeft 50 vierkante roeden, en de andere 100 vierkante roeden vlakken inhoud. Eene andere hoogte vindt men ten noorden van de Kuiperij. Dezelve bis bijna 1 el hoog, en 25 vierkante roeden groot. Meer oostwaarts is nog eene hoogte, die 1,3 el boven het maaiveld verheven is, en eene uitgebreidheid van 22 vierkante roeden heeft.
De geheele streek, waar men deze hoogten aantreft, is min of meer verheven. Wanneer men in aanmerking neemt, dat men voor en achter het westelyk gelegen dorp Saaxeemhuizen, in dezelfde rigting, als deze hoogten, ook verhevenheden vindt en dat men ten oosten van den Andel, bij de meergemelde Oosterweg, eene hooge streek, noordwaarts op, tot aan den Ouden Dyk, kan nasporen, dan zoude men byna denken, dat deze hoogten nog overblyfselen van eenen dyk waren.
De dyken in onze kerkelijke Gemeente, zyn: de Middel- of Nieuwe-, en de meer noordelyk gelegene Polderdyk. - Eerstgenoemde heeft eene hoogte van 4,7 el -, en de andere 4, 83 el boven pegel water. Derzelfts lengten zijn: omstreeks 1900, en 2250 ellen. Wij weten niet of de zoogenoemde Valgen ook mede in aanmerking komen. Evenwel wagen wy het, tusschenbeide aantestippen dat hier eene Streep lands, onder den naam van Valg, bestaat, ter grootte van omtrent twee bunders. -

7. Welke bosschen zijn daar?

Eigenlyke bosschen of wouden zyn hier niet. Aan het westeinde der Streek van den Ouden Dijk, staat eene boerenwoning, die vroeger met meer -, doch thans nog met veel geboomte omgeven is. Dit zal misschien de oorzaak zyn, dat men deze plaats nog altijd het Bosch noemt. -

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen uit het Dierenryk, zyn; paarden, koeijen, schapen, zwynen, tamme ganzen en eenden, hoenders, tamme- en wilde duiven. Zwanen houdt men hier maar weinig. Wilde ganzen en eenden zyn hier ook niet veel; doch ander wild gevogelte als; patryzen, snippen, smienten, slobben, wilpen, enz. zyn hier menigvuldiger. - Hazen ziet men hier zelden, en worden ook weinig gevangen. Bunsings zyn hier thans veel.
Uit het plantenrijk bekomt men hier veel veldvruchten, als winter- en zomer raapzaad en gerste; rogge weinig tarwe, haver, geele- en groene- en graauwe erwten; waalsche en andere boonen; aardappelen, gras en klaver. Van Kool, wortels en knollen heeft men niet veel meer dan eigen geryf. - De voortbrengselen van tuinvruchten, almede van boomvruchten, strekken ook al niet verder dan tot keukengebruik. -
Het Delftoffenryk brengt hier niets niet aanmerkelyks voort. -

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond is hier over het algemeen vruchtbaar, bestaande dezelve uit een mengsel van klei en zand, ter diepte van omstreeks 3 palmen. Onderscheidene streken echter zyn of meer zandig, of meer kleiachtig. Binnen den Ouden dyk is de grond overal zeer gelyk. Op het Uiterdyk, almede op den Polder, kan men denzelven in twee soorten verdeelen. Vanaf den Ouden dyk tot 200 a 250 ellen noordwaarts, op, is de grond minder met zand vermengd, dan het noordelyke deel van het Uiterdyk. Even zoo is het op den Polder gesteld, met dit onderscheid echter, dat het noorder deel van denzelven, zandiger, ja, het zandachtigste gedeelte van ons geheele dorp is. -
In den verledenen zomer groef men hier eene put, alwaar de volgende soorten van aarde te voorschyn kwamen. Eerst had men vruchtbare aarde; toen lagen van zand, klei en weinig rooddoorn, en daarop tot op eene diepte van omstreeks 4 ellen, beneden de oppervlakte des vlakken velds, blaauw zand en leem, met schulpen vermengd. - Toen men in deze put ten naasten by 3 ellen diep gegraven had, was het daar in zynde water nog zeer goed en zuiver; doch thans is het zout en walgelyk van smaak.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Met eene uitsluitende beoefening der kunsten of wetenschappen, houdt zich hier niemand bezig. -

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken bestaan hier geene. Maar moet men de Pel- en Roggemolenaar van ons dorp, de Dorpschippers, en eenige Winkeliers en Herbergiers voor Trafrykeurs houden? Handwerken worden hier nog al eenige gedreven. Men heeft hier twee Yzersmeden; drie Timmerbazen en Metselaars; drie Schoenmakers, twee Kuipers, een Bakker, een Stelmaker, een wever.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid van ons dorp zal zeker veel overeenkomst hebben, met die van onze Provincie, en volkomen gelyk zyn, met die, der andere dorpen van deze noordeyke streek. Echter hebben wy opgemerkt, dat de lucht hier altyd wat kouder is dan verder zuid aan; dat de scherpheid van den noordenwind zich hier gevoeliger doet kennen, en dat by avond de lucht hier meestal vochtig en koud is.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

De Hervormde Gemeente dezes dorps, bezit eene kleine, doch reine kerk. Er bestaat mede ook maar ééne school. In den verledenen zomer is hier één leesgezelschap opgerigt. Zanggezelschappen worden hier niet gehouden.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Velen hebben hun bestaan van den landbouw en van de veeteelt, en daarom ook velen van hunnen handenarbeid. - Eenigen vinden hetzelve door den koophandel (in het klein) anderen moeten van hunne handwerken hun onderhoud erlangen, en een paar huisgezinnen winnen gedeeltelyk den kost met visschen. Men vangt hier namelijk een weinig bot, aal en garnaal. - De eenige rentenier in ons dorp is een man van 82 of 83 jaren oud. -

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Derwyl de inwoners van ons dorp, in twee klassen, als: in eene tamelyk beschaafde, en in eene onbeschaafde klasse kunnen verdeeld worden, daarom er ook de platte taal van beiden onderscheiden. Tot de eerste klasse behoort de boerenstand en de kleine burgerstand, en tot de andere klasse, een groot aantal, meest schamele daglooners.
Hoezeer ook de beschaafde inwoners onzes dorps, eenige algemeene gezegden en spreekwyzen, met de minder beschaafden gemeen hebben; hoezeer eerstgenoemden ook van alle taalkundige regelen afwyken, en duizende malen tegen deze zondigen, zoo hoort men toch zelden lompe en onkiesche uitdrukkingen en gezegden door hen bezigen. De taal van deze menschen is dus zeer dragelyk; maar niet zelden moet men de ooren toestoppen, wanneer personen van het onbeschaafde gedeelte het woord voeren. Bij dezen geldt het spreekwoord: “ Een schelm die de minste is”. Wij zullen hier eenige voorbeelden laten volgen. De woordjes bot, dol, razen, omhuur, zyn by velen in menigvuldig gebruik.
Bot wordt in onderscheidene beteekenissen gebezigd; of als byvoeglijk naamwoord, byvoorbeeld Onze Klaas is altied net zoo bot! of als byvoegl. nw. vergrootende, byvoorb. Onze botter is net zoo bot wyk! Wat bin der appels bot: zuur! enz. of als bywoord, byvoorb. eene vrouw die meende, dat een meisje onwaarheid sprak zeide in ons byzyn tegen hetzelve; Doe logste! Ik zel ‘t maar net zoo bot zeggen als 'k ken.
Dol zegt men hier waar anderen raar, zeldzaam, stuursch, leelyk, onsmakelijk enz. zouden gebruiken. - Byvoorb. Zig rais was dat yn dol dyr! Wat lyp daar effies yn dolle hond bi de muilen!, - Fy jonge! Wat bis toe dol!, Wat het dei kerel altied dolle peerden!, - Jaap het maar dolle kedonsels. - Voor een paar weken hoorden wy eene vrouw haren zoon toevoegen, omdat hy eene boodschap vergeten had; 'doe bist ja ein dolle lafscheet'!
Razen gebruikt men hier voor kyven; byv. wat ken dat wief altied bot mit heur lutjejongs razen! (Lutje jongs wordt hier gebezigd voor kinderen van beidertei kunne; de vraag: hoe veel lutje jongs heb zy? - moet men dus verstaan: hoe veel kinderen hebben zy? -)
Omhuur beteekent hier zoo veel als: onrein, vuil slordig. Byvoorb: Wat is G. altied bot omhuur, ik lustte gyn koffi by heur, al hat ' k ook in gyn hyl dag wat hat! Aldus hoort men de oude vrouwtjes wel eens spreken.
Nu en dan hoort men ook wel eens tegenstrydige gezegden bezigen, zoo als; iesselk mooi, - naar geern, - naar mooi. In het volgende gesprek komen deze uitdrukkingen, zoo als zy hier vaak gebezigd worden, voor.
A: Hou wigter! Hel i guster nyt naar bouldag west? -
B: Nee, wie konnen ' t nyt wagten, want wie wassen aan ' t mennen. Wie hebben der anders nog bot tegen schript, maar wie kregen tog nog laat daan.
A: O! Wie wassen ook aan ' t mennen, maar daar gingen wie der gelieke wel om hen.
B: Ja, wie wollen der anders ook net zoo naar geern hen west hebben; maar ons boer zee; ' ' t wark gait veur!'
A: M….'s dochters wassen der ook, o! wat wassen dei ieseliek mooi! is 't ans nyt waar Wigter?
Zij: Ja, en zy wassen baide ook geliek anboed, dat leek den ook zoo naar mooi!
A: Maar wat har dei yn en naar lelke vent! enz.

De woorden gat en bek, komen ook nog wel eens in de gesprekken voor. –

Een man wiens vrouw door kiespyn gekiveld was geweest, vertelde hiervan op de volgende wyze: 'Mien wief had verleden week zoon zeerte in bek, dat zy hoelde ' t oet. - Maar dou ze maar op 't gat veur vuur zitten ging, dou wort vot wat beter. - Mien Mem had ook nog al vaak zoon zeerte, den ging den ook veur ' t vuur leggen, en dat hulp heur ook haast altied.
Meer voorbeelden zullen wy niet bybrengen; want andere gezegden en spreekwyzen die nog meer lomp, nog meer onkiesch zyn, ook op te schryven, daarover zouden wy moeten blozen! - Uit het bovenstaande zal ook reeds eenigzins kunnen blyken, hoedanig hier de platte taal is. Wy hebben alles, in zoo ver namelyk, als wy de spelling aan de uitspraak konden onderwerpen, zoo opgeteekend, gelyk hier werkelyk gesproken wordt; omdat wy meenden, dat men zoodanige beantwoording van de vraag, betrekkelyk de platte taal, verlangde. Indien wy hierin hebben gedwaald, dan hopen wy dat ons dit niet ten kwade moge worden geduid; dewyl wij over dit punt toch liever gezwegen zouden hebben. -

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het algemeen karakter van onze dorpsgenooten is in vele opzigten zeer beminnelyk. Onzes bedunkens zeggen wy niet te veel, wanneer wy hen eenvoudig goede menschen noemen, welke vriendelykheid en gastvryheid byzonder op prys stellen; die orde en regt; vlyt en spaarzaamheid; getrouwheid en standvastigheid beminnen en hoogachten. - Wy hebben ten minste een gedeelte der bewoners als zoodanig leeren kennen.
Het spreekt dus van zelven dat het zeer onaangenaam voor het beschaafde gedeelte van onze dorpelingen zyn moet, en dat hen ook grootelyks onregt aan gedaan wordt, wanneer sommigen zich niet ontzien, om ons dorp Turkije en derzelfs bewoners Turken te noemen; dewyl zy daardoor willen te kennen geven dat Andels ingezetenen in ruwheid, domheid en in andere opzigten, naar de inwoners van Turkye gelyken.
Wij kunnen echter ook niet ontkennen, dat hier ook een aantal der inwoners bestaat, hetwelk die goede hoedanigheden van het beschaafdere gedeelte mist; maar integendeel, onverschillig, eerloos, woest en ruw is, dat beschaving en verbetering, als ydele klanken in den wind slaat, en in kerk noch kluis zich laat zien. -
Dit slag van menschen, verkeert meestal in de bitterste armoede, hetwelk wy als een der eerste oorzaken van hunne ontaarding aannemen. - Immers hunne ouders waren even arm als zy zyn: aan hunne beschaving en verbetering is daarom ook weinig of niets mogen wy zeggen te koste gelegd. -Thans zyn er ook nog vele ouders, welke hunne kinderen van alle onderwys laten versteken blyven, en die nog nimmer een enkelen penning voor Schoolgelden etc. hebben uitgegeven. - Er zyn er wel 25 a 30 zoodanige schoolpligtige kinderen, welke nog nimmer eenen enkelen dag ter school zyn geweest. De pogingen door ons ten baate van deze kinderen aangewend, hebben geen gelukkig gevolg gehad. Indien andere middelen, welke aangewend mogten worden, geene gunstigere uitwerking hebben, dan zal algemeene beschaving, hier nog lang onder de vroome wenschen moeten gerangschikt worden.
De levenswyze en gewoonten van boer en burger verschillen in eenige opzigten van elkander. By gene, byvoorb. is de tyd van opstaan in den zomer of in drukke tyden te 3 of 4 uren; terwyl deze zelden te 4-, maar meer te 5 of te 6 uren opstaat. - In den winter is dit verschil nog al grooter; want dan kunnen de boeren ook al niet later dan in den zomer opstaan, maar de burgery doet er dan nog wel eens een uurtje bij.
De meeste boeren hebben een zoogenoemde Wekker by de bedden van hunne knechten hangen, en dan moeten deze op de waak passen gelyk men zegt. Dit is vooral in den winter van belang, want in den zomertyd kunnen de boeren zelve vlug uit het bed komen, en de meesten zyn alsdan by den algemeenen opstand van hun volk ook in de schoenen; doch des winters slapen zy langer. -
De tyd van ontbyten is hier by ieder, winter en zomer tusschen 7 en 8 uren, by velen Brytyd genaamd. - Het middageten is te 12 uren gereed, en des avonds, te 6 uren in den zomer, en te 5 uren in den winter, is het by den boer tyd, om het avondeten te nuttigen. Bij de burgery geschiedt dit niet voor 6 of 7 uren. Te 8 uren wordt er byna by elk een kopje koffy gedronken, en te 9, - of ten langste te 10 uren, begeeft alles zich ten ruste. -
De vermaken en uitspanningen welke men hier geniet, bestaan in het ter kermis gaan; in het bywonen van harddraverijën en van de zoogenaamde boeldagen; in het bezoeken van familie of vrienden; in het houden van eenen rid of eene wandeling. - De Warffummer-kermis is hier inzonderheid geacht, en wordt telkens van jong en oud bezocht.
De wyze van bezoeken heeft hier iets stootends, en eene zekere styfheid. De dag en het uur, byv. waarop men iemand zal komen bezoeken is aan partijen bekend. Op zulk een bepaald tydstip dan is alles in eene goede orde; de stoelen zyn geplaatst; pypen en tabak liggen gereed, en na wederzydsche groete, wordt men met een slokje jenever of brandewyn verwelkomd. - De groeten zyn veelal gelyk. Men zegt eenvoudig Gouden dag! - Hou gait, binje nog zond? Waarop geantwoord wordt; nog goud, - of, zoo wat henhou gait ' t joe? - De gesprekken op zoodanige partyen gaan dikwyls over beroepsbezigheden; over dagelyksche voorvallen; over koeijen en paarden, etc. en deze laatste inzonderheid worden wel eens vervelende. Te 5 a 6 uren wordt er koffy gedronken; en daarna nog al eens een snapje genomen. Te 8 uren kan men zich op een boterham en chocolade vergasten, en na geeindigden maaltyd is het ten naasten by 10 uren, als wanneer sommigen nog eerst koffy en dan een bittere klokje tot afscheid drinken; maar ook anderen welke de koffy achter wege laten, en alleen het laatste voordienen. - Dikwyls is het 11 uur, voor men aan scheiden denkt. Deze wyze van bezoeken noemt men Visite, en die veelal op zondag, des namiddags, te 4 uren plaats hebben; doch heeft men, in stede van een boterham met chocolade te gebruiken, een warmen maaltyd gehouden, waarop onderscheidene spyzen zyn genuttigd, dan heet het Gastery. Deze worden meer op andere dagen gehouden.
De byzondere Gasteryen en viciten der vrouwen gaan wy met stilzwygen voorby.
Men heeft ook nog eenvoudige chocolade partijen, welke des avonds na den eten gehouden worden; deze heeten dan Avondpraatjes, ofschoon er ook vele avondpraatjes voorvallen, waarbij juist geen chocolade; (gedronken wordt,) maar alleen een kopje koffy gedronken wordt.
Spek, vleesch en bry wordt hier onder den boerenstand veel gegeten. Spek en vleesch eet men by de meeste boeren twee maal des daags als: des middags en des avonds, terwyl men niet alleen des morgens by den boterham, maar ook des middags en des avonds bry opdischt. By de burgery, en ook bij eenige boeren eet men niet meer dan een keer elken dag spek en vleesch, en bry in eene mindere mate. - Het boeren werkvolk weet by kans van iedere huishouding hoedanig er de tafel gesteld is. De beste boer en vrouw zyn zy, die het meeste spek en vleesch geven. ' Dat bin beste menschen' zegt het volk dan, ' dei hebben nog wat veur heur volk over!' Die boeren by welke men maar een maal des daags spek en vleesch te eten krijgt heeten gierig, en men hoort dan wel eens klagen, dat het er zoo slecht van eten en drinken is!
De gebruiken van het trouwen baren hier volstrekt geen opzien. Alles gaat hierby met de Stille trom toe. Bruid en Bruidegom, benevens eenige getuigen, begeven zich te zamen naar het Gemeente-huis. Aldaar moet dan, om zyn fatsoen te houden, nog al een stuivertje worden verteerd. - Vervolgens worden de Ondertrouwden door den Burgemeester in het huwelyk bevestigd, en daarna spoedt men zich weder huiswaarts. - Te huis houdt men een min kostbaren maaltyd, en dan gaat ieder naar de zynen. Kerkelyke vereeinigingen hebben hier zeldzaam plaats.
De begravenis-plegtigheden zyn hier meer uitgestrekt. Het zal welligt onnodig zyn te zeggen, dat men, voor en aleer een lyk ter aarde wordt besteld, een paar maal om het Kerkhof loopt; dat gedurende dezen tyd de klokken- of de klok wordt geluid en dat men bij het verlaten van het kerkhof aan den armen gedenkt! - Onder den gegoeden stand, worden, behalve de familie, ook den Predikant en de Kerkenraad, twee, vier of meer naaste Kluftsburen, en een of ander goed vriend, by zulke gelegenheden ter maaltijd genoodigd. De maaltyden zijn dan wel eens groot en kostbaar, en kok en schaffer leggen daarby hunne kunst en bedrevenheid aan den dag. - Diegenen der kluftsburen, welke niet den middagmaaltijd mede houden, worden verzocht om tegen den avond ( 5 á 6 uur) in eens nabuurshuis, of wel ook aan het Sterfhuis, te komen, ten einde aldaar wat bier te drinken. De meesten van hen laten zich dan ook op zoodanig Bier vinden. By minder gegoede lieden, dit spreekt van zelven, zyn de tafel en andere dingen, meer eenvoudig. Een boterham en rystenbry zyn daar de hoofdzaken. Men heeft hier ook nog eene andere bierdrinkery, onder den naam van Koolbier. Er zyn hier namelyk eenige personen, welke een raapzeil (koolkleed zegt men hier) met toebehooren bezitten, om raapzaad op te dorschen. De boeren accorderen dan met zoodanigelieden, voor eene zekere som gelds en wat jenever, om hunne rapen (kool) aftedorschen. - Deze aannemers huren dan weder eenige en zoo veel arbeiders in, als zy nodig oordeelen. Wanneer het dorschen in het dorp geheel afgeloopen is, dan komen de boeren en de dorschers, veelal met hunne vrouwen, by den aannemer, op eenen daartoe bepaalden avond, byëen. De boeren betalen dan hunnen man, en worden getracteerd op bier. Daarna ontvangen de dorschers hun loon van hunne zoogenaamde zeilbazen, en drinken bier. Dit duurt tot het vat geledigd is. Niet zelden heeft dan de zeilbaas nog eenige stuivers in den zak, die hem tot drinkgeld gegeven zyn. Dit geld, waarby ieder nog eenige centen opschiet, dient dan, om daarvoor nog eens een glaasje jenever tot afscheid te drinken. De vrouwen echter houden dan meer van een weinig brandewyn met suiker. - Het zal niemand verwonderen, dat op zulk een Koolbier, de goede lieden uit spoor raken.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Van al de onderscheidene wegen alhier, hebben wy nog geene melding gemaakt. Daarvan dan eerst een woordje. -
Behalve de Oosterweg en het smal wegje, (het Oude dykje genoemd) waarvan wy reeds gewaagden, zyn hier nog andere wegen, welke byzondere namen dragen. - Er zyn twee wegen onder den naam van Oude weg. Een van denzelve loopt van het zuidelyke deel onzes dorps, bylangs den Ouden of Andelster Togt, tot aan het zoogenaamde Meiland, (Meeden onder Raskwerd behoorende) en van daar oostwaards op, en komt dan niet ver van het Fiel op den tegenwoordigen rydweg. Men zoude denzelven thans de groene weg kunnen noemen. -
De andere Oude weg is op het Uiterdyk. Voor het jaar 1811 was dezelve de Kwelderweg. Hy is zeer breed, en wordt thans bebouwd. Hij heeft zynen uitloop bij de Dobben. Verder heeft sedert 1811, op het Uiterdyk bestaan, de Nieuwe weg, welke gedeeltelyk van de aldaar zynde Oude Weg afgegraven, en gedeeltelyk nieuw aangelegd is. Hy loopt van den Ouden dijk tot aan den Middeldyk.
Het zoogenaamde Wegke loopt van het Hoogtje tot digt aan het Bosch. -
Op den Polder bestaan, behalve de Polderweg, bylangs het kanaal, drie wegen, welke ieder van af den Middel-, tot aan den Polderdyk strekken. - De eerste of het westelykste heet Laan, vaak Jan Rentjeslaan genoemd; de tweede of middelste heet Broedersweg, en de derde of oostelykste draagt den naam van Lot-vensters-weg.
Laatstgenoemde twee wegen hebben hunnen naam te danken, aan eene oude vernuftige vrouw welke op de boerdery Dobben heeft gewoond. - Het grootste gedeelte van het land, namelyk, hetwelk aan de Broedersweg ligt, is lange jaren een eigendom geweest van twee personen, welke tot het Doopsgezinde Kerkgenootschap behoorden, en van welke een op de aanzienlyke boerdery Smeersum, in de Gemeente van Warffum, en de andere op de plaats Oude Holm, onder Saaxumhuizen behoorenden, hebben gewoond. - De oude vrouw heeft daarom dezen weg, het eerst de Broedersweg genoemd, en heeft bij dezen naam altijd behouden. -

Het land aan beide zyden van de Lot-vensters-weg, behoort aan onderscheidene personen toe. Voor de indyking van den Polder had men daarvan een gemeenschappelyk gebruik. Toen echter werd hetzelve met slooten doorsneden, waardoor men dus verschillende stukken of vennen lands bekwam. - Vervolgens besliste het lot welke vennen ieder als zyn eigendom konde aanmerken. Dit alles waren voor de oude vrouw genoegzame redenen, om den weg, bylangs deze vennen, Lot-vensters-weg te noemen. Omdat deze naam aan alle Lieden zeer gepast voorkwam, is aan denzelven dan ook het burgerregt toegestaan. -
Een vertelseltje van eene Spookverschijning of zoo iets tenminste, kunnen wy mededeelen.
Voor omstreeks 50 jaren was eene oude vrouw Betje genaamd, en woonachtig by den Ouden dyk, laat op eenen avond, (tusschen 11 en 12 uren) van de Streek, naar huis gegaan. Zy was het kerkpad geloopen. Ongeveer bij het Oude dykje was haar eene witte gedaante, welke daar al meermalen was waargenomen, ontmoet. Betje had heel driestelyk aan de gedaanhte gevraagd: ' Wat doet gy hier te loopen?'! - ' Och' ! had het Spook geantwoord, ' ik moet hier wel wezen want ik heb hier wat beloofd te geven, en heb het niet gedaan.' - Daarna had men het gesprek op de volgende wyze vervolgd:
Betje: Wat hebt gy dan beloofd te geven?
Het Spook: Och! een half mudde rogge.
Betje: Aan wien hebt gy dat beloofd?
Het Spook: Aan…..
Betje: Kom aan, dan zal ik dat wel voor U te regt maken.
Het Spook: Goed
Betje was toen naar huis gegaan; had na weinige dagen hare belofte vervuld, en het Spook was er ook niet meer gezien. ' Nu'! Zeide men er toen nog by, ' dat is waar gebeurd' !
Onze kerk heeft de gedaante van eenen regthoek, en heeft thans ééne deur in het westen. - Oude lieden vertellen soms, dat zy wel eens gehoord hebben, dat er eertyds nog twee andere deuren, aanwezig waren geweest, als: eene naar het zuiden, en de andere naar het noorden, en dat de zuiderdeur, Bruidsdeur was genoemd geworden. - Deze deur was alleen by huwelyksverbindtenissen geopend geweest, en bruid en bruidegom waren door dezelve in- en uitgegaan. -
In de muren der kerk zyn de plaatsen nog wel te zien, alwaar genoemde twee deuren dan geweest moeten zyn. Er is echter niemand in ons dorp, die dezelve er gekend heeft. -
Eene streep op het kerkhof, ten zuiden van de gedachte Bruidsdeur, ter breedte van een grafstede in de lengte, heet thans nog de Bruidsgang, en dient tot eene begraafplaats voor de armen en voor de dienstbaren. -

Zoo ver men weet zyn in ons dorp wel geene beroemde en uitstekende mannen geboren; maar vele nog levende personen, hoort men toch dikwyls loffelijk gewagen van eenen voormaligen, zeer geliefden Godsdienst-Leeraar dezer Gemeente, die haar op den 3 November 1808, door den dood werd ontrukt. - Op het Koor van onze kerk is het grafstede van wylen dien, nu zaligen Leeraar, door eene kostbare zerk, waarop een vierregelig versje pronkt, bedekt. Wy kunnen niet nalaten dit fraaije versje, hier af te schryven.
Hetzelve luidt aldus:

Hier onder rust een waren Godsgezant
Die Godsvrucht, deugt, aan liefde paarde;
Zyn ziel, verhuisd naar beter Vaderland
Liet hier het stoflijk deel aan de aarde.

Het zal voor den Wel Edelen Zeer Geleerden Heere, M.J. Adriani, niet noodig zijn om den naam van zijn Wel Eds. Vader, den door ons bedoelden Predikant dezes dorps te melden. Zijn Wel Edele neme het ons echter niet kwalijk, dat wy 'S Mans naam: PETRUS ADRIANI, er nog by voegen.

Dat ons werk nu de goedkeuring der Commissie van Onderwys in den Provincie Groningen, moge wegdragen, is de wensch van

den School-onderwyzer te Andel:
H. Blaauwpot.