Zoek op de website

Dorkwerd

Gemeente Hoogkerk

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam van myne woonplaats is Dorkwerd. Het dorp Dorkwerd grenst ten noorden aan Wierum, ten westen aan Leegkerk, ten Zuiden aan Hoogkerk en ten Oosten aan Noorddyk, Adorp en Wierum. Het heeft de gedaante van een onregelmatig vierkant, gelyk de hier nevens zynde afbeelding aanwyst. Ik heb het geheel omtreden en ieder schrede op 7½ palm gerekend, en daarna heeft de noordelyke, in het Zuidwest loopende zyde eene lengte van nagenoeg 1050 Nederl. Ellen. De Westelyke, zich loodregt in het Zuiden wendende zyde heeft de lengte van 1650 Ned: Ellen. De in het noordoosten oploopende Zuidzyde heeft eene lengte van 2100 Nederl. Ellen. De in eene byna noordelyke rigting loopende oostzyde heeft de lengte van 2475 Nederl. Ellen. Dus zou naar deze berekening de vierkante inhoud nagenoeg 428 Bunder 82 vierkante roeden bedragen. Echter wil ik voor de juistheid deze opgave niet verantwoordelyk zyn; doch veel zal er zeker niet aan schelen. In dit dorp staan slechts 17 huizen, in welke 117 inwoners wonen. Het getal door den grond gevoed wordende runderen, zoo groote als kleine, bedraagt dit jaar 254, het getal paarden 55, het getal schapen 251 en het getal zwynen 31.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Men treft hier noch gehuchten noch buurtschappen aan.
De naam Dorkwerd komt hoogstwaarschynlyk van de Wierde van Dirk, welke persoon mogelyk de eerste eigenaar dezer wierde was, of er het eerst zyne woning vestigde. – De Vriezen schryven dezen naam nog met eene U – zoo als zy gehoord wordt in de woorden: turf, kus enz. – doch in de uitspraak klinkt zy in het woord Durk iets helderder, en volmaakt gelyk de duitsche ö, en het is zeer waarschynlyk, dat men dezen eigen naam weleer ook met deze letter geschreven heeft. Deze klank is nog, in de platte taal, in het woord Dorkwerd bewaard gebleven; want men hoort het nimmer met de heldere o. – zoo als die gehoord wordt in de woorden vos, los enz. – uitspreken, maar altyd met de ö b.v. Dörkwerd. Naderhand heeft men, waarschynlyk, of uit haast, of uit achteloosheid het teeken boven de ö weggelaten, en zoo doende den naam dezer plaats in Dorkwerd hervormd.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan de kerk te Dorkwerd wordt geene duf- of duifsteen gevonden. Aan het Westeinde der kerk hangt slechts ééne kleine klok, welke het volgende opschrift heeft:
1749 Fudit. J. Borchardt Groningea Joseph Trip. Collator.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De oostzyde van Dorkwerd wordt door de aldaar in eene noordelyke rigting loopende Hunze bespoeld, welke zich by de Zoutkamp in de zee ontlast en de westzyde van Dorkwerd wordt door een oud maar, hetwelk thans dient om het water naar de molen te leiden, bepaald. Dit maar neemt te Leegkerk by het zoogenaamde kleine Waschhuis, aan het Aduarderdiep gelegen, zynen aanvang, loopt in eene oostlyke rigting tot aan de grenslyn van Dorkwerd, loopt dan tot aan den zoogenaamden lagen weg bylangs Dorkwerd in eene Zuidelyke rigting en strekt zich daarnaar, met denzelfden loop, naar Hoogkerk, tot aan den trekweg, alwaar zy den naam van het Klyfdiep draagt, welke naam zeker ontleend is van de kleine Sluis of klyf, welke hier wel eer by den trekweg in dit diep lag.
Stroomen, kolken of diepen worden er niet gevonden.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Noch werkelyke, noch droog gemalene meeren treft men hier aan.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De kerk te Dorkwerd staat op eene wierde, welke, gerekend boven het nulpunt van de Groninger Sluis, de hoogte van 4.43 Nederl. ellen heeft.
De lengte van deze wierde van haar oostelyk begin tot aan het hoogste punt van dezelve bedraagt 79,88 ellen van haar begin in het west tot aan het hoogste punt 84,88 – Van haar begin in het noorden tot aan het hoogste punt 67,86 – en van haren aand. in het zuiden tot het hoogste punt 109,98 –
De vierkante inhoud dezer wierde bedraagt nagenoeg 3 Bunder.
Nagenoeg 1000 Ellen ten Zuidwesten van de kerk te Dorkwerd vindt men eene andere wierde, die Kleiwerd, of, zoo als de landlieden hier zeggen, Klaiwerd genaamd wordt, welke naam zeker van den kleiachtigen grond dezer wierde ontleend is. Zy heeft de hoogte van nagenoeg 2,92 ellen.
Van haar noordelyk begin tot het hoogste punt 26.05 –
Van haar begin in het Zuiden tot het hoogste punt 93,95 –
Van haren aanvang in het Oosten tot genoemd punt 46,90 –
en van haar Westelyk begin tot aan het hoogste punt 32,17 –
Deze wierde heeft eene nagenoeg ronde gedaante, en als men haar als een volkomen rond aanmerkt, eenen vierkanten inhoud van 79 vierkante roeden, 22 vierkante ellen, en 88 vierkante palmen.
Er staan geene woningen op deze Wierde, doch aan de Zuidzyde staat ééne en aan de Oostzyde dezer wierde mede eene boerenwoning.
Ook treft men te Dorkwerd nog hier en daar een opgeworpen heuveltje aan, welke blyken dragen, dat zy, of tot standplaatsen van huizen, of tot die van molens gediend hebben; doch deze verdienen geene beschryving. Andere dyken dan die, welke de Hunze ten Oosten en Westen bepalen, worden hier niet gevonden. De genoemde dyken hebben hier nagenoeg de hoogte van 4,60 ellen. Daar zy geheel Dorkwerd ten Oosten begrenzen, zoo is hunne lengte straks by de beschryving der Oostelyke grenslyn reeds opgegeven. Gasten, warven, essen of aanmerkelyke hoogten treft men hier niet aan.

7. Welke bosschen zijn daar?

Daar de grond hier tot aankweeking van geboomte niet zeer geschikt is, zoo treft men hier geene byzondere bosschen aan.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Aan delfstoffelyke voorbrengsels is deze gemeente zeer arm, dewyl zy niets anders van dien aard voorbrengt, dan geschikte klei, om er steen en pannen van te bakken.
De voornaamste voortbrengselen uit het plantenryk zyn: onderscheidene soorten van paddestoelen, vergiftige en niet vergiftige, doch geene eetbare, flap, kroost, aardmost, boommost, weegorie, blik hondetong, zeer veel witte en roode klaver, riet, smeerraai, meelraai, zwengel, kweekgras, een weinig rog, zeer weinig tarwe, vry veel haver, paardeboonen, duiveboonen, een weinig raapzaad, onderscheidene tuinvruchten, te veel om te noemen, slechte aardappels, in geen grooter hoeveelheid, dan tot eigen gebruik, een weinig aalbessen, kruisbessen en frambozen, een weinig appels peren, pruimen, kersen en nooten, verder wilgen, elzen, esschen, ypen, kastanje en eiken boomen enz.
De voornaamste voortbrengselen uit het Dierenryk zyn de volgende: gewone wormen, daauwwormen, maden, torren, zeer vele vliegen, muggen en vlooÿen, verder: baars, zeer veel kwab- en ander aal, voren, karper, sly, snoek, zeer vele kikvorschen, padden en hagedisschen, verder: zwanen, ganzen, eenden, duiven, hoenders, valken, uilen, sperwers, eksters, koekoeken, zwarte kraaÿen, raven, reigers, zeer vele ooÿevaars, kievitten, grieten, steltenaars, kappers, watersnippen, musschen, zeer vele spreeuwen, boschvinken, vlasvinken, distelvinken, cysjes, roodborsten, hofzingers, vledermuizen, verder: zeer vele en vette zwynen, bokken zeer vele schoone, vette, en veel melkgevende runderen, vele schoone en sterke paarden, een buiten gemeen groot aantal groote, schoone, veel melk en wol voortbrengende schapen, katten, zeer groote, kwade, sterke en schoone bulhonden of doggen, wyders eenige andere soorten van honden, zeer vele mollen, ratten en muizen, egels, een weinig hazen, zeer veel tamme konynen, enz. enz.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond is hier van het noorden naar het zuiden een weinig afhellende; ook is het noordelyk deel vruchtbaar, dan het zuidelyk deel. De grond bestaat er uit eene laag teelaarde met klei gemengd van nagenoeg eenen halven voet; daarna ongeveer eenen voet blaauwachtige klei of ook wel op sommige plaatsen rooddoorn, en dan volgen er eenige voeten witachtige klei, met zand gemengd. Deze met zand vermengde klei soort is, na dat zy eene wyle tyds aan de werking der lucht en zon is blootgesteld geweest, zeer vruchtbaar en gemakkelyk te bebouwen. Zy wordt hier door de landlieden woelaarde genoemd. Om eene genoegzame hoeveelheid van deze aardsoort met de teelaarde te vermengen, graaft men hier groeven, ter wydte van vier of 5, en ter diepte van 5, 6 of 7 voeten, regtstandig naar beneden, somtyds rond om een geheel stuk lands, of ook wel waar men dwarsgoten wil hebben, dan brengen de landlieden deze aardsoort over het land, vullen de gemaakte groeven gedeeltelyk met de bovenste slechtere aardsoort weder aan, brengen alzoo het landgoed op afwatering en maken hetzelve voor de aankweeking van onderscheidene graan- engrassoorten geschikter. Deze werking noemen de boeren hier, niet oneigenaardig, woelen.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Schoone kunsten worden hier in het geheel niet beoefend, en slechts achterlei werktuigelyke – of loonkunsten t.w. – landbouw, veeteelt, koophandel, timmeren, byenteelt, naaÿen, spinnen en breiden.
Aan de beoefening der Wetenschappen besteedt men hier weinig tyds. Wysgeerige Wetenschappen worden er niet beoefend en van de Wetenschappen der ervaring slechts een weinig van de Orthodox gereformeerde Godgeleerdheid. –

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken en Trafyken worden hier niet gevonden en handwerken weinig uitgeoefend.
Men vindt hier 13 boeren, 2 boerenarbeiders, een herbergier,, 2 slagers, één onderwyzer der jeugd en een timmerman.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De lucht is hier even als in het geheel noordelyk gedeelte dezer Provincie, door de nabyheid der noordzee, zeer veranderlyk, hetwelk by de inwoners niet zelden zware en langdurige verkoudheden en andere ziekten voortbrengt. Ook is de avondlucht hier in den zomer door de uitwazeming van het stilstaande en onzuivere water der slooden, zonder twyvel voor de gezondheid zeer schadelyk.
Het water is hier in de slooden, over het algemeen slecht, onaangenaam van reuk en walgelyk van smaak, er wordt geen een put gevonden, die voor den mensch drinkbaar water oplevert.
Het slechte water hier brengt mogelyk wel iets toe tot de langdurige en veelvuldige koortsen, waarmede de inwoners van dit dorp verschrikkelyk gekweld worden.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er bestaat selchts ééne kerk, voor de zoogenaamde Gereformeerden, waarin m den derden zondag de godsdienst wordt uitgeoefend, dewyl deze plaats kerkelyk met Wierum vereenigd is, op welke laatstgenoemde plaats de predikant woont, doch thans is het plan ontworpen en reeds door den Koning goedgekeurd, om de kerk en pastory van Wierum af te breken, eene nieuwe pastory op de Wierde te Dorkwerd te plaatsen, dan alleen in de kerk te Dorkwerd, welke nagenoeg op het middelspunt der beide Gemeenten staat, alle zondagen de Godsdienst uit te oefenen en alzoo de beide Gemeenten in één te smelten.
Er staat eene school, waarin de kinderen van Dorkwerd, en dat gedeelte van Wierum, hetwelk aan de Westzyde van het Reitdiep ligt, onderwys ontvangen. By deze school is geene woning voor den onderwyzer.
Het tractement aan den onderwyzers post verbonden bedraagt ƒ 80 – en het getal van de hier ter school gaande kinderen bedraagt thans 50. Er bestaat een half leesgezelschap en des winters een zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de herbergier, die ook het timmeren en den landbouw uitoefent, en de beide slagers, welke den meesten tyd ook de Landbouw en de Veeteelt uitoefenen, zyn de inwoners dezer plaats alle, of boeren of boeren arbeiders, welke hun bestaan vinden in landbouw, veeteelt, Koophandel en een weinig byenteelt.
Ieder is hier vlytig in zyn beroep, niemand gaat gebukt onder den last der zorgen voor de zes eerste levenbehoeften en de beide tegen elkander overstaande uitersten; – groote rykdom en drukkende armoede, zyn hier onbekend.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hoe meer men de oostelyke grenzen dezer Provincie nadert, hoe duidelyker de overeenkomst van de taal der inwoners, met die der Nedersaksische op te merken is. Ook de taal van de inwoners dezes dorps kan men de overeenkomst met de opgenoemde niet ontzeggen, het geen uit de volgende voorbeelden blyken zal.
Vooraf moet ik echter aanmerken, dat ik de letterfiguren even zoo teeken, en er derzelfden klank aan verbonden wil hebben, als zy in de Natuurlyke Leesleerwyze van den Heer Rykens gebruikt worden; dewyl het anders onmogelyk is, om alle woorden hunner platte taal juist en zuiver voor te stellen.
Omdat de veehandel het meest geliefkoosde middel van bestaan voor de inwoners dezes dorps uitmaakt, zoo wordt er zelden in hunne byeenkomsten over iets anders gesproken, dan over alles, wat hiermede in verband staat, en het is daarom, dat ik, om het natuurlyker te krygen een gesprek van eenige landlieden over den veehandel, tot voorbeeld gekozen heb. Men moet zich dan verbeelden, dat drie boeren, tw. Jan Geert en Klaas bij hunnen nabuur Pieter komen op eene avondvisite.
Zy kloppen aan de deur, en Pieter doet hen denzelven open.
Allen. Göuden öavond Peit!
Peit. Göuden öavend, volk!
Allen. Höu gait ’t joue?
Peit. Nöu nog al zoo wat, möar ‘k heb van daag den ’n
ofgestompten kopzeerte had.
Jan. As joe dat weer óver komt, dan möÿe töu gäan en döun en
kladblad öp de kop, en den de kip er digt öp; dat is ieselke best!
Peit. Nöu, dat zel ‘k önthollen. Ik kwam gus-tröavend van ’t
beustemart tuus, en ‘k had de heile dag, mit dat loopen ien ‘n mödder, natte vöuten: ik denk, döar zel ’t wel van döan kómen wézen.
Jan. Jöa, en och jöngn! men stait döar den zoo’n heile dag öp ’t
mart te löngren, en men het den zien gerak lagn zoo neit as ’t uus.
Geert. Jöa, en ’t was guster ok toch verdölde roezeboezig, mit regen
en wiend en zoo, en ’t was ok dúvekers kold ok.
Klaas. (Schertsend) Jöa, en dan löat ien ’n nacht ’t uus komen, en den ’n beetje doen of halfzeuven der bie; want dat ken ost neit anners öp zoo’n mart, kiek, men stait den zoo’n heile dag döar, en den bibbren van kolle, dat ken ok neit: den zöpt men al zoo toerloers de heile dag zoo’n beetje an, en döar kömt gein éten ien; den möut ’t op ’t lest wel zoo worren. En den des annerdöags, den is Holland ien last: den zeeren van köpzeerte.
Peit. Jöa, möar née döar ken ’t mit mie nöu neit van döan kómen,
want ik heb van d’heile dag möar ’n wissie-wassie janéver had, en döu mie ’s nöamiddags de möag ’n beetje öp eine zied begun te hangen, heb ‘k en brug mit ’n tweibak kost, en döar heb ‘k wat bier töudrönken.
Jan. Ben jie der guster ok mit vei west, Geert? ‘k heb joe heilendal
neit zein.
Geert. Jöa, ‘k heb ‘r mit ’n stuk of wat hégers hin west, dei mie eigenlick te min wassen om öp te zetten; möar ‘k heb jamk gein kooplú had.
Jan. Wöar heÿe stöan?
Geert. Döar öalingn öp ’t en van ’t möager mart, döar stöm van
allerlai koeskas deurnkanner.
Klaas.  ’t Vette göud zit op zien gat, heur! ’t wordt stinkvis.
Peit. Né, zoo slim is ‘t nog neit. De puukvetten gellen nog rédelke
priezen, möar zoo ’n halfvet deir ken je veur ‘n prikkedil koopen.
Geert. De vetwaiders kriegen ‘r van ’t joar wat öm, heur! want ’t
guste göud was vléden mai neit göudkoop, en as ze tegenwoorig twee blanken veur zolle pönd géven, den stinnen ze al: dat liekt já niks!
Jan. As dat nait anners wordt, den zigt ‘r mal uut, heur!
Klaas. Jöngen! veur jöaren, döu was ’t vetwaiden ’n lust! döu
buitelden ze möar óver de kop, d’ ein bie d’anner!
(hiermede willen zy zeggen, dat de verkoopprys het dubbel der inkoopprys bedraagt.)
Peit. As de Steinwiekers neit kömen, den wordt ’t neit beter; want
doar is ’n mal bult göud van ’t jöar.
Geert. Guster mös ‘k lakken! Daar was de kuster van ’n H.... dei had
zoo’n stuk ien ’n buus van ’n köuke, en dat röb verkofter döar an zoo’n köale heer, wel de helfte te duur; möar döu ’t öp ’t stuk van de zöak uutkwam, had manheer gein geld. ha! ha!
Peit. Nöu, höu gingn dat döu?
Klöas. ja! höu zöl ’t göan wezen! Zei hebn ’n heile toer tégen kanner
stöan te heerweeren en te helbellen en kanner de pökkel bröaf völ schöllen en de kuster is mit zien jakkepoes meer nöa huus krust.
Jan. Dat was ok neit vry van kullen!
Geert. Mie dunkt, de kuster maakt ök mit al dat koopmantjen neut
veul ágentuur: hei zel dat beetje geld, dat er arft hat, wel gauw verdockteren, en den is ’t er weér zoo arm as ’n loes.
(Piet heeft intusschen de flesch met jenever op den tafel gehaald en schenkt eens in.)
Peit. As ’t joe bleift, Klaas!
Klaas. Wel bekoom ’t joe! (Zy drinken rond.)
Peit. Smook as an, volk! op en gieseling past een brandmark! ha,
ha!
Allen. Já, Kom löat ons dat ais döun! (Zy steken aan)
Jan. As kusters begunnen te koopmantjen, den ben ze al veur de
poes, want zei hebben d’er vöak net zoo veul verstand van as de möt van ’t haspelen.
Geert. Já, möar hei anners neit mak: hei is veur ein gat neit te vangn
döar twei ben, heur! Ik verzéker joe hei ken ’n woord döun as ’n adveköat ien de kakstöul.
Klaas. Já, möar ’t is veur ’n kuster zoo verkeerd as ’t viefte rad ien
’n woagen. Ik zeg altied: en pestoor mout höm oppe stúdeerköamer, en ’n kuster ien ne schöul höllen.
Peit. Welzéker!
Jan. ‘k Heb gus-tröavend nog ’n goÿe koop döan, dunkt mie. ‘t
was al löat en ‘k zöl mie zoo uutböÿen. döu komt Knels döar nog deur re weg pöazen mit ‘t ’n pran köÿen. – Döar had er ein zoo ’n luttik poedeltje bie, möar ’t dingn was rain vet; zoo vet as mödder. Döu zegt er zoo uut gekhaid tegen mie, of ‘k höm dat prúgel neit afkoopen wöl. Ik zé tegen hom: jongn! ‘k heb zulf de pei al völ; möar aisch as geld! Näu, zegt er tegen mie, asse mie veirtig gullen gefse, den zelte geluk hebben. Ik zeg öp ’t oogenblik, den neem ‘k ’t öok nöar an! Mie dunkt ost, döar höal ‘k en neÿe jak of.
Geert. Döu zel er wel kel worren wezen!
Jan. Já, hei word er al wat sloeg van. Döu zat wie nog wat hin te
reuteln, öp ’t lest ben we ök nog an ’t búten west.
Klaas. Wat heÿe buut?
Jan. ‘k Heb ’n enter peerdje verbuut an ’n twinter.
Klaas. Wat veurn is dat?
Jan. Dat ‘s dat broentje, dat ‘k van Bes koft heb döu ’t vool was,
veur twintig gullen.
Klaas. O juust: joen beppe wol ’t nog mit alle alle geweld hollen, om
dat ’n jonk van dei olle bleste meer, van dei lockhals, was.
Jan. Krekt! dei is ‘t. Mie dunkt ik heb ’n föÿe buut doan.
Peit. Wat gaf ie töu?
Jan. Raad rais?
Peit. ‘k weit neit: dartig gullen?
Jan. Né: net oppe kop of – twintig!
Peit. Nöu dat ’s best heur! Joen deir was ok langn neit geefne?
Jan. He?
Pieter. Ik zeg: joen entervool had wis ök spatten?
Jan. Wel jöa! ’t had ’n spat as ’n köu.
Geert. Ik weit zéker neit, höu dat je zoo mit dei Knels können: het is
anners en regte kniesoor.
Klaas. En Kai is altyd zoo gierig as ’n pöd.
Jan. Já, dat is ’t er ök; möar hei was nöu guströavend heil trankiel.
Hei wöl zien möt mit biggen ök wel an mei verbuten, veur twei olle ooischöapen, mit het touwke en ’n beste weer; möar ik had zien deiren neit zein: ik zé tegen hom: né, ik wil gein kat ienne zak koopen. En boeten dat schikt mie dat göud tegenwoorig doch niks; want het zoad is mooi gellig, en ik heb er gein zoepen töu, van belangn.
Geert. Döar kwam ie äarig bie rompslömp an!
Jan. Dat kwam ik ök, Geert!
Klaas. Ik heb guster ök ein van mein voalmelken verkoft, dei
zwartbein.
Peit. An wel?
Klaas. An ne Jeud, dei hier vust lopt. ’t was töaitip, heur! Ik aiste
vieftig gullen. Döu ik dat dé begunde de jeud te grimlakken. Ik zé: nöu? scheelt dat nö zoo veul?
Hei bood mie eerst dartig gullen; möar wie hebben doch zoo lank mit em kanner lult, dat hei bood veirtig. Ik zé: nöu, läat ons nö de lop deurscheuren, en döar is ’t döu ok öp angoan.
Geert. ’t was wis al ’n olle knabbus?
Klaas. Já, van ’t zeuvende kalf. Mien wief wol om nooit missen, om
dat er zoo ’n schoon jöar onder zat; moar nou bleef er van ’t jöar gelukkig gel; nöu mös hei den van zulf lans; möar ’t wief muide ’t nog, om dat ’t zoo ’n beste melklap was.
Jan. Ik heb lest mien schöapen ök host an die jeud verkoft; maar wie kregen wat roezie, en döu is ’t overgöan.
Peit. Höu kwam dat?
Jan. Och, ik had ’n heile praksel schöapen te misten, en dei wöl ik
om ien ’n roes verkoopen; moar hy wol mie doar de besten uutzuuken, en dat wöl ‘k neit hebben. Döu zeg ik ök möar zoo heu: né jeud! Zoo neit! Döu worde hei wat ploeterig, dat zag ‘k wel en hy begunde joe daar van alles te prevelen, ik docht: löat dei malle pandoeries hin göan; en döarom zé ‘k tegen hom: ‘k wil ze heilendal an die neit verkoopen! en döu was ’t ofgedöan –
Geert. Ik loof, dat dei jeugd ’t ök tegen hangt as de zwalf an de lat!
’t is ’n arme stakkert.
Jan. Já, hy ken loof ‘k niet doeken of zwimmen.
Klaas. Wat het Derk zien reespeerdje duur verkoft: hei je ’t al heurt?
Peit. An wel dan?
Klaas. An dei kerel op de Brei, dei dat aibersnust oppe schuur het.
Peit. Já, dei man is mit ’n helm geboren.
Geert. Wat krigt er den wel?
Klaas. Tweihonnerd en dreiendartig en ’t helstergeld.
Jan. Dat was nöu schrikkelk! Höu old is dat peerd wel neit?
Klaas. Já, de deupcedel is verloren, en ’t is ök doch möar ‘n
strompelhak op beinen, en doar zoo ’n puil wöl geld veur?
Peit. Ik leip guster öp ’t möager mart om, mank de böllen,
döu was hei döar ök! möar o! hei was zoo proostig! hei had de bek ien ’n proel.
Ik zé tegen hom: wat zuik ie? en patvógel, zéder.
Geert. Wat di dei kérel den op ’t mag er mart?
Peit. Hei wol ’n möager deir koopen veur ’n beetje geld, en dei wol er den bräaf steukeln mit koorn en eerdappels, en den wol er hom slagten, loof ‘k.
Klaas. Het ök ein krégen? höu ‘s ’t gaan?
Peit. Já, hei het ’n luftbeider kregen, mit drei titten: d’eine is om
ofzwollen, loof ‘k.
Klaas. As dei nöu nog möar deÿen wil, zuk vrak göud zit vaak neit
veul grui ien.
Jan. Nöu, dat möut er zulf weiten; hei old en wies genög, ten
minste eigen wies genög.
Geert. Möar, volk! wie hebben ök al zoo ’n poos zéten te teuten, ’t
zel önze tied ök wel worren.
Klaas. Höu löat is ’t al?
Geert. ’t Is jan dórie al ein uur!
Allen. Köm, wie möuten öp pakkeduisen, anners verslöap wie ons
murgenvroo heilendal. Göuden öavend Peit! Koom ök ais bie öns.
Peit. Dat zelk döun. Göuden öavend, volk! Groutenis ’t uus!
Allen. Döar zel neit an mekéiren!
Peit. Göÿe reis!
Allen. Dank joe!
(Onder al dit wervelend getalm was Tryntje, de huisvrouw
van Pieter in den slaap geraakt, zonder de helft van het gesprek der boeren gehoord te hebben.)
Peit. (Hy maakt haar wakker) Höu is ’t doe bisse já verdölde
slöaperig van öaven Trien!
Trien. Watte, watte, wöar ’t volk?
Peit. Dei bin al en heile toer vort west. Ik weit neit höu se zoo
slöapen kön se, want wie hebben heiltied zoo drok proät as wie können, köm wie göan ná ’t nust: ’t is tied.
(Nu gaan zy naar bed, waar wy hen maar rusten laten zullen).

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners dezes dorps zyn, over het algemeen, middelmatig van
gestalte, en niet onbehagelyk van gelaat, gelyk met dit op alle kleigronden aantreft. Ik meen dikwyls niet onduidelyk opgemerkt te hebben, dat de kleigrond niet zulke groote en sterke, maar echter wel gemaakter en schooner gestalten voortbrengt, dan de Zand en Veengrond. Of dit nu voor de leefwyze, of door de lucht, of door het voedsel, dan wel door alle te zamen veroorzaakt wordt laat ik liefst onbeslist.
Op sommige plaatsen treft men zulk eene verscheidenheid van karakter by de inwoners aan, dat het onmogelyk is, daaromtrent iets algemeens op te geven; doch dit kan van de inwoners dezes dorps niet gezegd worden. Indien er ergens éénheid van karakter bestaat, dan zou het hier zeker zyn.
Deze éénheid wordt veroorzaakt, door dien niet alleen de tegenwoordige inwoners dezes dorps voor een groot gedeelte, maar ook van vele hunne voorgeslachten hier geboren en opgevoed zyn.
Over het algemeen zyn zy vry wat phlegmatiek van Complectie, peinsachtig van voorkomen, stil, niet zeer gezellig, koel, niet vry van onverschillig, iets achterdochtig, niet zeer openhartig, vreedzaam jegens elk; doch inzonderheid omtrent elkander, zeer gastvry omtrent vrienden en bekenden; doch niet omtrent vreemdelingen, mededeelzaam omtrent de armen hunner woonplaats, afkeerig van leugen, achterklap en kwaadsprekendheid, vry van lasterzucht, niet geneigd om groote ontwerpen te smeden, maar geduldig in het uitvoeren hunner plannen, vrienden van lange deliberatien; wat dralend in al hunne handelingen, vlytig in hunne beroepsbezigheden, stipt eerlyk, indien het niet tegen hunne belangens strydt, getrouw zoo het hun geene schade toebrengt, eerbaar in het huwelyk, vyanden van overspel, afkeerig van het spel, vrienden van den openbaren Godsdienst, zonder echte godsdienstige kennis, beminnaars van de zoogenaamde vroomen, welke veel van hunne bevindingen kunnen spreken, en door middel van een goed geheugen, een groot aantal bybelspreuken kunnen opzeggen, en daarmede al hunne gezegden kunnen bewyzen; vlytige lezers in oude Orthodox-gereformeerde predikatie boeken, den bybel en de catechismus, vyanden van het gezang, behalven het schreeuwend psalm zingen, afkeerig van alle verrigtingen, welke de goede orde en de rust der maatschappyen stoort; vyanden van het zoogenoemde vloeken en zweeren; matig in het genot van spys en drank, niet afkeerig van een matig en gepast gebruik van sterken drank, doch groote vyanden van dronkenschap, zonder smaak voor de beoefening der Kunsten en Wetenschappen, onverschillig omtrent alles, wat de dierluyke levensbehoeften niet bevredigt, zonder gevoel voor het edele en schoone, onopmerkzaam op de hen omringende schoonheden der natuur, niet vry te pleiten van bygeloof en zeer gelovig in wonderen, geheimen, bovenredelyke en tegenredelyke voorstellingen, vrienden van het onderwys der jeugd, enkel daarom, omdat de kinderen daardoor geschikt gemaakt worden, om vervolgens zelf in hunnen levensbehoeften te voorzien en om den bybel en andere oude godgeleerde werken te lezen.
De mannen hechten volstrekt geene waarde, aan eene schoone en smaakvolle, – maar enkel aan eene warme en sterke kleeding. De vrouwen echter tooÿen zich gaarne behagelyk en kostbaar op. – Inzonderheid beminnen zy zeer om het geheele hoofd met goud te bedekken, dat in hun oog, hoe smakeloos het ook zyn moge, schoon staat.
Des zomers op werkdagen, verlaten de landlieden hier des morgens ten half vier ure gewoonlyk het bed, om de onderscheidene ongelyksoortige bezigheden, welken hen wachten, te verrigten. Een gedeelte van het huisgezin keert dan terstond veldwaarts, om de koeyen en de schapen van het zuivel te ontlasten, terwyl het andere gedeelte van dit voortbrengsel boter en kaas vervaardigd, welke hier zeer veel en uitmuntend gemaakt wordt. Hierna drinkt het huisgezin gezamenlyk een kopje koffy, waarna ieder zich aan den arbeid begeeft. Dit duurt tot acht uren, op welken tyd het op het land werkende gedeelte huiswaarts snelt, om te ontbyten. Dit ontbyt bestaat gewoonlyk uit grof roggen, ongerezen brood en vry van gekarnde melk en gersten gort vervaardigd. Na het genot van gemeld ontbyt rust het mannelyk werkvolk zich, onder het rooken van een pyp tabak uit tot aan 9 uren, waarna zy zich weder veldwaarts begeven, en tot aan 12 uren werken. Dan is de tyd van middageten daar. Dit middagmaal bestaat gewoonlyk uit voortbrengselen van hunnen eigenen grond, t:w: onderscheidene tuin- en veldvruchten, en een goed stuk spek en vet vleesch. Het nagerigt bestaat nu al weder uit de opgenoemde bry, doch in eenen droogeren toestand, welke men met afgeroomden melk verdunt. Wanneer nu des zomers het middageten gedaan is, dan houdt het werkvolk tot aan half twee uren een middagslaapje, waarop zy zeer gesteld zyn; daarna wordt er een kopje thee gedronken, en men begeeft zich weder aan den arbeid, welke tot des avonds 9 uren voortgezet wordt. Dan eet men gewoonlyk het overgeschoten eten van den vorigen dag met de beschrevene bry, rookt daarna een pypje, drinkt ten 8 uren een kopje koffy, en begeeft zich ter rust.
Des zondags staat men een paar uren later op, eet weder ten acht uren, kleedt zich schooner op, gaat ter kerk, gebruikt na het eindigen van de Godsdienst een koffy, eet daarna gewoonlyk meel en aardappelen met zoo veel vleesch en spek als men begeert, legt zich daarna eenigen tyd neder en woont verder de nademiddag Godsdienst by, ontlast daarna het vee van den melk, of gaat naar zynen búúrman om een praatje, eet weder ten 6 uren, gewoonlyk eenen boterham met melkenbry en gaat op den gewonen tyd ter bed.
Des winters is de leefwyze nagenoeg dezelfde als die des zomers, uitgezonderd, dat men een uur later op staat en geenen middag slaap doet.
Die deze beschrevene Noordsche levenswyze by eene soms indiesche warmte overweegt zal zeker de menigvuldige binnen koortsen, alle daagsche, anderdaagsche en derdedaagsche koortsen, matheid door de leden, slaperigheid, lusteloosheid, enz. waarmede de inwoners hier zoo menigvuldig gekweld worden, niet meer dan gevatte koude, aan eene ongezonde lucht, of een nadere, met de ziekten, niet in verband staande, oorzaken, maar voornamelyk aan de hier gebruikt wordende voedingsmiddelen toe te schryven.
De voornaamste vermaken en uitspanningen zyn de volgende:
(a) Gasterÿen. Deze zoogenaamde Gasteryen hebben doorgaans in den winter en in het vroege voorjaar plaats.
Men bepaalt daartoe meestal eenen werkdag, waarop men de hoofden van 3, 4 of 5 huisgezinnen zyner bloedverwanten of naburen eenigen tyd te voren uitnoodigt, om deze plegtigheid met hunne tegenwoordigheid te vereeren. De uitgenoodigden komen ongeveer des voordemiddags ten 11 uren, drinken een kopje koffy, daarna jenever of brandewyn, waarna het middagmaal gereed is.
Dit is gemeenlyk eenvoudig en bestaat doorgaans uit ongerezen boekweiten meel, aardappels, eene groote hoeveelheid vet vleesch en spek en rystebry, of uit rÿst, aardappels, appels en spek en vleesch.
Na den maaltyd doet men eene wandeling op het land of in den schuur, beschouwt de producten, het vee, vormt plannen over den landbouw, begeeft zich weder naar huis, gebruikt eene teug jenever of brandewyn, vervolgens een kopje thee; dan eenen kop koffy, daarna eenigen sterken drank en gaat dan te 5, 6 of 7 uren des avonds weder naar huis. –
(b) Avondviciten. Tot de bywoning der avondviciten worden weder eenige huisgezinnen, bloedverwanten of naburen uittenoodigd. Deze nemen ten 5 of 6 uren eenen aanvang. Men drinkt eerst gestadig jenever of brandewyn, daarna koffy, vervolgens eet men eenen boterham, daarna weder eenigen sterken drank, de mannen spreken byna niets, dan van hunne beroepsbezigheden en de vrouwen over kleederen, kinderen enz. Na eenigen tyd drinkt men chocolade waarna de flesch met sterken drank alweder bestendig wordt aangesproken, eindelyk weder een kopje koffy, daarna weder sterken drank, welk gebruik men zoo lang voortzet, tot dat het gezelschap ten 2, 3, 4 of 5 uren, des morgens scheidt. –
Wanneer de hoofden der huisgezinnen zich op de voorgeschrevene avondviciten vermaken, zitten de kinderen, knechten en meiden dezer huisgezinnen mede niet werkeloos, maar begeven zich byna alle naar het een of ander huisgezin, van welke de hoofden de vicite bywonen, drinken daar een kopje koffy, zingen of schreeuwen daar zoo fraai zy kunnen, rigten onderscheidene spelen aan, welke alle eene vereeniging der beide seksen ten doel hebben, vermaken zich zoo goed zy het geleerd hebben, en scheiden, wanneer de hoofden des huisgezins te huis komen. –
(c). De inwoners dezes dorps zyn groote beminnaars van de bywoning der harddraveryen, welke zoo wel hier als elders jaarlyks gehouden worden, en die den Nederlanders zoo veel eer aan doen, als de Stieren gevechten den Spanjaarden. – Echter geeft de sterke vermenigvuldiging derzelve aan elken mensch, die een voor medelyden vatbaar hart ronddraagt, den hoop, dat deze ruwheid en onmenschelykheid bevorderende, en het heilrykste geschenk der Godheid misbruikende vermaken aan de keerkringen genaderd zyn!!!!
Deze zoogenaamde vermaken wonen zy, indien zy niet te ver verwyderd zyn dikwyls by, – drinken na het eindigen der rydery eene flesch wyn, waarna de gehuwden meestal huiswaarts gaan, doch de ongehuwden van beide seksen voegen zich by elkander ten 6, 7 of 8 uren en de onuitgenoodigde jonge dochters begeven zich na dezen tyd, om de bespotting van het geheele gezelschap te ontduiken, naar hunne woningen, en de verbondene personen vermaken zich den ganschen nacht met liefkoozingen – naar onveranderlyke wetten – scherts, gezang, geschreeuw, met het overvloedig genot van brandewyn, jenever of wyn, en rekken dit vermaak zoo lang als hunne beurs of de tyd het gedoogt, hetwelk wel eens des morgens 3, 4 of 5 uren wordt. Dan geleiden de jongelingen de jonge dochters naar hare woningen, worden door haar op een kopje koffy of eenen boterham onthaald en keeren dan naar hunne woningen terug. – De beschrevene verrigtingen dragen hier en elders den naam van vryen, welke zy met regt verdienen; want het is geen wonder, zoo een jongman in korten tyd op deze wyze met 10, 20 ja 30 meisjes verkeert.
Het is niet te ontkennen, dat deze wyze van handelen hare voor- en nadeeelen oplevert. De verkeering met onderscheidene voorwerpen is geschikt, om in de keuze van eene echtgenoote niet geheel te dwalen; doch elders heeft deze verkeering ook verschrikkelyke, slegt te radene gevolgen, hetwelk echter in dit dorp eene groote zeldzaamheid is.
(d) Kermissen. Het vermaak na het bezoeken der kermissen is, zoo wel
van jongen als ouden, nagenoeg gelyk aan het zoo even beschrevene.
(e) Boeldagen. De verkoopplaatsen van boedelgoederen, welke hier en
elders boeldagen genaamd worden, worden van jong en oud, niet alleen uit het dorp waar dezelve aanwezig zyn, maar ook uit verscheidene omliggende dorpen, bezocht. Na de verkooping der goederen vervoegt het volk zich by in den schuur geplaatste tafels, welke door eenen aldaar tappenden herbergier in gereedheid zyn gebragt. Het vermaak van gehuwden en ongehuwden is dan weder gelyk aan het zoo even beschrevene. Het is geene zelfzaamheid, dat men daar van de 50 tot over de 100 jongelingen, met meisjes aan hunne zyde, aantreft; en de zoogenaamde boeldagen behooren hier onder de aangenaamste uitspanningen voor oud en jong.
(f) De vermogendste inwoners dezes dorps houden op hunnen
trouwdag eene bruiloft. De bloedverwanten, naburen, goede vrienden, de predikant en de schoolonderwyzer worden uitgenoodigd om deze plegtigheid by te wonen. Zy begeven zich dan op den bepaalden tyd naar het huis van de te huwene personen, wonen de vereeniging by, keeren weder naar het huis van de jong gehuwden, drinken zoo veel brandewyn met suiker en rozynen, als zy verkiezen, vermaken zich met minnen, zingen, dansen, springen, schertsen, – eten of graauwe erwten aardappels, met vleesch, spek en rystenbry, of wittebrood, waartoe zy een glas bier drinken, en zetten daarna het beschrevene vermaak, waar de welvoegelykheid zelden het gebied voert tot aan 2 of 3 uren des nachts voort. Dan verzoeken de vrouwen al de aanwezige mannen, de bruidegom niet uitgezonderd, om het vertrek te verlaten, hetwelk dikwyls vele moeite kost, ontkleeden daarna de bruid, en brengen haar te bed. Dan komen de mannen weder binnen, waarna de vrouwen het vertrek ontruimen, ontkleeden den bruidegom, dikwyls met groote moeite, en brengen hem by de bruid ter bed, waarna de vrouwen ook weder binnen komen, allen vestigen de oogen op de jonggehuwden en verlaten hen met kieschheid beleedigende en eerbaarheid kwetsende gelukwenschingen. De hierby plaatshebbende, en de daar uit voortvloeÿende gesprekken wil ik den lezer liever laten raden dan beschryven.
Daarna drinkt het geheele gezelschap nog eens vrolyk rond, gebruikt een kopje koffy, dankt de gehuwden voor het genotene vermaak, geeft aan de bedienaars een geschenkje, waarna de ontbinding van het gezelschap volgt. Zyn de jong gehuwden niet zeer vermogend, en houden zy toch evenwel eene bruiloft, dan wordt hun voor ieder der bruiloftsgasten, na dat zy vermogend of mildadig zyn, een stuk huisraad geschonken, – waardoor veeltyds de bruilofts kosten, wel drie, vier of vyf dubbel vergoed worden.
(g) Het ysvermaak, hetwelk bestaat uit schaatsenryden en met de
narreslede te ryden, hetwelk meestal des Zondags geschiedt. Hierby valt niets byzonders aan te merken, dan dat er des daags veel en hard geloopen en gejaagd, en des avonds veel heet bier, jenever, brandewyn en wyn gedronken en onder de jongen niet weinig bemind wordt.
(h) Nu moet ik nog in de laatste plaats met een enkel woord van de
begrafenisplegtigheden, hier ter plaatse, gewag maken. Zoo iemand overleden is, of het moest een eerst geboren kind zyn, dan worden ter bywoning van de begrafenisplegtigheid de naaste bloedverwanten, de naburen, de leeraar van de Godsdienst en de onderwyzer der jeugd, eenige dagen voor den begrafenisdag, door eenen Leeaanzegger uitgenoodigd. Alle uitgenoodigden verschynen, zoo veel mogelyk ten 11 uren aan het sterfhuis, drinken eene teug jenever of brandewyn. genieten een kopje koffy. zien veeltyds nog eens het lyk, de naburen brengen hetzelve op eens buurmans wagen, een buurman brengt het naar de begraafplaats, al de aanwezigen volgen, de bloedverwanten in het zwart gekleed, en de meeste vrouwen met zwarte kleeden over het hoofd, het lyk tot aan het kerkhof. Nu wordt de klok aangetrokken, de kist van de wagen op eene draagbaar gezet, één of tweemaal om de kerk gedragen, in het graf nedergelaten, met aarde bedekt en het luiden der klok neemt een einde. Zoo dra de bedekking geschiedt is, nemen alle mannen den hoed af, geven iets, ten voordeele der armen, in eene op het kerkhof geplaatste bekken, en keeren weder naar het sterfhuis terug. Nu hebben de bedienaars inmiddels den tafel gereed gemaakt, er wordt een glas sterken drank gedronken, en een pyp tabak gerookt, waarna allen zich aan eenen met witte brood, vleesch, kaas, en bier voorzienen tafel nederzetten. Nu tikt de leeaanzegger aan de deur, waar door hy de gasten tot stilte vermaant, waarna de predikant een lang gebed doet, waarin hy de bloedverwanten vertroost, alle aanwezigen hunne sterfelykheid herinnert, hen tot eenen godzaligen wandel vermaant en den zegen voor de te genieten spyze afsmeekt. Hierna gebruikt ieder zoo veel hij verkiest, waarna de predikant eene dankzegging over het genotene uitspreekt. Daarna wordt er een pyp tabak gerookt; over verschillende onderwerpen gesproken, een kopje koffy of thee gebruikt, iets aan de bedienden gegeven en ieder keert tot zyne woning terug. –

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Hieronder mag men rekenen de overblyfselen van eenen ouden weg, welke by het zoogenaamde grooter klooster, te Wierum, eenen aanvang neemt, zich tot aan het Reitdiep uitstrekt, dan aan deze zyde van het Rietdiep, eerst in eene zuidwestelyke en daarna in eene Zuidelyke rigting zynen loop voortzet, door geheel Dorkwerd loopt en zich eindelyk aan de zoogenaamde Vinkedyk onder Hoogkerk, by de Vinkhuizen aansluit. Deze Vinkelaan is mede het overblyfsel van eenen ouden weg, welke van Groningen, nagenoeg tien minuten zuidelyker, dan de tegenwoordige Lage weg, door Hoogkerk in eene westelyke rigting, bylangs de Vinkhuizen liep, vervolgens door Leegkerk zynen loop voortzette, vervolgens door eenen brug, waarvan de sporen nog aanwezig zyn – Over het Aduarder diep en de Zuidwinning, door Lage meeden, tot aan de kerk aldaar liep, alwaar geene sporen meer te ontdekken zyn. Waarschynlyk heeft hy zich te Lagemeeden met den weg, welke over den ouden Munnikendyk loopt, vereenigd.
Verder treft men te Dorkwerd nog de overblyfselen van eene oude waterlossing aan welke van het beschrevene Klyfdiep, in eene noordelyke rigting, door het oostelyk deel van dit dorp tot aan de overblyfselen van de oude platvoetzyl, ten noorden van Dorkwerd, loopt – en welke zeker – toen de Aduarder zyl nog niet bestond, – gediend heeft, om het overtollige water uit het Hoendiep, door de zoo evengemelde oude zyl in het Reitdiep te ontlasten.

(get) H. Guikema Jr.