Zoek op de website

Eenum

Gemeente 't Zandt

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Eenum.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Er liggen geene gehuchten noch buurtschappen in dezelve. Nopens den naamsoorsprong is by ons weinig of niets bekend; weshalve wy naar de Kronykschryvers verwyzen, welke ten dezen opzigte, nog al het eene en andere hebben vermeld.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Er wordt geene duf- of duifsteen aan onze kerk gevonden. Het opschrift op de torenklok luidt aldus. Toen Sibrandus abt was, heeft Harmannus my gegoten in t jaar 1104.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Na by ons dorp, ten Oosten, bevindt zich het Eenummer maar, loopende van daar Oostwaarts tot Oosterwytwerd, alwaar het zich in het Oosterwytwerder-maar ontlast; welke laatste zich vervolgens in de Fivel of het Damsterdiep stort.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Deze zyn in 1826, door den Provisionelen Schoolonderwyzer G.W. Wibinga, zeer naauwkeurig opgegeven, alzoo ik my daarvan by dezen ontslagen rekene.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken zyn hoofdzakelyk de volgende: Uit het Dierenryk: de koe, het Paard, het varken, het Schaap, enz. eenige voordeel gevende vogelen en eenig wild.
Uit het Plantenryk: tarwe, rogge, gerst, haver, boonen, raapzaad, aardappelen, ooft enz.
Uit het delfstoffelykryk: leem.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid is op onderscheidene plaatsen zeker verschillend.
De hooge deelen van Eenum, bevatten tot eene diepte van nagenoeg 1 N: el en 5 palm, vruchtbare kleiaarde, waarop volgt gemengde grond, ter diepte van nagenoeg 1 el, welke onderlegd is van leem, wederom ter dikte van 1 el, waar onder volgt wit of blaauw zand, onder het welk men de gewone zeeschelpjes (bekend onder den naam van schil) ontmoet: verder reikt onze ondervinding aangaande deze zaak niet.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden alhier niet opzettelyk beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt hier geene Fabryken of Trafyken. Als handwerkslieden telt men slechts één schoenmaker, één wever, en een kleermaker.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is dezelfde, als van het geheele noordelyk deel dezer Provincie, en deelt derhalve insgelyks in het veranderlyke, hetwelk de nabyheid der zee veroorzaakt.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

In ons dorp is eene kerk en eene school. Er bestaan geene lees- noch zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De hoofdmiddelen van bestaan zyn de landbouw en de veeteelt, met de daaraan verbondene bedryven. Zelfs blyven deze hoofdmiddelen, door de bovenvermelde handwerkslieden niet onbeproefd tot de verruiming van hun bestaan.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Aangezien ik op deze plaats, of liever in deze streek der Provincie, slechts weinig tyds vertoefd heb, zoo volgt daaruit van zelve, dat ik met de platte taal der inwoners nog niet genoegzaam bekend ben: althans niet, om dezelve in alle deelen met de N: taal te vergelyken, veel min deze vergelyking, door naïve en uitgekozene voorbeelden op te helderen.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Men kan in het algemeen van de Eennúmers zeggen, dat zy een zeer zachtaardig en vredelievend karakter bezitten; uitmuntende in eensgezindheid, waarmede zich eenvoudigheid en opregtheid paart. – Voorts zyn zy vlytig en naarstig in hun dagelyksch bedryf.
De tyd van opstaan, is voor het boeren werkvolk, des zomers en des winters, des morgens te 3 uren, en voor de overigen van het gezin, des zomers te 5- en des winters te 7 uren; de tyd van ontbyten is des zomers te 7- en des winters te 8 uren; de tyd van middag eten is doorgaans 12 uren; de tyd van avondeten is des zomers te 6 en des winters te 5 uren; de tyd van naar bed gaan, is voor het boeren werkvolk des zomers te 9- en des winters te 8 uren; voor de overigen des gezins te 10 uren.
De vermaken, bestaan in het bywonen van markten, boeldagen en harddraveryen. De wyze van bezoeken handhaaft volkomen de boven aangevoerde karaktertrekken. Men bezoekt des avonds na etens zyne vrienden, en verslyt, als dan op eene aangename onderhoudende en nuttige wyze, onder de geur van een pypje tabak en het genot van een kopje koffy of chocolade, den avondtyd, waarna men te 11 a 12 uren, vriendschappelyk scheidt en huiswaarts keert. –
De tafel wordt hier voorzien met de produkten, welke land en vee aanbieden. De gebruiken by het trouwen, zyn niet van alle weelde ontbloot, daar dezelve gewoonlyk uitloopen op eten, drinken en vrolyk zyn. By de begravenis komen aanverwanten en geburen te zamen, welke dan op eene deftige wyze, dikwyls door eenen Predikant voorgegaan, de overledene de laatste eer aan doen, terwyl zy daarna op een gastmaal, worden onthaald.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Volgens getuigenis der inwoners heeft hier te Eenum, ten Oosten van het kerkhof, een burgt gestaan, welke nog niet lange jaren is gesloopt geweest. Men verhaalt dat in deze burgt des avonds, nachts en des morgens vroeg, een lichtje brandde, ofschoon dezelve toen ter tyd niet meer bewoond werd.
Ten Westen van Eenum stond vroeger een Klooster, waar nog oude ruïnen zigtbaar zyn.
Ten Zuiden van Eenum aan den weg naar Wirdum, ontdekt men nog sporen van vroegere grootheid; of deze bestaan hebbe in eene burgt of Klooster, kan door de inwoners niet worden opgelost.