Zoek op de website

Eexta

Gemeente Scheemda

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Eexta of Eeksta. In een paar originele Fundatie brieven van het Termunter Zylvest, van den 25 November 1601, vindt men Eexta, met x gespeld.
In het boek door H.W. Brucherus geschreven te Appingadam in het jaar 1792 leest met Eeksta (hier met ks geschreven). Dit dorp paalt onmiddelyk aan de Scheemda, zoo dat dezelve dus zamengevoegd de gedaante van een stedeke vertoonen.
Volgens Emmius is het oudtyds genoemd, Ekestee, ’t zy naar het riviertje de Eke, of naar de naam van eenen Eko, of om andere redenen (Alting Notit. Germ. Inf. fol. 47).

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Tot de Buurtschappen brengen wy
1e de Eeksterzwaag; liggende ¾ uren noordelyk van de kerk; en
2e de oude dyk, liggende ½ uur noordwestelyk van de kerk. Van den naamsoorsprong kan men in de oudste geschriften die er in het kerspel voorhanden zyn, niets opdelven?

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan de kerk heeft men geenen dufsteen. Het opschrift op de torenklok is:
Me vecit C: en J. Seest Amsteldami.
T. Kerspel Eexta Anno 1796.
Wt 2850.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Men heeft hier een oud riviertje de oude AE genaamd; verder het stadstrek diep, dat bylangs en door de Eexta loopt. Voorts vindt men hier 4 kolken en het Eexster Meedemer en Mense diepje.
Alle deze loopen in het Zyldiep naar Termunten, alwaar zy door de Termunterzyl hunnen uitwatering hebben.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Dierenryk brengt men voort, paarden, koeijen en schapen.
Uit het Plantenryk: gerst, haver, rogge, weite, aweel en raapzaad, veldboonen, tamelyk goede aardappels, wortels en knollen; verder boomvruchten; als: appels, peeren, pruimen en kersen, ook heestervruchten; als perziken, abrikozen, wyndruiven, frambozen, aal- en kruissebessen, alsmede goede aardbezien.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Men heeft hier klei en zand, en dieper potklei en leem.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Die welke op de lagere school worden aangekweekt.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men ziet hier werkzaam zyn een pel- en roggemolen, eene linnen en vyfschachtwevery, eene uitmuntende bierbrouwery; verder, Smid, timmerman, verwer, bakker, kleermaker, schoenmaker, stelmaker, zilversmid , enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Zeer afwisselend, ’s ochtends soms in den Zomer zeer koud, door zee-nevel.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er is eene kerk en eene school. Het leesgezelschap is met nieuwjaar ontbonden.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Hoe wel vele van den landbouw hun bestaan hebben, geneert ieder zich buiten dezelve van zyn eerlyk beroep of handwerk (zie antwoord elf).

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Opregt Oldambtsters: bist nog zond – voor zyt gy nog gezond? – heye ook na de winkop west – voor zyt gy ook naar den bruiloft geweest? – Wat ist roesig weer – voor wat is het buijig weer, enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De Eexta is bekend door zachtheid en stilzwygendheid. Zy zyn er over ’t algemeen eerlyk en godsdienstig. Verder leven zy er matig, ook zyn zy er zuinig en arbeidzaam. By den Landman staat men in den zomer te 2 a 3,4 uren op en gaat te 9 uren ter ruste. By den burger geschiedt dit te 5 uren en begeeft men zich te 10 a 11 uren te bed. Van vermaken en uitspanningen houdt men hier in ’t algemeen niet veel. Ieder is zynen tyd noodig tot zyn werk, en om zich een eerlyk bestaan te verschaffen waarvan elk leeft.

Eexta Sept 1828

(get) E.J. Zelling, Schoolmeester
te Eexta.