Zoek op de website

Ezinge

Gemeente Ezinge

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Ezinge

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Omstreeks een half uur gaans en Zuidwaarts van de kerk ligt het gehucht Hardeweer; zynde my den naamsoorsprong van dit gehucht, noch van het dorp iets byzonders bekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Zoo ver ik weet is era an de kerk geen duf- of duifsteen te vinden. Op de torenklok vindt men geheel met hoofdletters de volgende woorden:
M. Francois Simon I.G.F.D. Willem Crablee Bernardus Andreae Pastor Sirp Eelama en de Johan Boltkerck vogeden tot Esinga Collator tot Hardeweer Mefieri Fecerunt 1622.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Aan de Noordzyde wordt dit dorp van het Hunsingo kwartier afgescheiden door de rivier de Hunse of het Riet- of Reitdiep. Aan de Noordwestzyde vindt men in deze Gemeente een kolk, onmiddelyk aan den Reitdyk, bekend onder den naam van de Ezinger kolk.
Door of ten Zuiden voorby het dorp loop teen kanaal of trekvaart, hetwelk in den jare 1826 is gegraven, en hetwelk zyn oorsprong neemt by het dorp Oldehove, en vervolgens in onderscheidene rigtingen en slingeringen Oostwaarts tot voorby de dorpen Saaksum, Ezinge en Feerwerd loopt, tot dat hetzelve eindelyk uitwatert in het Aduarder diep.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Nog aanwezige of sporen van drooggemalene meeren worden in deze gemeente niet gevonden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Behalve de wierde waarop het dorp Ezinge gebouwd is, vindt men er, byna in eene zuidelyke linie nog vyf; welke eene hoogte hebben van 3.75 tot 4.80 Ned. El en eene uitgestrektheid van 3 tot 15 Bunders. Aan de westzyde vindt men een ouden dyk, welke thans tot een rydweg gebruikt wordt, en zuidwaarts naar den Ham loopt.
Aan de noordzyde vindt men den Riet- of Reitdyk.

7. Welke bosschen zijn daar?

Byzondere bosschen worden alhier niet gevonden.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Dierenryk worden hier vooral voortgebragt, de koe, het paard, het schaap, en het varken.
Uit het plantenryk kan men als de voornaamste voortbrengselen beschouwen, tarwe, rogge, haver, garst, boonen, erwten, kool- of raapzaad, peul- en boomvruchten en aardappelen.
Het delfstoffelyk ryk levert alhier niets byzonders op.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond is meestal van boven kleiachtig, terwyl men eenige voeten diep gravende, het zoogenaamde welzand vindt, zynde de hoogten ook meestal zandig.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Behalve de Zangkunde en de muzyk, welke nog al het meest beoefend wordt, vindt men hier overigens weinig beoefenaars van kunsten of wetenschappen, waartoe de predikant, de schoolonderwyzer en de geneesheer evenwel ambtshalve verpligt zyn.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men heeft er een rogge- pel- boekweit- en mostertmolen, benevens eene vellendroogery.
Tevens worden daarin gedreven de handwerken van broodbakken, kuipen, wagenmaken, kleermaken, schoenmaken, timmeren, vleeschhouwen, yzersmeden, wolkammen, stoelenmaken en tuinieren. Verder heft nog commiesen, winkeliers, tappers en schuitenvoerders.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Zeer veranderlyk.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk, eene school, een leesgezelschap en een gecombineerd zang- en muzykgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de vorenstaande ambachten en neringdoende lieden en de verdere ambtenaren, leven de overigen meestal van den landbouw en de veeteelt, waarvan velen als landbouwers eigenaars of bezitters zyn van boerenplaatsen, terwyl anderen als daglooners by dezen komen werken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne taal is zeer eenvoudig en verschilt in vele opzigten zeer veel van de echt Nederduitsche taal; het volgende voorbeeld waarin een landbouwer voorgesteld wordt by eenen burger in het dorp te komen moge daarvan ten bewyze verstrekken.
Landb. Gôuden dag;
Burger. Dag Boer!
L. Höu gait ‘t?
B. Göud, hou gait ‘t joe nog?
L. Ook göud.
B. Höu gait ‘t joen vrouw en kiender
L. Göud, de gröutenis.
B. Gaat wat zitten. (De Boer neemt plaats.)
B. Steekt rys an. (De Burger presenteert tabak)
L. Wat dunkt joe van ‘t weer?
B. ‘k wyd nyt, de wiend is weer wat omkrompen, mie dunkt wie kriegen weer regen.
L. Dat kon wel wezen.
B. Hei joen zaad al tuus?
L. Wel nee, nog lang nyd.
B. Jong dat zigt ‘r mal uut tegenwoordig.
L. Ja, wel deeg.
En zoo vervolgens eenigen tyd over weder en wind, en over de werkzaamheden des landbouwers geredeneerd hebbende, wordt dit bezoek eindelyk op deze of dergelyke wyze afgebroken.
Landb. Kom ik môut ook weer na huus.
Burg. O! ‘t is nog nyd laat
L. Nee, maar ‘t is ook gauw etenstied
B. Ja, dat scheelt nyd veul
L. Ie möunen ök rys komen
B. Ja, dat sek rys döun
L. Göun dag mitten kander!
B. Dag boer! groutenis an joen vrouw
L. Dat sek döun.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Over het algemeen is ieder ingezetene yverig werkzaam in zyn beroep, ten einde door zyne werkzaamheid een behoorlyk levensonderhoud te vinden.
Zuinigheid en zindelykheid huisvest tevens by de meeste ingezetenen. Wenschelyk ware het evenwel dat de zoo hatelyke geveinsdheid in zuivere opregtheid, en de zoo dikwerf bestaande tweedragt in eendragt mogte verkeeren.
Hoe zee rook sommige gewoonten der dorpelingen met die der landbouweren verschillen, zyn er echter ook welke volkomen aan elkander gelyk zyn. – De tyd van opstaan en naar bed gaan is by den landbouwer en den daglooner meestal bepaald op ‘s morgens te vier en des avonds te acht uren, terwyl de burger in het dorp er nog wel eens een of twee uur byvoegt. De tyd van ontbyten, van middageten en van avondeten wordt des morgens te acht, des middags te twaalf, en des avonds te zes uren, door het luiden der dorpsklok, voor de geheele gemeente aangekondigd.
Vermaken en uitspanningen vinden er buiten het zang- en muzykgezelschap weinig plaats. Onderlinge bezoeken hebben byna alleen des winters nu en dan plaats, hetwelk gewoonlyk des zondags avonds geschiedt, onder het gebruik van chocolade, koffy en sterke drank.
De dagelyksche spyzen worden veelal genomen uit de producten welke in deze gemeente worden voortgebragt. De aardappelen worden evenwel het meest genoten; doch onder alle spyzen wordt niets zoo veelvuldig gebruikt als de karnemelksbry, welke voornamelyk by den landbouwer, niet minder dan achttien malen ‘s weeks, by wyze van nageregt genoten worden. Onder de drunken wordt niets zoo veelvuldig gebruikt als de koffy, waarvan by de meeste dorpelingen althans gewoonlyk vyf malen ‘s daags eenige kopjes genoten worden.
De voormalige plegtigheden by het trouwen zyn niet meer in gebruik, dewyl de voltrekking des huwelyks niet meer in de kerk, maar in het gemeentehuis plaats heft voor den Burgemeester en in tegenwoordigheid der hoogst noodige getuigen.
De begravenisplegtigheden zyn echter nog aanmerkelyk dewyl daarby gewoonlyk nog de gehele familie van den overledenen, de predikant, de kerkeraad, de schoolonderwyzer, het geheele of gedeeltelyke nabuurschap en byna alle ambachts- en neringdoende lieden uitgenoogigd worden. Na het eindigen der begravenis wordt men als dan op wittebrood en bier onthaald.
Met betrekking tot de verlichting en beschaving der ingezetenen heft ere en merkbaar verschil plaats. De minvermogende staat op eenen lage trap, doch de meer gegoede behoeft in dezen niet voor die der andere gemeenten onder te doen. Hoogst ongelukkig is het intusschen dat er hier minder dan elders voor het aanvankelyk onderwys der minvermogenden gezorgd wordt, hetwelk toch als grondslag van alle beschaving en verlichting kan en moet beschouwd worden. Wenschelyk ware het derhalve dat men eens eenmaal deze plaatselyke regering noodzaakte diè maatregelen te nemen, welke dienstbaar konden zyn aan de bevordering van het onderwys der jeugd en aan het lot des onderwyzers. Naarmate van deze verschillende verlichting en beschaving heerscht er ook zeer veel verscheidenheid van denkwyze, vooral met betrekking tot den godsdienst, waaruit als van zelve voortvloeit dat er bezwaarlyk een leeraar van den godsdienst eenig algemeen genoegen zal kunnen geven of eenig duurzaam nut stichten, dewyl hy aan de eene party behagende dikwerf aan twee of meer partyen mishaagt. Doch hoe zee rook tot hier de zoo schadelyke dweepachtige gevoelens onder deze inwoners heerschende waren, beginnen evenwel deze gevoelens, door het afsterven der ouden en het tegenwoordige systhema van godsdienstig onderwys, langzamerhand te verminderen. Overigens schynt er by een groot gedeelte der ingezetenen bloei en welvaart te heerschen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Voor heen stond er in deze gemeente een klooster, dat by de bulle van Paus Pius de IV in 1561 vernietigd is. Ook vindt men hier een kwartier uurs ten noordoosten de Burgt of het Buitengoed Allersma, toebehoorende aan den HoogWelGeboren Heer Jonkheer R. de Marees van Swinderen.