Zoek op de website

Garnwerd

Gemeente Ezinge

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Garnwerd een kerkdorp aan den linkeroever der Hunze of het Reitdiep gelegen.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Het heeft geene eigenlyke gehuchten, maar wel buurtschappen, n.l. Klein-Garnwerd, in de wandel den Hoek genoemd, liggende voort ten Oosten van Garnwerd aan de Oostzyde der Hunze, en bestaat uit negen boerenplaatsen en vier arbeiders woningen, waarvan de verst afgelegene ruim een kwartieruurs van Garnwerd verwyderd zyn.
Krassum, ten Zuiden van Garnwerd, uit vier boerenplaatsen bestaande, en op eenen afstand van byna tien minuten.
Beswerd, West-Zuidwestwaarts, op eenen afstand van plm. een uur gaans, en uit twee boerenplaatsen bestaande. NB. (dewyl ik ook onderwyzer van Oostum ben, zoo reken ik het mynen pligt, om ook daarvan de noodige melding te maken, afschoon ik er niet woon, en het anders op zich zelve ook eene kerkelyke gemeente uitmaakt.)
Oostum dan is een klein kerkdorp, juist een half uur ten Zuiden van Garnwerd, tusschen de Hunze en het Aduarderdiep gelegen, en bestaat slechts uit zeventien huizen.
Van den naamsoorsprong dezer dorpen en buurtschappen, kan ik alleen het volgende zeggen.
Garnwerd is zamengesteld uit Garn en werd. De uitgang werd is zeker afkomstig van wierde, waarop het dorp gebouwd is, en Garn zal waarschynlyk afkomstig zyn, van den Stichter des dorps of van hem, die hier het eerste huis bouwde, of, dat nog waarschynlyker is, die de eerste eigenaar der wierde was, waarop hy bouwde. Zoo iemand kan misschien Garro, Garrolt of Garnolt geheeten hebben, want in het jaar 1652 heete het nog Garrowert, naderhand Garrewert, vervolgens Garnewert en thans Garnwerd.
Klein-Garnwerd, aldus omdat het kleiner dan het eigenlyke Garnwerd is; doch deze buurt draagt ook den naam van Hoek, hetwelk zeer waarschynlyk daardoor ontstaan is, omdat zy, voor de doorgraving der Hunze of het Reitdiep in 1638 aan Garnwerd verbonden, geheel in eenen hoek van de zoo kronkelende Hunze lag, welke haar, behalve aan den westkant geheel omringde.
Van den uitgang um in Krassum heb ik wel eens hooren zeggen, dat die zoo veel beteekende, of liever afkomstig was, van hiem of heem (heemstede) en dan zoude Kras, weder van een ’s menschen naam te ontleenen zyn. (Misschien heeft er voor eenige honderd jaren wel iemand gewoond, die Kras of zoo iets geheeten heeft.) In scherts zegt men wel eens by Krassum komende; wy moeten Krassen, zoo veel te kennen gevende als stilhouden, even als de schaatsryders met de achterste einden der schaatsen in het ys krassen om tot staan te komen. Of er in oude tyden nu zulk stilhouden by dat heem, op soortgelyke wyze hebbe plaats gehad, is te twyfelachtig, dunkt my, om daar van Kras af te leiden. Beswerd, uit Bes en werd zamengesteld, is ten opzigte tot den uitgang werd weer vry zeker van wierde afkomstig; doch het voorgevoegde Bes, is my vreemd. Ik zal er toch iets van zeggen. Misschien heeft er op of by de wierde wel lange jaren een man gewoond, die zeer oud geworden is, en daardoor, of door zyne klein kinderen en door anderen, uit achting voor zynen ouderdom den naam van Bes heeft ontvangen, want dusdanigen naam geven klein-kinderen, te lande, thans nog wel aan hunnen grootvader, en vreemde lieden noemen een zeer oud man, uit achting ook wel oude Bes, en dat men zooodoende dien naam heeft daargesteld, b.v. waar zyn die vruchten gegroeid? Op de wierde van Bes, of op Beswierde. Zoo konde het zyn, dat men eindelyk er aan gebleven ware, die wierde, den naam van Beswierde, Beswerd te noemen.
En Oostum zoude dan volgens het reeds aangehaalde van um oorspronkelyk te kennen geven Oostheem.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Te Garnwerd en Oostum wordt geene duf- of duifsteen, aan kerk noch toren gevonden. In den, in 1751 nieuw gebouwden, honderd voet hoogen toren te Garnwerd, hangt eene vry groote klok, hebbende tot opschrift:
SANTUS * LUDGERUS * VOCOR * IOHAN * SCHONENBORCH * GOET * MI * DOE * MEN * SCHREIF * M * CCCCC * ONDE * XX * DAER * BI * LAUS * DEO *
In den Noordoosthoek van het koor der kerk te Oostum, staat eene fraai gemetselde pilaar, op welken in ouden tyd, zeer waarschynlyk een beeld zal gestaan hebben.
De klok in den toren te Oostum is vry oud en merkwaardig. Om den bovensten rand staan op eenen byna gelyken afstand van elkander zeven borstbeelden, met dit lezen ertusschen:
Her Johan van Hogkerk Her Menne Doinek Kunne Lure amene un Bole Uio Ghede ueren Hendrik mi ghegoten hat.
Daaronder staat
Anno D.M. MCCCCLXVI Maria ben ik gheten de Urn te Ruert Lete mi gheten. (Dit is hetgeen ik van die oude letters, welke byna alle regte streken zyn, konde maken; ik wil echter niet voor de echtheid van alles instaan, dewyl my Lureamene un Bole uio ghede ueren geheel onverstaanbaar is, evenwel heb ik myn best gedaan, en Guikema van Dorkwerd heeft my nog geadsisteerd.) Wat lager op de noordzyde der klok staat het St. Maria beeld en op den Zuidkant de afbeelding des Heilands met twee vrouwen.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De Gemeente Garnwerd wordt door het Reitdiep of de Hunze en het Aduarder diep van het Zuiden naat het Noorden doorsneden, en daardoor, als natuurlyk volgt in drieën verdeeld, en Oostum wordt ten Oosten en Westen geheel tusschen deze waters ingesloten.
Het Aduarder diep komt van Hoog- en Leegkerk Zuidwaarts af en stroomt door, de in 1706 nieuw gebouwde, Aduarder Zyl in de Hunze uit, welke rivier zich met vele kronkelingen noordwestwaarts aan, in zee ontlast.
Voor 1706 had het Aduarder diep byna op dezelfde plaats twee zylen waarvan de sporen nog duidelyk zigtbaarzyn. Voorts is er van Garnwerd naar het Aduarder diep eene oude vaart, bekend onder den naam van Garnwerder togt. Deze togt was voor 1638, toen de Hunze nog niet door Garnwerd gegraven was, bevaarbaar, Wenschelyk ware het voor Garnwerd, dat genoemde togt weder opgegraven, - bylangs denzelven met eenen rydweg voorzien, en eene klapbrug over het Aduarder diep gelegd wierde, om ons ook de voordeelen van den nieuwen trekweg te doen smaken; vooral dan, wanneer de ongehoopte onderneming, om by de Wetsingerzyl zulke wereld ontzettende sluizen te leggen en de gehoopte bepinning van den trekweg eens mogten plaats hebben.
Ten Zuiden van Oostum, op de grenzen tusschen Oostum en Wierum, aan den Zuidkant van het wegje dat naar de Wierummer Schouw leidt, ligt ook eene oude togt, den Wierummer togt geheeten, welke niets meer dan eene groote sloot schynt, met eenen pomp, onder den hoofdrydweg doorgaat en westwaarts aan, in het Aduarder diep uitwatert. Tegen over dezen togt, ten Westen van het Aduarder diep watert nog eene in genoemd diep uit, welke tevens de scheiding tusschen Wierum, Fransum en Garnwerd uitmaakt. -
Eindelyk komt er nog eene vry aanzienlyke en gedeeltelyk bevaarbare togt, van de nabyheid van Fransum, bekend onder den naam van Fransummer togt (tot aan het zoogenaamde Meedentilje til of brug, de grensscheiding tusschen Garnwerd en Fransum uitmakende) welke Oostwaarts aan, mede in het Aduarder diep uitwatert. Men vindt in deze Gemeente ook vele kolken, of zoo als ze hier genoemd worden, dobben, wier water uit den grond opwelt. Zy zyn veelal zoo maar in het een of ander stuk land, en juist niet, naby huizen. Hoe zy ontstaan zyn is niet zeker. Men wil, dat zy in vroeger tyden, by sterke droogten, gegraven zyn, om het vee te doen drenken, doch hieraan twyfel ik wat.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren worden hier niet gevonden; maar de droog gewordene en eenigzins aangevulde bedding van de oude Hunze, welke Klein Garnwerd ten Zuiden, Oosten en Noorden omringt, en overal nog duidelyk zigtbaar is, maakt thans een zeer lage streek lands uit, ter grootte van ongeveer 33 bunder, dat evenwel in zulke natte zomers, als thans, weinig waarde heeft, doch by drooge tyden, levert het goede vruchten en goed gras. Van de vlak ten Oosten van Garnwerd gelegen hebbende Wetsingerzyl, die in de oude Hunze uitstroomde, zyn nog overblyfsels te vinden; - ook lag er ten noordoosten van Garnwerd, waarvan de plaats nog wel te bepalen is, eene uitwateringssluis, voor welke de zoogenaamde Winsummer en Schaphalsterzyl in plaats gekomen is.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Ten noordwesten van Garnwerd, digt by de Aduarder zyl, ligt eene wierde, de Antummerwierde genoemd, welke 5,15 ellen, boven zomerpeil water aan de Aduarder zyl hoog, en ongeveer 7 bunder groot is.
De wierde op welker zuidelyke afhelling het dorp Garnwerd gebouwd is, heeft eene hoogte van 3,9 ellen boven vorengenoemd peilwater, en is ongeveer 4 bunder groot. Ten Zuiden van Garnwerd, de Krassummerwierde, heeft eene hoogte van 5,024 ellen, en is 3 ½ bunder groot.
Ten Westen van het Aduarder diep liggen onder Garnwerd nog vier Wierden. De eerste kort aan den nieuwen trekweg, een klein half uur gaans ten Zuidwesten van Garnwerd, heeft eene hoogte van 3,95 ellen, en is ongeveer 2 ½ bunder groot.
Van hier ruim een half kwartier, Zuidwaarts, vindt men eene kleine wierde, van 1 ½ bunder groot, en slechts 2,32 ellen boven meergenoemd peilwater.
Nu een kwartieruurs Westwaarts, ontmoet men de Beswerder wierde, welke 3,15 ellen hoog, en 6 Bunder groot is.
De vierde wierde aan dezen kant des dieps, ligt van de laatstgenoemde Zuidoostwaarts, byna een uur gaans van Garnwerd, en draagt den naam van Sjoeswerder wierde, zy heeft eene hoogte van 4,84 ellen, en is 3 ½ bunder groot.
Te Oostum is slechts eene wierde waarop de kerk en een paar huisjes gebouwd zyn, welke 5,05 ellen hoog is en de grootte van ongeveer 4 ½ bunder heeft. Opmerkelyk is het dat er op de Antummer- en Krassummer wierden eene plaats is, waar het water, zelfs in sterke droogten, uit dien hoogen grond schynt op te wellen, dewyl men er dan nog den grond vochtig vindt.
Gasten, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken worden hier niet gevonden, dan alleen de kapitale Reitdiepsdyken aan de beide oevers van genoemd diep of de Hunze.

7. Welke bosschen zijn daar?

Ook vindt men hier geene bosschen. – De ingezetenen hebben hunne tuinen en hoven slechts met eenig boomgewas ter beschutting omgeven en hetwelke meestal uit wilgen, esschen, elderen enz. bestaat.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen uit het dierenryk zyn te Garnwerd en Oostum vry gelyk. De koeijen leveren uitmuntende boter en kaas, de schapen, fyne wol en ook melk, de varkens uitmuntend spek, die hier wel eens tot 4,5 a 600 pond (oud gewigt) gemest worden. Ook worden er ’s jaarlyks vele koeijen en schapen vet geweid. – Voorts leveren de ganzen, eenden en hoenderen welke hier veel gevonden worden, vele eijeren en de zoo nuttige vederen. Men vindt hier ook zeer vischryke wateren, waaruit vooral veel aal gevangen wordt. enz. enz.
Het Plantenryk levert alle onderscheidene korensoorten, veld– en boomvruchten als; tarwe, rogge, garst, haver, enz. vele soorten van peulvruchten, als: onderscheidene soorten van erwten en boonen; voorts oliezaden, raapzaad, houweelzaad, krodde enz. verder uitmuntende aardappelen, wortelen, knol- en koolrapen, roode en witte kool, zeer voezaam gras, enz. en eindelyk appels, peren, pruimen, kersen, enz. enz.
Het Delfstoffelyk ryk levert hier wel niet veel byzonders, echter toch geschikte klei tot vervaardiging van doschvloeren steenen om te bouwen en klei tot potten en pannen. enz.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

In Klein Garnwerd treft men voornamelyk twee soorten van land aan, uiterdyk en binnenland geheeten. Uiterdyk wordt dat geene genoemd, hetwelk te voren buiten de dyk, aan de oevers der oude Hunze lag, en toen kwelderland was, en binnenland dat geene, hetwelk door de dyken voor het water beveiligd werd. -
De Uiterdykslanden zyn door de gedurige opslyking hooger geworden, dan de binnenlanden, zoo als thans de kwelders bylangs de Hunze ook al veel hooger dan de binnenlanden zyn.
De Uiterdykslanden in Klein Garnwerd zyn byzonder vruchtbaar, hebbende op vele plaatsen ruim eene el goede klei teelgrond, voorts blaauwachtige klei, die evenwel ook nog met eenige zanddeelen vermengd is, en door de zon beschenen zynde witachtig wordt. Het binnenland aldaar, heeft ongeveer 2 palmen beste vruchtbare, eenigzins bruinachtige kleiteelgrond, dan volgt er ongeveer een voet zeer onvruchtbare witte klei, welke korrelachtig is, verder een voet of drie, een eenigzins blaauwe zand- met een weinig klei vermengden grond, welke byzonder geschikt is tot woelaarde; nog dieper eenen leemachtigen grond, met eenenaar yzerroest gelykende kleur.
Dat gedeelte van Garnwerd, hetwelk over, of ten Westen van het Aduarder diep ligt, bestaat uit eenem blaauwen en ook bruinachtigen, wreede kleigrond.
Men vindt hier veel van den zoogenaamden rooddoorn, geschikt ter vervaardiging van tighelsteenen, en op andere plaatsen voor potten en pannen. De landen welke door de nyverheid des vruchtgebruikers niet aan hunne natuurlyke gesteldheid ontwrongen zyn, hebben hier niet meer, dan eene palm teelgrond; daarop volgt 1, 1 ½ en op sommige plaatsen 2 voet rooddoorn; nog dieper, een paar voeten zand met klei gemengd, blaauwachtig van kleur, en zeer geschikt tot woelaarde, voor het overige onvruchtbaar zand.
De landen van Garnwerd tusschen het Aduarder- en Reitdiep gelegen, bestaan vanaf de Aduarder zyl naar Garnwerd, alsmede naar het ten Zuiden van Garnwerd gelegen Krassum uit vruchtbare kleigrond, zynde in de nabyheid der Zyl, vry wat zavelig of met zand vermengd, en tusschen Garnwerd en Krassum vindt men ook ongeveer 2 bunder met zand vermengden kleigrond. Ten Westen van Garnwerd naar het Aduarder diep en ten Zuiden van Krassum naar Oostum is een wreede kleigrond, welke op sommige plaatsen uit de ergste rooddoorn en knipklei bestaat en op welken men ook een zeer dunnen teelgrond aantreft. Soortgelyke grond is buitengewoon zwaar te bearbeiden, want de, in de zomer losopgegravene en omgeploegde klompen, door de zon beschenen zynden, in hardheid byna voor yzer niet behoeven te wyken.
In de nabyheid van Oostum treft men zoo wel ten Noorden, als aan de overige zyden weder eenen vruchtbaren kleigrond aan. Van hier verder ten Zuiden tot aan de grenzen, is de grond byna gelyk, aan dien, welken men tusschen Krassum en Oostum aantreft. In bovengenoemde landen zit de rooddoorn en knipklei tot eene diepte van ongeveer 2 voet; dan 2 a 3 voeten blaauwachtige klei met eenig zand gemengd, nog dieper eenen vasten blaauwachtigen zandbodem en op sommige plaatsen ook leem.
De wierden zyn over het geheel het best van teelgrond voorzien. Ter diepte van 3 a 4 voet, vindt men er veelal blaauw zand met klei vermengd, dan leemachtigen grond, in onderscheidene soorten, voorts weder zand van eene lichtblaauwe kleur. De grond schynt ook hier aanmerkelyke veranderingen ondergaan te hebben, en, naar het my voorkomt, overblyfsels van eertyds bewoonde oppervlakten op te leveren; want men heeft hier voor eenige jaren, op twee onderscheidene plaatsen ter diepte van 12 voeten, eene scheiding van mos in den grond aangetroffen, en op 14 voeten diepte het geraamte van eene koe, en op eene andere plaats, dat van een varken, op dezelfde diepte gevonden, zelfs heeft onze puttegraver J.K. Werkman, ter diepte van 20 voeten in de afhelling der wierde het geraamte van eenen visch gevonden, welke ongeveer 1 ½ voet lang was.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Eigenlyke beoefenaars van kunsten en wetenschappen worden hier niet gevonden. De predikant en schoolonderwyzer zyn de eenigste personen welke door hun onderwys eenige kunsten en wetenschappen, vooral by de jeugd, zoeken aan te kweeken. Alleen kan men zeggen, dat hier nog al eenige liefhebbers der edele zangkunst zyn.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Onder de fabryken, trafyken of handwerken enz. telt men hier, een korenmolen, eene bakkery, twee yzersmeden, vier schoenmakers, zes kleermakers, twee vrouwen hoeden maaksters, twee ververs en glazemakers, drie timmermansbazen, een stel- of wagenmaker, een kuiper, drie vleeschhouwers, twee schippers, een commissionair in granen, vyf winkeliers, acht tappers en te Oostum een tighelwerk.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier niet zeer gezond.
De kleigronden brengen hier, vooral in den zomer, eene zeer nadeelige, zwavelachtige en salpeterige uitdamping te weeg; welke veelal in het najaar, de oorzaak is, van onderscheidene soorten van koortsziekten; ook brengen de uitdampingen van de Hunze hiertoe niet weinig by.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Men heeft te Garnwerd ééne kerk met een fraai orgel en eenen marmeren nachtmaalstafel voorzien. Te Oostum is ook eene kerk, waar in om den derden Zondag door den Predikant, Koster en Voorzanger van Garnwerd, desvoordemiddags dienst gedaan wordt.
De schooldienst dezer beide dorpen heeft te Garnwerd, in ééne school plaats. Hier bestaat één Leesgezelschap van onderscheidene lectuur en een van de boekzaal der geleerde wereld; voorts bestaat hier één zanggezelschap, dat elke maand vergaderd en thans 58 leden telt, welke alle ingezetenen van Garnwerd en Oostum zyn.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de by de fabryken en handwerken genoemde personen, bestaan de overige ingezetenen van Garnwerd en Oostum uit den landbouw en de Veeteelt, alsmede uit visschen en het trekken der schepen, welke de Hunze bevaren. Er zyn hier 13 booten, met welke de eigenaars derzelven in den zomer en herfst, dikwyls met de poor ter aalvangst uitgaan en op andere tyden om aal te tuiken en bot te pikken, waarmede zy somtyds nog al een aanzienlyk stuivertje verdienen. De trekkers van schepen hebben hunne byeenkomsten op den dyk, by de overvaart, alwaar zy somtyds dag en nacht op schepen blyven wachten. Jammer is het, dat die ledigheid ook somtyds de oorzaak, van vele onwelvoegelykheden is, en dat dus het spreekwoord:”Ledigheid is de oorzaak van alle kwaad”; ook daar bewaarheid wordt.
Komt er een schip, of komen er meer schepen aan, dan wordt er om gespeeld, wie trekken zullen, indien de schippers trekkers verlangen. Dit geschiedt met vyf houten messen, waarvan de lemmetten, aan de eene zyde wit en aan de andere zyde benevens de hechten zwart geverwd zyn. Hy die de meeste witte zyden, na het opgooijen, op den grond heeft liggen, is eerst aan de beurt, en zoo na vervolg.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De taal onzer ingezetenen is plat Groningerlandsch, echter heeft er nog in het een en ander, eenig verschil plaats, tusschen de taal der Garnwerders en Klein Garnwerders. De eersten zeggen byv. ‘Ik ga ankom veurjoar na huus”. en de laatsten zeggen ditzelfde aldus; even als aller ingezetenen van Hunzingo Kwartier, “Ik ga ankom woars na hoes”. Een klein voorbeeld zal hier genoeg zyn om onze platte taal in derzelver lompheid te doen kennen, in een gesprek tusschen een boer en zynen knecht.
De Boer. Knels! doe mouste de bysten moar anhoalen, wi zellen melken.
Kornelis. Wat?
Boer. Doe zolte de bysten anhoalen, en den kenste de jongbysten ook wel even uut de dry groas ien de vijr loaten.
Kornelis. Goud
Boer. Doe mouste ’t touw goud weer om ’t schut doun.
Kornelis. (In het heengaan dit niet regt verstaande) Hè?
Boer. Het touw goud weer om ’t schut moaken.
Kornelis. Joa, dat zel ‘k wel doun. enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners van Garnwerd en Oostum, zyn over het geheel genomen eenvoudige, vreedzame, nederige, spaarzame, eerlyke, godsdienstige en vry opregte menschen; ofschoon er ook nog gevonden worden, die niet geheel van geveinsdheid vry te pleiten zyn; doch, waar vindt men ook goud zonder schuim?
Hunne levenswyze is zeer eenvoudig. By den boerenstand, staat men byna het geheele jaar door, des morgens om 3 uur, half vier, ten langsten te 4 uur op. Men drinkt ongeveer te 5 uur wat koffy, en ieder begeeft zich weer op nieuw aan het werk; des morgens te acht uur, neemt men het ontbyt; des middags om 12 uur het middageten en des avonds om zes uur het avondeten, uitgezonderd in den winter, wanneer de boeren reeds des avonds om 5 uur en ten langsten te half zes eten. By den Burgerstand is het opstaan wat later; maar de tyd van het eten byna dezelfde. – De etenstyd wordt des zomers telkens door het luiden der klok aangekondigd. In den winter luidt de klok slechts morgens te acht en ’s middags te twaalf uren. De dagelyksche spyzen, by den boerenstand zyn veelal in den winter om acht uur een boterham en karnemelksbry met paardeboonen, des middags aardappels, kool, wortelen, knol- en koolrapen, moes, erwten, boonen, enz. waarby het spek en vleesch niet vergeten worden. Deze maaltyd wordt insgelyks besloten met bry en boonen. Des avondskrygt men opgewarmd eten, van de vorigen dag overgehouden, waar na al weer de bry met boonen het besluit maakt; zoo dat men by den boer, in eene week achttien maal bry met paardeboonen krygt, want des zondags wordt er geen gebruik van gemaakt. Ook wykt men in den zomer wel eens van dit gebruik. De burgerstand heeft byna dezelfde spyzen, uitgezonderd het geregeld gebruik der bry. Des voormiddags om 10 uur half elf wordt er by de meesten koffy gedronken, en des namiddags om 2 uur, half drie, en by de dorpelingen om 3 uur wat thee; doch ook by velen weder koffy. Ook drinken velen even voor dat men naar bed gaat nog koffy. De tyd van naar bed gaan is van ’s avonds 8-10 uren, zoo wel in den zomer als winter.
Vermaken en uitspanningen geniet men hier weinig; de kooldorschersfeesten, maken er het voornaamste van uit, als mede het bezoeken van eene harddravery of kermis, naar eene andere plaats.
Wanneer men elkander hier op uitnoodiging bezoekt, wordt men onthaald op een pyp tabak, chocolade, koffy en een bitteren borrel, zeer eenvoudig maar gul, zonder complimenten.
By het trouwen hebben hier hoegenaamd geene plegtigheden of feesten meer plaats.
By de begravenissen worden veelal nog een groot aantal vrienden, bekenden en buren genoodigd, welke dan op witte brood en bier, waarby somstyds ook nog rystenbry met suiker gevoegd wordt, onthaald worden.
Wanneer er iemand overleden is, krygen de bloedverwanten een persoon die dezen maaltyd bedienen zal. Zoodanig een moet alle de vrienden en bekenden daartoe, dat op eene zeer dreunende wyze en met veel deftigheid toegaat, noodigen; vervolgens alles tot dien maaltyd in gereedheid brengen, en de gasten aan tafel wel bedienen, welke hem by hun vertrek een fooitje geven.
De Godsdienstige denkbeelden onzer ingezetenen zyn over het geheel vry goed, echter vindt men er nog enkele personen, vooral uit de geringste klasse, die over de Godsdienst een akelig denkbeeld hebben, en met regt dweepers moeten genoemd worden.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Te Klein Garnwerd staan twee boerenplaatsen by elkander, welke den naam van Alingahuizen dragen. Hier moet eene Burgt en Klooster gestaan hebben van dienzelfden naam. Overblyfsels van oude en byzondere zware muren, van rioolen enz. zyn hier nog wel te vinden, zelfs heeft men er voor eenige jaren, eene zerken doodkist uit den grond opgedolven; en men vindt er in den tuin dikwyls kiezen en tanden van menschen, zoo dat er misschien ook eene begraafplaats geweest is.
Van bygelovigheden is men hier ook nog niet geheel vry; hier zyn van die eenvoudige menschen, welke meenen aan het luiden der klok te kunnen hooren, dat er welhaast iemand weer sterven zal. Dit heeft dan plaats wanneer de klok, door de vochtigheid der dampkringslucht een doffer geluid heeft, dananders. Hoe dwaas! Eindelyk nog eene byzonderheid. In het eerste gedeelte der achttiende eeuw leefde hier een wonderlyk man, bekend onder den naam van dikke of sterke Izaäk. Hy is overleden den Sept. 1738.
Eenige dagen voor zynen dood, zoude hy zyne familie eenige voorstellen gedaan hebben, welke hy van hen vorderde te volbrengen, wanneer hy overleden zoude zyn; hen bedreigende, dat indien zy niet aan zyn verzoek voldeden, hy na zyn overlyden het voeten einde uit de kist zoude schoppen, hierby voegende, dat er by zyn verb den wonderen zouden gebeuren. En het toeval heeft gewild, dat toen juist de oude Garnwerder toren is omgevallen op den 8 Sept. 1738. Waaronder drie menschen hun leven verloren hebben. Dit is eene vreemde geschiedenis? Hy heeft evenwel het voeteneinde der kist wel laten zitten.

(get) E. Mulder