Zoek op de website

Harkstede

Gemeente Harkstede

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Harkstede.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Tot dit dorp behoort het gehucht de kleine Harkstede. Het ligt ruim ½ uur westwaarts van de kerk.
Men gist, dat de naam van dit dorp zynen oorsprong ontleend heeft van eenen man die Harke zoude geheeten hebben, welke hier de eerste woning – en daarby uitgestrekte landeryen zoude gehad hebben. Van daar eerst Harkes Stee, naderhand Harkstede.
In de kleine Harkstede zoude hy eene tweede plaats met landeryen gehad hebben, doch van minderen omvang: deze was dan Harkes Kleine Stee, in het vervolg klein Harkstede.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Hier is geen dufsteen aan de kerk.
Het opschrift op de torenklok is aldus:
“Gegoten in October 1818 Jonkheer Johan Hora Siccama Heer en U.C. van de Harkstede.
Andries B. van Bergen en M. F remi. me fecerunt.”

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Hier bestaan van de gevraagde wateren geene andere, dan slechts twee maren: de eene onder de benaming van Wegsloot en de andere de Kleisloot. De Wegsloot loopt geheel bylangs de heereweg naar Ruischebrug en valt daarin het damsterdiep. Zy dient mede tot een Schipvaart op Groningen. De Kleisloot schynt door de Natuur gevormd te zyn. Zy loopt door het Noordelykste gedeelte van Harkstede, wordt door het Slochterdiep doorsneden, en vervolgt haren loop naar Woltersum.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

In de kleine Harkstede vindt men drie kleine meren: bekend onder de benaming van Harksteder meeren. Drooggemalene zyn hier niet.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Hier treft men geene van deze byzonderheden aan.

7. Welke bosschen zijn daar?

Twee kleine bosschen zyn hier aanwezig: het eene by den burg Partit Martin en het andere by de Wittenplaats.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het dierenryk heeft men hier paarden, koeyen, schapen, verkens, huisdieren enz; hazen, enkele vossen. Voorts grevings bunsings enz; patryzen, ganzen, zwanen, eenden enz. otters, veel visch als baars, snoek, zeelt, voorn, inzonderheid aal en paling.
Het belangrijkste dat de grond voorbrengt is: haver, van welk product wordt uitgevoerd aardappelen, erwten en boonen tot eigen gebruik en meest alle tuinvruchten die hier welig groeyen, maar men verbouwt weinig rogge, boekweit, garst.
Uit den grond graaft en haalt men veen, dat tot baggel bereid wordt. Andere delfstoffen worden hier niet gevonden.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond is laag en vlak. De verschillende deelen zyn: veen, zand en darg of gemengde grond. Voor het grootste gedeelte is de bovenste oppervlakte meest veen tot eene diepte van 2 tot 6 voeten. – Onder hetzelve bevindt zich zand. By de zoogenaamde Borgsweg is de grond zandig met een weinig veen vermengd en even bezuiden en ten noorden de meergemelde Kleisloot heeft men darg, moer of gemengden grond.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten of wetenschappen worden hier niet beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken of trafyken bestaan hier niet. Een broodbakker benevens twee schoen- en twee kleermakers zyn de eenigste handwerkers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De lucht is hier gematigd, en, over het algemeen, niet ongezond. Door de lage ligging van dit dorp, en door het menigvuldige water in de uitgegravene veenen is de lucht eenigzins kouder dan in de meer drooge naburige dorpen. Somtyds, vooral na mooўe zomerdagen, geven de grond en het water, tegen den avond,dampen op, die eene stinkende en schadelyke lucht veroorzaken.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eéne kerk en ééne school.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De meeste inwoners, (dagloners hier onder gerekend) bestaan van den Landbouw en de veeteelt, een gedeelte bestaat voornamelyk van baggelereўen en een ander klein gedeelte van het visschen.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De taal is meest platduitsch evenwel is er in deze geene vaste maatstaf, doordien hier zich van tyd tot tyd vele vreemdelingen vooral uit Wesphalen, Hanover, enz. hebben nedergezet, en dus verschillende tongvallen veroorzaakt heeft.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het karakter der inwoners is meestal vlytig, mededeelzaam, vrolyk en hunnen levenswyze is eenvoudig. Doch men besluit algemeen, dat het veelvuldige verkeer der vreemdelingen (die hier des zomers komen om in de turf te werken) eenen nadeeligen invloed op de zeden des volks te weeg brengt.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Byzondere plaatselyke omstandigheden, die hier eene plaats verdienen ken ik niet. – De burgten zyn reeds by de bosschen genoemd.
Door myn kort verblyf alhier, verzoek ik, voor eenige, te weinig beantwoorde vragen, gunstige verschooning.

De Schoolonderwyzer

(get) Hazenhoek.