Zoek op de website

Hellum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Hellum.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Men heeft hier geene gehuchten en buurtschappen, en de naamsoorsprong onzer woonplaats weet men niet met zekerheid; doch dit weet men, dat het weleer Helm werd genoemd. van hier dat het my niet ongegrond voorkomt, dat deze naam ontleend is van de ligging dezer plaats in betrekking tot de westelyke dorpen van het zoogenaamde Woldt; immers daar deze eerder bestonden dan Helm of Hellum, is het niet onwaarschynlyk, dat de eerste bewoners dezer streek, aan hunne woonplaats, als dekkende het uiterste punt of Hoofd van het Woldt, den naam van Helm gegeven hebben.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen of duifsteen heeft men aan onze kerk zeer weinig, en zyn van ongelyke grootte; doch de meeste zyn 15 a 16 dm lang, 8 à 9 dm breed en 4 a 4½ dm hoog. Het opschrift op deze torenklok luidt:
Hero Morits Ripperda, tho Fermsum, Dam, Hellem, Schiltwolda, Siddeburen Un de Oostwolde; Joncker und Hoveling, Unicus Collector Ecclesae Hellem, sis Hinricus Banius Pastor, Tamme Nantkens, Heine Berents in der tyd kerkvoogden, me Reno vari Fecerunt A° 1620.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen heeft men in onze kerkelyke Gemeente niet, het overtollig water wordt langs gegravene waterleidingen door molens afgevoerd in het Schildtmeer.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Men heeft in den omtrek van ons dorp geene meeren, dan een half uur ten noorden van ons, het zoogenoemd Schildmeer, behoorende onder Schildwolde, Hellum en Siddeburen.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken zyn hier niet; behalve eene zandbank, loopende van het Oosten naar het Westen, op eenige roeden afstands ten Zuiden van de kom van het dorp.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene bosschen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het ryk der planten; heeft men rogge, haver, gerst, boekweit, koolzaad, knollen, wortels en aardappelen: ook ooft en tuinvruchten.
Uit het ryk der dieren; paarden, koeyen schapen en verkens; vossen, bunsings, wezels, hazen en patryzen, hoenders, eenden en ganzen.
Uit het ryk der delfstoffen; het benoodigde zand, leem en turf voor de inwoners.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Ten noorden van ons Kerspel heeft men zand, kiezel, darg, knipaarde, leem en gemengde grond; doch ten Zuiden is zy behalve eene zandbank meer veenachtig, waarin men ter diepte van een, twee of meer voeten, eiken en greenen boomen aantreft, van 20 30 tot 40 voeten, liggende meestal, met de kruin naar het Zuidwesten, hetwelk hier bekend is onder den naam van koenhout.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Hier bestaan eene Bierbrouwery en eene Wevery, en onderscheidene Handwerkslieden, zoo als een Yzersmid, Wagenmaker, Huistimmerman, Kuiper, Bakker, Schoenmaker, Kleermaker enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Gematigd en gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene gereformeerde kerk, eene school, een leesgezelschap en een zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De Landbouw en Veeteelt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De Hollandsche taal wordt hier wel niet zuiver gesproken; maar evenwel toch vry beschaafd: b.v.
Jan mien heeren, de taal is hier ien de leste tien jaar vrei wat beschaafder worden, de mensken spreeken hier onze taal dog lang nog nyt zuuver, zoo ans ie an dit antwoord maklyk wyten kennen, maar veule lompen oetdrukkens, zoo als vaai, men, beb en bes, prooten enz. heurt men hier nyt veul meer, maar wel vaader, mouder, grootvaader en ooitje.
Zamenspraak tusschen twee vromen.
A. Wel is hier guster begraven?
B. De rieke B.
A. Zoo, daar zal wel hyl bult volk achter west hebben, of hebben ze gyn groote nuttigste geeven?
B. Jaa, dat waster, ‘k leuf dat de halve nigten en neeven ook segt was, en de hyle klust, maar ‘k leuf nyt dat ’t eeten heur veul touvallen is, ze hebben der niks hat als proemen, vlys en soep en den wat stoet ` er tou.
A. Hou hebben se gyn eerdappels en ries hat?
B. Nee niks ans.
A. Was de Doomnei en mester en de kerkenraad der ook nyt versogt.
B. Jaa wel zeker, maar Jufvrouw was er nyt, die wil narrens hen, mie dunkt ze is er te groots tou, enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hunne kakakter is in het algemeen, werkzaam, spaarzaam, mededeelzaam, en zeer eenvoudig in hunne levenswyze.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Geene.

Aldus opgemaakt door den Schoolonderwyzer te Hellum den 26 Sept. 1828

(get) J.F. Wildeman.