Zoek op de website

Heveskes

Gemeente Delfzyl

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Heveskes; zoo genaamd van heven, heffen, opheffen, verhoogen etc. beteekent alzoo eene hooge of verhoogde plaats.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

(a). Het gehucht Oosterwierum waar in vroeger tyden een vermaard Johanniter Nonnenklooster bestond, en daarom Klooster-Oosterwierum genaamd: de buiten cingels zyn nog ten duidelyksten kenbaar en toonen aan, dat dit voormalige Klooster eene groote uitgebreidheid gronds besloeg; want thans bevinden zich, binnen dezelve vier groote boerenplaatsen, met derzelver tuinen, hoven en werven. Het ligt op eenen afstand van plm. ¼ uur gaans, ten Zuidoosten van ons dorp. – Werd, Weer, Wierd, Wierde enz. beteekend hoogte, dus zal Oosterwierum aanduiden, dat het eene hoogte is die ten Oosten ligt, in onderscheiding van Wierum, in het Westerkwartier en Wittewierum in Fivelgo. –
(b). De Zomerdyk sluit ruim ½ uur gaans, ten Zuidwesten van Woldendorp, aan den Dollert-dyk, en loop van daar West. – Z.W. en Zuidelyk, met bogten en kronkelingen naar Wagenborgen etc. heeft in vroegere tyden gediend, om in den Zomer, de wateren des dollerts te beperken, daarom Zomerdyk genaamd; dus dragen ook de huizen op denzelven gebouwd die benaming, en behooren, volgens hunne plaatsing, tot Woldendorp, Nieuwolda, Stedum en Heveskes: de drie boerderyen die er van tot Heveskes behooren, liggen pl.m. ¾ uur gaans ten zuiden van ons dorp.
(c). Overtogt, een gehucht, bestaande uit twee boerenplaatsen, liggende, ten naasten by een uur gaans van ons dorp in eene zuidelyke strekking. – De naamsoorsprong laat zich gissen uit eene overvaart, die hier bevorens, over eenig water kan bestaan hebben: mogelyk is de doorbraak van den Zomerdyk, die alhier, blykens de groote kolk alhier aanwezig, heeft plaats gehad, zoo aanzienlyk geweest, dat men dezelve, niet dadelyk heeft kunnen dempen; maar onderscheidene jaren heeft moeten werken, om door omdyking, deze breuk wederom te herstellen, en gedurende dien tyd, de vaart of overtogt, met schepen geschiedde. In de tweede plaats is het waarschynlyk, dat deze benaming ontstaan is, uit den naam togt, dat zoo veel is als maar diep of waterleiding, en zal dus Overtogt beteekenen eene buurt of gehucht, dat over den togt lag.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of duifsteen is er niet aan onze kerk.
Met oude Duitsche letters staat er een omschrift op onze torenklok om den bovenrand:
Anno 1634 hebben de Egewaffden tot Heevensches my doen gieten als de Eerw: Welg: Johannes Ulcken pastor en Willem Bruns kerckvoget aldaar waeren. Nicolas Siemons Me fecit Groningae.
(Met romeinsche letter aan de Zuidkant.)
By tyden des wes edlen vrouw Anna Margareta Rengers, weduwe des weledelen Hers Mauritius Ripperda tho F.D.H. S.S.O. Joncker en de Hovelinck.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Omtrent ¼ uur gaans, ten noorden van ons dorp, stroomt de riviere de Eems, die noordwestelyk afloopende, het water in de Noordzee uitstort. De binnenwateren bestaan slechts uit eenige weinig beteekenende maren, of togtslooden, dienende om het water af te leiden naar het diep en de Zyl of Sluis van Oterdum.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Onmiddelyk aan Oosterwierum bestaat eene Werf of hoogte, het Malheem, of Molenheem genaamd, waar bevorens de Kloostermolen zou gestaan hebben, ook de Eemsdyk.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen zyn er niet aan aanwezig.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Mineraalryk slechts een weinig leem.
Uit het Plantenryk, tarwe, rogge, garst, koolzaad, haver, boonen, aardappels enz. verder velerhande tuinvruchten.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Aan de noordzyde van ons dorp, vindt men vruchtbare aarde, zynde klei met zand vermengd, daaronder ter diepte van 3, 4 à 5 palmen leem; by aan de zuidzyden, meer zwarte klei grond; verder Zuidwaarts, het zoogenaamde rooddoren, daaronder knik- of knipklei en eindelyk nog verder rooddoren met knik en daar onder darg of darry.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten worden er niet beoefend en het wetenschappelyk bepaald zich alleen tot godsdienstige van den Predikant, benevens het schoolonderwys.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

In de nabyheid van ons dorp bevindt zich eene Korenmolen, overigens bestaan er geene Fabrieken of Trafieken, Handwerkslieden, die er hun beroep uitoefenen, bestaan in Bakker, Smid, Timmerman, Schoenmaker, Kuiper, Wagenmaker en Kleermaker.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is er, over het algemeen zuiver, tegen den avond of by het opryzen van het Eemswater koel, zoodat wel eens de warme zomerdag van eenen zeer luchtigen avond gevolgd wordt.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er bestaat slechts eene kerk en eene school, Lees- en zanggezelschappen zyn er thans niet aanwezig; bevorens bestonden dezelve er beide, ook wordt er aan gewerkt, om die wederom tot stand te brengen.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De Landman bestaat van den akkerbouw en veeteelt; terwyl de daglooner en handwerksman zyn brood wint door het uitoefenen zyner werkzaamheden.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne platte taal is eene ineensmelting van velerhande talen en tongvallen, meestal verbastert Nederlandsch vermengd met hoogduitsch en oostvriesch, ontstaande wegens de menigvuldige werklieden, die uit vreemde oorden tot ons over komen en velen er zich met der woon vestigen.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun karakter is meestal opregt eenvoudig, stil en vreedzaam; hunne levenswyze werkzaam en matig. Des morgens, vooral by zomertyden, vroeg, om 3½ uur aan hunne bezigheden, die met tusschenpozende rusttyden, tot aan den avond te zes uren voortgaan, wanneer men een eenvoudig avondmaal gebruikt en zich daarna spoedig ter rust begeeft.
Vermaken en uitspanningen bestaan er weinig; dezelve bepalen zich by den zomer in het bezoeken van kermis, harddravery, enz. en in wintertyden, tot eene vriendschappelyke avond zamenkomst op een kopje koffy. – Bruiloften, zyn wegens het burgerlyke trouwen geheel in onbruik geraakt; maar de begravenisplegtigheden by den gegoeden stand nog al veeltyds, zeer aanzienlyk en kostbaar.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

De vorige tyden bestond er eene heerlykheid, waarvan de laatste bezitter Edzerma genaamd, de heerlyke regten heeft verkocht aan het huis van Farmsum. De singels en grachten zyn nog aanwezig, binnen dezelve bevindt zich slechts eene eenvoudige burger of koopmans behuizing. Ofschoon de meerdere volksverlichting, de tovery en spooken, meerendeels heeft doen verdwynen, gelooft men dat hier somtyds twee witte juffers door het dorp wandelen, die eenige, thans nog levende menschen meenen gezien te hebben. Overigens zyn my geene aanmerkelyke byzonderheden bekend.

Heveskes den 29 September 1828,
(get) J. Prenger schoolm.