Zoek op de website

Holwierde

Gemeente Bierum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Holwierde.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Vooreerst het aanzienlyk gehucht Catmis; hetwelk door een water van de plaats is afgescheiden en W.t.N. van de kerk ligt. Verder de buurtschappen Oldenklooster, Klein Wierum, Uitende, Bansum, Nansum en Lutjeboeren; waarvan het 1) ¼ uur W.t.N., het 2) 20 min. N.O.t.N. het 3) ¼ uur t.N. het 4) 5 min. N.O. het 5) ¼ uur O.N.O. en het 6) 20 minuten O.t.N. van de kerk ligt.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Ja, vooreerst de dufsteen, welke eene ongelyke lengte, breedte en dikte heeft, hebben de lengte van 9 tot 14, de breedte van 5½ tot 6½ en de dikte of hoogte van 3½ en 4 oude Groninger duimen.
Wat de opschriften betreft die er op de twee klokken gevonden worden, daarvan is het eene op de kleine klok zeer onduidelyk en oud letterschrift; vergezeld gaande met verscheidene tusschen de woorden ingevoegde beeldjes. Het jaargetal waarin dezelve gegoten is, is misschien 1564 of 67; want men vindt daarvoor eerst vier gelyke figuren die de gedaante hebben als eene Duitsche M plus nog eene streek, behalven dat hunne bovenste gedeelten niet links, maar regts overhangen’ vervolgens eene 1 (tusschen deze 1 en de vorige figuur is de ruimte een weinig grooter dan tusschen de andere deelen van het getal) dan eene X en eindelyk vier i of eene v die wel gelykt naar een o met twee i. Het opschrift van de groote klok luidt aldus: S. Stephanus bin ic geheten, Holwierde het mi laten gieten A.O. 1620 als de W.W. Joannes A. Laxten de E.E. Remmert van Berum de E.E. Coppen toe Nansum und Petri Jacobi P.N. Pastor und Kerckvogden weren. indibus illes, W. Scultes organist, Joannes Simon et Antonius Filius en Petrus Joly Galli me fecerunt.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Men vindt hier een water het maar of over het algemeen de Heekt genoemd die eerst by deze plaats noordoostelyk en vervolgens noordwestwaarts loopt naar Bierum en hare Zuidelyke uitwatering heeft in het Damsterdiep of de Fivel.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geen van beiden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Ten 1e) eene wierde, waarop de plaats zelve gelegen is, hebbende eene hoogte van meer of min 8 voeten, 2) liggen er twee ’t W. waar van de eene hoog is 5 en de andere 10 voeten; 3) Eene ten N. hoog zynde 4 voeten; 4) Twee ten N.O.t.O. waarvan de eene hoog is 5 en de andere 10 voeten; 5) twee ten Oosten zynde de eene hoog 6 en de andere 4 voeten.
Verder zyn hier 4 a 5 hoogten, welke eene hoogte hebben van 4 tot 6 voeten waarvan de eene ’t Jordaan (gelegen O. ten Z.) en nog een andere Bonheim (gel. ten N.O.) genoemd wordt, alsmede eene dyk die gelegen is aan de zeekant ten O. van de kerk en eene hoogte van 16 voeten heeft.

7. Welke bosschen zijn daar?

Deze worden er niet gevonden.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Deze: Het Plantenryk levert op: Kool- of raapzaad, rogge, garst, haver, tarwe, erwten, paardeboonen, aardappels, buiskool en verscheidene meest is deze streken overal gevondene tuinvruchten.
Het Dierenryk levert ten 1) op: paarden, ossen, koeÿen, schapen, varkens, 2) ganzen, zwanen, hoenders, eenden, duiven enz: 3) eenige hazen en patryzen en ten 4) Riviervisch als: aal, baars, snoek, karper, voorn enz.
Het delfstoffelytk ryk levert niets anders op dan eenig leem.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondsgesteldheid is hier zeer onderscheiden, waarvan het volgende voorbeeld tot een bewys zal dienen.
1) Heeft men eene zandige kleigrond; 2) tot op de diepte van vyf voeten heeft men blaauwe klei, met tusschen ingevoegde zee zandlagen of liever striemen 4) van 9 tot 14 vt. zwarte klei; vermengd met riet- en zee zand lagen. 5) van 14 tot 20 vt. zwarte klei, vermengd met dargachtige deelen en zeezandlagen, 6 van 20 tot 23 vt. gryze klei, doorgevlochten met zeezandstriemen. 7) van 23 tot 27 voeten zwarte aarde met verrotte rietlagen vermengd. 8) van 27 tot 30 vt zwarte klei, die wel half vermengd is met darglagen. 9) op de diepte van 31 vt. vindt men wit welzand, 10) van 31 tot 33 vt. zwarte darg; 11) van 33 tot 49 voeten eene zwarte pekkerige grond,door en door vermengd met grove harde blaauwachtige zelfstandigheden.
Voorts vindt gronden die leemachtig, en weder andere (voornamelyk by de wierden, hetwelk misschien ontstaan is door het van te voren tegen aangespoelde zeewater) die schelpachtig zyn.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geen van beide.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Van de Fabryken is het molen-fabryk, het eenigste; bestaande in eene zaagmolen (deze kan ook gebruikt worden als pelmolen) en in eene rogge molen. Handwerken worden er geene anders gevonden dan die, welke hoofdnoodzakelyk zyn tot behulp der inwoners.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Vochtig en veranderlyk. En daar men door de uitwaseming der zee, vele koude avonden heeft is de luchtstreek hier zeer ongezond; dewyl er zich door het opstygen der dampen altyd meer of min waterachtige deelen in den luchtkring bevinden.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk en eene school. Ofschoon hier geen leesgezelschap bestaat, zyn er toch eenigen, die, om te lezen, zich bedienen van boeken uit de bibliotheek.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Meest die van den landbouw, vee- en byenteelt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

(Ziet het binnen inliggend gesprek tusschen A.B. & C.) maar is niet aanwezig.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun algemeen karakter is openhartig, en goedhartig; nederig, zuinig en naarstig. De inwoners (ik meen de boeren) staan des zomers om 3 en des winters om 5 uren des morgens op; als dan begeeft ieder zich by zyne bezigheden tot aan 7 uur toe; wanneer men het morgen ontbyt neemt. Vervolgens weder aan 11½ uur gearbeid hebbende, geniet men het middagmaal, hetwelk meesttyds uit vaste spyzen bestaat; waarop men zich dan een uur nederlegt te slapen, om alzoo zyne vermoeide leden wat te laten uitrusten. Na het ontwaken koffy of thee gedronken hebbende, gaat men om één uur voor de derde maal, weder aan het werk; hetwelk duurt tot des avonds aan 6 uur toe (des winters 5) waarop men voor de laatste maal ter tafel gaat; en vervolgens zynen weldoener (gelyk dit ieder maal geschiedt) bidt en dankt voor de weldaden aan hen in dezen dag bewezen. Zich na eenige uren ter uitspanning overgegeven hebbende (nl. de dienstboden) begeeft men zich om 9 uur ter nachtrust na vooraf elkander een goeden nacht gewenscht te hebben, om zyne uitgeputte krachten door den slaap weder te herstellen.
Het bezoeken van den eenen aan den anderen, is iets, dat niet vaak geschiedt; (ik meen zulk bezoeken hetwelk men eigenlijk visite kan noemen, ofschoon men anders elkaar wel eens bezoekt) en wanneer het dan eens voorvalt is de wyze waarop zulks geschiedt zeer eenvoudig. Met een gul en vergenoegd hart noodigt men elkanderen, eet en drinkt met matigheid en praat tusschen beide, gelyk ook anders over het een of ander voorgevallen nieuws; deze of geene byzonderheid enz. een uur of 10 geworden zynde, gaat ieder met een tevreden hart weder naar zyn huis. –
Wat de omstandigheden by het trouwen en begravenisplegtigheden betreft, daarvan is het eerste zeer in verval geraakt, wegens de kosten, die er tot het huwelyk vereischt worden; doch anders gaat het met veel vermaak en plaisier toe. Het huwelykspaar terug gekomen zynde, wenscht men hun alles goed; eet en drinkt dan lekkernyen, lacht en springt, ja danst en zingt; tot zoo lang, dat het ruim middernacht geworden is, wanneer ieder weder naar zyne woning gaat. Wat het tweede aangaat; bloedverwanten en vrienden in het zwart gekleed en buurlieden volgen het lyk met een gevoelig en treurend hart en hetzelve ter aarde besteld hebbende keeren (na vooraf iets aan den armen gegeven te hebben) de naaste vrienden weder naar het sterfhuis terug, genieten daar eenig voedsel; troosten het huisgezin, en gaan eindelyk weder naar hunne woningen. –
Wat voor het overige nog de inwoners betreft, verkeerdheden en bygelovigheden verdwynen meer en meer; daar verlichting en beschaving steeds de overhand neemt.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

1) Heeft men hier eene hooge toren. Dezelve was voor 1807 geheel en al van steen, en had eene hoogte van 180 tot 190 voeten. Doch omdat dezelve in eenen zwakken staat was, liet men het boveneinde wier hoogte 90 a 100 voet was tot op de krans afbreken en vervolgens eene eerst vier; en daarna achtkantige houten-spits boven met eene koepel er weder opzetten. Ook liet men twee steenen pilaren van onderen aan den toren maken; omdat men vreesde, dat hy in vervolg van tyd nog meer zoude overhellen naar het Zuiden; alsmede eenige openingen in de muren toemetselen. – Tegenwoordig heeft dezelve eene hoogte van 170 a 180 voeten, eene lengte of breedte onder aan den grond van 37 voeten en eene dikte van 6 voeten en 11 duimen. In het onderste gedeelte der toren zyn drie in den muur uitgeholde bogen, hebbende ieder eene hoogte van 8½ eene breedte van 5¼ en eene diepte van 3½ voet. Van te voren was hier eenen steenen trap in den muur gemaakt die verscheidene voeten naar boven ging. Thans zyn er drie houten voor inplaats gekomen waarvan twee dienen tot het opgaan naar den eersten zolder en de ander voor den 2den zolder. Op de tweede verhooging vindt men vyf langwerpige boven halfronde gaten, waarvan drie ieder eene hoogte hebben van 5 en eene breedte van 8â�� voet. De beide overigen zyn ieder hoog 7¼ en breed 2½ voet. Bovengenoemde trappen opgeklommen zynde, vindt men op den 2en zolder een zeer zwaar uurwerk besloten in een vierkante kas; alsmede twee gaten om dit hol te verlichten: Nu komt men na vooraf twee trappen opgeloopen te hebben op eene 3e zolder, daar men twee klokken aantreft, waarvan de grootste byna 6 vt. diam: heeft. Verder zyn hier 8 klankgaten, die ieder hoog zyn 10½ en breed 4â�� voet. Weder drie trappen om hoog geklommen zynde, (alle trappen, gelyk de vorigen 2 vt. en 10 dm. breed) komt men op een 4e zolder. Nu kan men nog door middel van twee trappens en vier ladders eene hoogere hoogte bereiken van 80 a 90 vt. Dan ik zal my maar eens naar buiten op den krans begeven en wandelen dezelve eens in het rond. Deze krans is plm. 90 voeten van het ondereinde verheven, gaat om het bovenspits toe, en is breed 4 en lang 35 voeten, vergezeld gaande met eene leuning, welke rust op 16 zerkstukken. Nu kan ik geen byzonders meer berigten van de toren dan dat men by den vernieuwden ingang der onderste deur een zerk op de linkerzyde ziet geplaatst daar verschillende regels oud letterschrift op staan, doch die beschadigd en te onduidelyk zyn om te lezen. Misschien heeft hierop van te voren deze of gene merkwaardigheid gestaan van de toren.

2) Heeft men hier eene Kruiskerk met een orgel er in, waaraan in vroegere jaren de school gestaan heeft. In dezelve vindt men dit volgend oud geschrift: Anno dni 1567is dit whrwarck mit de laterne gemaeket do de werdige heer Lambartus Knasse pastoer und de erbare Occo Hayes Aret Gerrys olde Steven Smit kerckvogeden weren in der tyt. Ook lagen er voor korten tyd verscheidene oude grafzerken onder anderen van de 16e eeuw, versierd met eene menigte verschillende wapens. Dat deze kerk van Roomschen afkomstig is, blykt hieruit: dat men laatst by het verbeteren van het middelpad in het kruis nog twee fondamenten van altaers op derzelver einden gevonden heeft.

3) Zegt men: dat hier voor het tegenwoordig water de Heekt een zeer breed vaarwater geweest is, begroeit met riet andere plantgewassen. Vyf minuten van de plaats zou over dit water eene brug geloopen hebben, waarover de kloosterlingen van Nieuwe-Klooster hunne bedevaarten deden naar eene put te Solwert. Eenige jaren verleden heeft men by het nieuws graven der Heekt oude palen op die plaats in den grond gevonden, welke men denkt overblyfsels te zyn van de brug.

4) Toen men voor eenige jaren eene gracht die, zoo als men zegt, om Olden-Klooster geloopen heeft; en gedeeltelyk digt en byna droog was. wilde digt maken met aarde van eene naastgelegene hoogte; vond men by het afgraven van dezelve eenige steenen vakken, welke men denkt betraafplaatsen te zyn geweest.

5) Te Klein-Wierum staat eene boerenwoning wier voorhuis (ofschoon nieuws afgebroken) gediend heeft tot eene Mennoniten-vermaningen, waarvan men door overlevering zegt; dat er nog ruim 100 jaren dienst in gedaan is. Op een in den muur ingebouwd zerk stuk leest men het navolgende: Peter Gerrits te Kleywerúm en de Henste zyn husvrou A.O. ..41 (Ofschoon de beide eerste cyfers van het jaar getal onleesbaar zyn, zullen dezelve wel eene 1 en 5 (15) moeten wezen, daar men te voren op een in de kerk gelegene grafzerk dienzelfde naam las en voor het jaar waarin den overledene gestorven was, 1580 vond.)

 

6) Vindt men aan de Westzyde van het gehucht Catmis een oud vervallen pad, het welk de blaauwe gang genoemd wordt.

7) Vindt men op eene wierde of liever hoogte (waar voornoemde gang ook op ligt) een verdroogde sloot die de mispelsloot genoemd wordt. Ook zouden hier voor ruim 100 jaren in een hol dezer hoogte 3 a 4 heindenen hun verblyf gehad hebben.

8) Zyn er eenige boerenplaatsen die eenen byzonderen naam dragen als: Kommerstein, Groote- en Kleine Nes, Garbendeweer en Balgheim, waarvan de 1e) W.N.W. de 2e N.W. en de 3e) N.W.t.W. de 4e) t.N. en de 5e) ten Z. van de kerk ligt. Ook vindt men eenige boerenpl. die rondom wallen en grachten hebben; en waarvan eenigen ook met poorten voorzien zyn, en ten

9) Moet nu nog opgemerkt worden, dat de Franschen in de belegering van Delfzyl in 1813 door eenen uitval hier vele huizen plunderden.

Holwierde. (get) M.J. Tunteler.