Zoek op de website

Hoogemeeden

Gemeente Aduard

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Hoogemeeden

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Tot Hoogemeeden behoort het ten Zuiden by liggende Lagemeeden en het gehucht den Hoorn. Alle drie plaatsen zyn in kerkelyke en burgerlyke vereenigd. De kerk staat afgezonderd in het land te Lagemeeden, waarvan Hoogemeeden en den Hoorn tien minuten ten noorden verwyderd zyn. De namen Hooge- en Lagemeeden hebben zeer waarschynlyk hunnen oorsprong van de gestelheid des lands zelve dewyl meeden, oudtyds mieden, zoo veel beteekent als hooiland, en het zeer veel gras oplevert. Hooge- en Lage komt van daar, dat het land van Hoogemeeden veel hooger is, dan dat van Lagemeden. Horn zoo veel als hoek beteekenende ligt als zoodanig tusschen Hooge- en Lagemeden.- Tien minuten ten zuiden de kerk van Lagemeeden, aan het trekdiep, staan twee huizen, die mede tot Lagemeeden behooren; waarvan het eene den naam van Poffert, en het andere dien van Meelpuil draagt. De oorsprong dier benamingen zyn my niet bekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Durf- of duifsteen wordt aan deze kerk niet gevonden. Men leest op de torenklok te Lagemeeden het volgende: Vernieuwd toen te Hooge- en Lagemeeden Volmagten waren de E.G. Jakobs en K. Pieters en I. Abels, E. Everts kerkvoogden. T. van Rhee als Pastoor
Door Andries H. van Bergen te Midwolda Anno 1809.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Een kanaal of diep, genaamd de Weer, loopende in eene oostelyke en westelyke rigting tusschen Hooge- en Lagemeeden, tot dat het, ten Oosten in de Zuidwending stroomt. De Zuidwending is een water of diep, dat Leeg- en Hoogkerk van Lagemeeden scheidt hetzelve loopt in eene Noord- en Zuidelyke rigting, terwyl het ten Noorden in het Aduarder diep en ten Zuiden in het trekdiep stroomt.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Hier worden geene noch drooggemalene gevonden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Te Lagemeeden bevinden zich vier hoogten of wierden, waarvan volgens de meting van den 25 Augustus 1827, de hoogste eene hoogte heeft van 1,73 ellen terwyl de uitgestrektheid dier hoogten, welke van allen zeer gelyk is, 40 roeden bedraagt. Te Hoogemeeden bevindt zich eene wierd de Langeweer genaamd, op welke twee boerenplaatsen gebouwd zyn: deze heeft eene hoogte van 2,76 ellen, en eene uitgebreidheid van nagenoeg twee bunders.
Nog loopt er- in eene Ooste- en Westelyke rigting, tusschen Hooge- en Lagemeden een oude dyk, welke den naam draagt van Munneke dyk. De oorsprong van dien naam moet daarin gezocht worden, dat de Aduarder monnikken dezen dyk tot eene wandelplaats bezigden, deze heeft eene hoogte van 1,75 ellen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen worden in dezen omtrek niet gevonden.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrenselen uit het Dierenryk zyn: schoone paarden, beste koeijen, vette ossen, goede woldragende schapen, varkens en eenig wild, zoo als hazen, patryzen, ganzen, eenden enz.
Uit het Plantenryk: weit, rogge, haver, koolzaad, aardappelen, boonen en onderscheidene boom- en tuinvruchten.
Uit het delfstoffelykryk niets.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Zeer vruchtbaar, het zuidelykste gedeelte van Lagemeeden uitgezonderd, waar het land zeer laag en veenachtig is. Op het Noordelyker liggende land te Lagemeden treft men eerst kleigrond aan, ter diepte van 2 palmen en hier onder eene hardere soort, by de landlieden onder den naam van rooddoorn bekend. Te Hoogemeeden is het land hooger en bestaat uit zware klei, welke by eenen regenachtigen en droogen tyd beide onbruikbaar zyn. Onder deze klei, die nagenoeg 4 palmen diep zit treft men rooddoorn aan.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier, behalve de lees- schryf- en zangkunst, en die welke hun beroep vorderen niet beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt hier eene bakkery en korenmolen, twee schoenmakeryen, een yzersmid, eene kuiper- en wagenmakery, een kleermaker en verder winkel en neringdoende lieden.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Veranderlyk.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Lage- en Hoogemeeden en den Horn hebben gezamenlyk eene Hervormde kerk, en eene school, terwijl de Doopsgezinden van hier en van naburige dorpen eene kerk hebben, welke op het westelyke einde van denHorn gebouwd is. Lees- of zanggezalschappen bestaan hier thans niet.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de reeds opgenoemde handwerks- en neringdoende lieden, bestaan de inwoners hier enkel van den landbouw en de veeteelt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Tot een voorbeeld van de hier bestaande platte volkstaal, moge dienden de gezegdens, van eenen, nu niet meer levenden boer, die tevens, op zyne beurt, de predikdienst waarnam, in de doopsgezinde kerk by den Horn. Zyn naam was Jakob Rienders de Boer.
Een dokter, die, omdat hy ongesteld was, hem willende bezoeken, en niet had gedacht, dat hy nu reeds buiten wandelde vroeg hem: “of hy nu al in de weer was?” waarop de oude antwoorde: Jonge nee, Dokter; der kon ik neit in wezen, of was ik ook zond. Hy zinspeelde hier op het water, dat zyn huis voorby stroomt, hetwelk den naam draagt van de weer. Hy had eens een paard verloren, dat hy dood by den weg liet liggen. De Regter hier voorby komende vroeg hem, of dat zyn paard niet was?- Waaroop Boer Jakob, met zyne gewone koelheid antwoorde: Nee, minheer; dat het minnent west. “De Regter weer: “of hy dat binnen drie dagen wegruimen wilde? Antwoorde hy:”nee: minheer; maar min volk zelt doün.
Op eenen warmen zomer dag by een, zyner knechten komende zeide hy: Jonge wat is ’t warm; “Treks toe din jak uut en smist höm mine sloot? Ik smit minnent terbi.” -De knecht deed dit, denkende dat boer zyn rok veel mooijer was dan den zynen, en dat hy het heel goed te wagen had; maar toen de knecht zag, dat boer zyn rok op den kant van de sloot gooide, zeide hy: “nee boer; zoo neit, in de sloot môut hi. ”Boer Jakob antwoorde: Dat heb ‘k niet zegt.”
Een jood by hem komende, om hoenders te kopen, gaf hy dien jood ten antwoord: wi hebben ein hin, dei kenje wel te koop kriegen; de vrouwlu willen höm doch niet hollen, om , hy lait altit öp ’t aling kantje van de mis.”
Toen zy de koop klaar waren, zeide de boer: nou, dan möut je höm maar van de mis halen.” De hen lag dood op de mesthoop, en was reeds half vergaan. De jood had gemeend, dat de hen hare eijeren telkens op de mesthoop bragt, en dat zy dezelve daarom wilden verkoopen.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners van Hooge- en Lagemeeden zyn over het algemeen zeer vreedzame menschen. – Zy zyn zuinig van aard, en meest alles, wat zy niet dadelyk met geld kunnen vergelyken, wordt by hen voor nutteloos gehouden. De godsdienst heeft voor hen groote waarde, waarom zy vlytig ter kerk gaan. De predikant wordt over het algemeen, daarom ook zeer geacht, vooral wanneer hy, zoo als zy het noemen, zich aan het oude houdt, ook dan nog, wanneer zyn gedrag niet heel navolgens waardig is, dewyl zy den zwakken mensch, ook in hem erkennen.-
Hunne denkbeelden omtrent God en zynen dienst, zyn zeer bekrompen, eenigen uitgezonderd. Over het algemeen hechten zy gaarne geloof, aan geheimzinnige dingen, die zy het minst begrypen: zy noemen dit verborgendheden; terwyl zy datgene, wat hun door redeneering duidelyk gemaakt wordt, meestyds verwerpen. Zy zyn over het algemeen vlytig in hunne betrekking. Zindelykheid is voor hun eene behoefte, zy zyn milddadig jegens de ongelukkigen.
De tyd van opstaan is gewonelyk ten vier uren, terwyl zy ten acht eerst ontbyten: hetwelk bestaat uit boterhammen en karnemelken bry. Deze maaltyd wordt gedaan met erwten, knollen, wortelen, aardappelen enz. Sprek en vleesch wordt dan mede veel gebruikt, terwyl dan weder bry by wyze van dissert genooten wordt. Na dit eten begeven zich de landlieden te slapen, tot omstreeks half twee ure, waarna thee wordt gedronken, en alsdan begeeft ieder zich weder aan het werk, tot des avonds zes ure; wanneer de tyd van avond eten daar is. Deze maaltyd is meesttyds dat gene, wat van het middagmaal van den vorigen dag overgebleven is.
Dit opgewarmde eten is by hen onder den naam van prannen bekend. Het dissert is hier weder bry. Hierna praat men gewoonlyk, onder een pyp tabak, wat er den volgenden dag gedaan moet worden, tot acht uur, en dan begeeft men zich ter rust.
Onder de vermaken en uitspanningen kan men tellen: de kermissen, harddraveryen enz. Zy houden veel van elkander te bezoeken.
Hunne gastmalen zyn gewoonlyk: meelklont, spek, rundvleesch en aardappelen. Verder wordt dien dag in gesprekken over landbouw, veeteelt, het drinken van koffy, thee, jenever en brandewyn ten einde gebragt. Des avonds wordt dan nog veeltyds een kopje chocolade geschonken, en wordt altyd laat in den nacht eer men scheidt.
De plegtigheden by het trouwen, zyn hier byna geheel afgeschaft: men begeeft zich, wanneer de trouwdag daar is, met de noodige getuigen naar het Gemeentehuis, en als de vereeniging heeft plaats gehad, naar een der huizen van de jong gehuwden, waar men de brandewynskop eenige malen laat roondgaan, en na een maaltyd gedaan te hebben, keert ieder naar zyn huis.
De plegtigheden by het begraven, zyn aanmerkelyker. Deze duren nog, volgens den eens vastgestelden regel voort. De dood van een overledenen, wordt reeds den volgenden dag, aan het geheele dorp bekend gemaakt, door het luiden der klok.
Wanneer nu de dag van begraving des overledenen, door eenen daartoe willekeurig gekozenen man, aan de naaste buren, bloedverwanten en kerkeraad is bekend gemaakt verschynen gewoonlyk allen op dien dag aan het sterfhuis. Omstreeks ten 12 ure, begeeft men zich met den overledenen naar het kerkhof, gevolgt door de zamengekomene trein. Op de bestemde plaats gekomen zynde, wordt het lyk eenmaal om de kerk gedragen, onder het luiden der klok.
Het graf genoegzaam met aarde overdekt zynde, begeeft de gansche stoet zich weder naar het sterfhuis, waar de tafel reeds gedekt is. Deze maaltijd bestaat dan uit witte brood en best bier. Hierna praat men wat, onder een pyp tabak en een kop koffy; en na iets aan de bedienden gegeven te hebben, keert ieder naar zyn huis.

(get) B. Visser Tz.
Schoolonderw.
te Hooge- en Lagemeeden