Zoek op de website

Hoogezand

Gemeente Hoogezand

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Hoogezand.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

In dezelve liggen geene gehuchten of buurtschappen.
Daar de grond onzer woonplaats hoog en zandig konde genoemd worden, met betrekking tot dien van het tegenwoordige Sappemeer en andere omliggende lage en veenachtige streken, zoo is het hoogst waarschynlyk, dat dezelve daarvan den naam ontleend heeft van Hoogezand.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De steenen aan onze kerk zyn van eene gewone soort van baksteen. De toren, in 1783 gebouwd, heeft eene klok zonder opschriften.

Aanmerking van den Heer Westendorp.
De oudste klokken zyn zonder opschriften.
doch voorheen met zekere figuren. Is dit
eene oude klok of niet?

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Het hoofddiep zynde het Winschoterdiep het van het Oosten naar het Westen door onze plaats loopt, ontvangt twee diepen, als het Kyl- en Kalkwyksterdiep.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Er zyn noch aanwezige noch droog gemalene meeren bekend.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Geene.

7. Welke bosschen zijn daar?

Sommige voorname ingezetenen hebben kleine bosschen voor hun eigen vermaak, doch eigenlyk gezegde bosschen zyn er niet.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Plantenryk: tarwe, rogge, haver, boekweit, aardappels, koolzaad, vlas en andere tuin- en boomvruchten.
Uit het Dierenyk: er worden geene meerdere Paarden, Koeÿen en Schapen aangehouden, dan men benoodigd heeft tot bemesting en bearbeiding der landen.
Uit het Delfstoffelyk ryk vindt men hier geene voorbrengsels.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Een vlakke zandgrond.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Men vindt er:
9 Scheepstimmerwerven
3 Oliemolens
2 Zaagmolens
1 Zeilmakery
1 Korenmolen
4 Grutmolens, voorts verscheiden weefgetouwen, slagers, kleermakers,
schoenmakers en andere handwerkslieden

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Als boven.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Eene afwisselende.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eén voor de Hervormde en één voor de Joodsche gemeente – één leesgezelschap en één zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De twee voornaamste bronnen van bestaan, zyn: Landbouw en Koophandel, overigens bestaat de minder gegoede burger klasse uit de opbrengst van hare nering bedryven en arbeiden.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Over het algemeen de Groninger taal, doch in enkele woorden onderscheiden zy zich van anderen.
Heur ais Bruir ‘k mout ti rais wat nys seggen – Guster gunk na Stad en ’n klain endje deur ’t tweide tolhek zag ‘k de olde jeude met de gruine boksen en broene wams an, doe weist wel wel ‘k meine, nou dei olde, slimme kerel zag ‘k daar hen gaan ik maakte dat ‘k bei hom kwam en anstons vruige mi na onze olde bonte – en binnen en half keteir hak hom de bonte ansmeerd veur. – ja veur houveul mynste? veur fieftig daalder – Nou dan heste en goije negosie daan Jop’k –

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Daar deze plaats onderscheidene huisgezinnen, van andere plaatsen aangekomen en geene oude familien telt, zoo kan men ook geen heerschend karakter opgeven; doch meer bepaald zal men den inwoners eene matige levenswyze en goede zeden moeten toekennen.
Wat hunne gewoonten aangaat – Ook hierin kan men geenen doorgaanden regel nemen.
De behoeften wyzigen dikwyls de gewoonten.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Als eene plaatselyke byzonderheid moet ik nog aanmerken.
Dat twee wegen, die, voor dat het Hoogezand bewoond was, van Drenthe naar de Woldstreeken liepen van Zuidlaren over de Knype, door de Kyl naar den weg van Colham, waar deze verlengde weg nog bekend is (van hier tot Colham) onder den naam van Knypslaan.
De andere weg liep over Fokshol door het hooiland en is vervolgens nog bekend onder den naam van vrouwenlaan tot aan den Scharmerweg. Langs dezen weg moesten de inwoners van Wolfsbarge, Kropswolde en Westerbroek, over Noorddyk naar Groningen komen, en waren verpligt een gedeelte van een dyk in de Gemeente Noorddyk te maken (n.l. den Hinkenhorn of Woldweg) – Nog tegenwoordig moet de Gemeente Hoogezand eene jaarlyksche bydrage tot het onderhouden van dien weg, van twaalf gulden te Noorddyk voldoen.
Oude volksgezangen zyn hier niet voorhanden, echter bestaat er een, dat algemeen is, door oud en jong gezongen wordt, en wel met eenen grooten kring jongens en meisjes hand aan hand – Bekend onder den naam van Witkoppen.
Wanneer de kring gevormd is gaan er eenige jongens in den kring en nu beweegt zich de kring in het ronde onder het gezang:
Hier hè wy en witkop
Van dezen dag
Prouwen zal ÿ prouven,
Keizen zal ÿ keizen;
En ander zal ÿ leizen;
Kom trekker ein in
Al na jou zin;
Hei – en regte kozen?
Hait was in de Mai, Mai, Mai,
Hait was in de Mai.
Pater gèf de Non en zoun
Ho si zo :
En dat mag hei wel drei maal doun
Ho, Ho, pierla lo en ho si Zo
Pater sprei ein witte kap
Ho si zo –
En daar ÿ met sien non op zat:
Ho Ho pierla lo, en ho si zo.
Pater help sien non weer op,
Ho, si, zo.
En danst weer met sien kermispop,
Ho ho pierla lo en ho si zo,
Pater gei mout scheiden gaan,
Ho, si, zo,
En t Nonnechien dat mout bliven staan
ho ho pierla lo, en ho si zo ≠

Hier staat in sommige etditien:
’t Patertje mout rais smokken
En mout wat stiever drokken

Nu verlaat de jongen het meisje en zy moet weder een’ ander inhalen, terwyl de rei voortzingt.