Zoek op de website

Hoogkerk

Gemeente Hoogkerk

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Hoogkerk; welligt dus genoemd, omdat hier eene vry hooge kerk staat.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Ruim een half uur ten Oosten van onze kerk, aan het Reitdiep, in de nabyheid van Groningen, ligt de buurt het Kalkwerk, dus genoemd naar de hier sedert vele jaren staande kalkbrandery, van den Heer Sytsma.
Nagenoeg tien minuten ten Noordwesten van het Kalkwerk, twintig minuten ten noordoosten van Hoogkerk, vindt men vier boerenwoningen, de Vinkhuizen genoemd /op oude kaarten het Vinkhuis/ Mogelyk vond men hier te voren vele Vinken die daar door de Groningers gevangen worden – of deze plaats was vroeger, mogelyk om derzelver boschrykheid en het zich daarin op houdende gevogelte, een geliefkoosde wandelplaats voor de stedelingen, die uit liefde voor de vinkjes, het bosch of het huis alhier naar deze vogeltjes noemden. Een weinig ten noorden van de Vinkhuizen staan twee boerenplaatsen, Hoitum genoemd, – ook op oude kaarten aangewezen, doch waarvan my niets bekend is, dan de tegenwoordige gesteldheid, die niets byzonders oplevert. –
Een kwartier uurs ten Noorden van Hoogkerk, vindt men twee boerenwoningen, de Woldtil geheeten, waar weleer mogelyk eene til of brug in den weg was, die van hier westwaarts aan, door het Aduarderdiep, en door de Zuidwending, voorby de kerk van Lagemeeden en zoo verder naar den Woldkant liep.
Sedert de nieuwe brug over het Aduarder diep gelegen is, wordt deze weg niet meer, dan alleen tot uitreeden, van sommige Landbouwers gebruikt. Nagenoeg tien minuten gaans ten zuidwesten van Hoogkerk, heeft men eenige boeren woningen de Koningspoort genoemd. – Weleer stond hier een aanzienlyk slot, dat in het midden der zeventiende eeuw bewoond werd, door William Makdowel van Stoidsgo, Ridder, en Resident van den Koning van Groot Brittanje, Hoveling te Hoogkerk, die den 21 Maart 1663, in Londen overleden, en hier in het koor der kerk begraven is, naast eene vrouw met name Bernardina Fritima, huisvrouw van den edelen erntfisten Gulielmo Makdowel van Stoideirgo, Hoveling te Hoogkerk.
Of nu dit slot toen reeds Koningspoort heette, dan of het dien naam later ontvangen heeft, toen het door den Rigter Koning, voor ruim tachtig jaren, bewoond werd, hieromtrent kan ik niets met zekerheid zeggen.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen wordt aan de kerk niet gevonden; op de klok staat wel een opschrift, doch hetzelve is byna niet te ontcyferen; de volgende woorden zyn vry zigtbaar: Onore et heate Maria uirgun; –hierop volgen eenige haken en krabben, waaruit ik geene letters kan opmaken, en dus nog minder woorden, en dan een jaartal, dat 1451 beteekent.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Het zoogenoemde Peizerdiep, zynde een riviertje, dat in het naburige Drenthe zynen oorsprong heeft, stroomt door het westelyke deel dezer Gemeente in eene noordelyke rigting, vereenigt zich by het kinderverlaat met het Aduarderdiep, en stort met hetzelve, door de Aduarderzyl in de Hunze of het Reitdiep; deze laatste rivier stroomt by het oostelykste deel deze Gemeente langs.
Het Hoendiep loopt in eene Oost- of Westelyke rigting, nagenoeg in het midden door Hoogkerk en valt by het zoo even genoemde kinderverlaat in het Aduarderdiep, doch is hier ook door de vier verlaten met de Trekvaart naar Stroobos vereenigd.
De Zuidwending loopt van de Trekvaart af, tusschen Hoogkerk en Leegemeeden door, en vallen by de nieuwe brug, onder Leegkerk in het Aduarderdiep.
Weleer liep er ook ten noorden om Hoogkerk eene vaart het Klyfdiep genoemd, van hetwelk ook eene tak naar Dorkwerd liep. Thans is deze vaart niet meer bevaarbaar, maar dient alleen om het water naar den watermolen te voeren: – welke tusschen Hoog- en Leegkerk aan het Aduarder diep staat. Voor de afvoering van het polder water, heeft men ten Zuiden van Hoogkerk een maar, dat van den Hoorschendyk af naar den molen aan het Peizerdiep stroomt.
De Wolvesloot komt van Paterswolde en loopt door het Zuidoostelykste gedeelte van Hoogkerk, tot in het Hoendiep. –
Men zegt dat dit aleer een bevaarbaar water is geweest, langs hetwelk de schepen van Paterswolde naar Groningen voeren.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Het dorp Hoogkerk ligt op eene Wierde, die nagenoeg 15 voeten lang, 10 breed, en eene el boven het vlakke land verheven is. –
Men vindt hier op verscheidene plaatsen in het land, zandachtige hoogten, die veelal onderaardsch aan elkander schynen verbonden te zyn.
Inzonderheid loopt er ten Zuiden van Hoogkerk, zulk eene zandachtige streek lands, zuidoostwaarts aan, die zich zelfs tot in de Drentsche hooilanden uitstrekt. Op sommige plaatsen is dezelve meer dan eene el boven het laagste land verheven, doch op andere is zy in den bovengrond niet zigtbaar.
Toen de lage landen hier nog gedurig onder water liepen, diende deze hoogte den inwoonders zeker tot eene veilige wykplaats; waarom dan ook de hoogste plaats der zalen thans nog Bangeweer genoemd wordt.
Ook treft men ten noorden van Hoogkerk hier en daar zandige streeken aan, die meest in eene Zuidoostelyke rigting aan elkander schynen te schakelen en mogelyk wel met de Wierden, die men by leegkerk vindt in verband staan.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen worden hier niet gevonden.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Het dierenryk brengt paarden, koeÿen, schapen, varkens, hazen, konynen, honden, katten enz. ganzen, eendvogels,, hoenders, patryzen, snippen, kleinere vogels enz. veel visch als snoek, baars, aal, voorn, blei enz. voort.
Het plantenryk levert, appel, peren, noten, kastanjeboomen, haver, gerst, een weinig rogge en weit – onderscheidene peulvruchten en moesgroenten, en klaverryke weiden –
Het ryk der delfstoffen, brengt welzand, bruinzand, leem, klei en keisteenen voort.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Over het algemeen is de grond hier laag zoodat verscheidene streken by het laagste zomerwater niet droog worden, zoo het water er niet door groote watermolens uitgemalen wordt. Het land is hier in drie polders verdeeld; – één ten noorden en één ten zuiden het Hoendiep, en één ten westen het Aduarder diep. –
Deze polders hebben ieder eenen grooten watermolen, door welke dezelve meerendeels boven water gehouden worden. Gedurende den tyd, dat deze molens hier bestaan hebben is het land zeer verbeterd, en neemt nog van tyd tot tyd in vruchtbaarheid toe, vooral daar, waar de eigenaren het meeste werk maken van het braken of zomervargen, dewyl daardoor de onvruchtbare aarde, zeer veel verbeterd wordt: want wanneer men knik of rooddoorn lang genoeg aan de zon blootstelt, worden dezelve in goede aarde herschapen.
De bovengrond of vruchtbare aarde bestaat hier uit eene vermenging van klei en zand; het noordoostelykste gedeelte geeft goede klei naar het zuiden in de nabyheid der Drentsche malanden, is hy darg, of veenachtig; en op de hoogten zandig, vruchtbaarder naar mate er eene betere bewerking plaats heeft. Onder de vruchtbare aarde, treft met veelal eerst eene laag knik of rooddoorn en dan eene blaauwachtige, onvruchtbare en zoute laag klei aan. – Op sommige plaatsen vindt men hieronder zand, doch op andere niets anders dan deze blaauwe klei. De ondergrond der wierden of zandige hoogten bestaat meestal uit onvruchtbaar zand of leem – hier en daar vindt men soms ook vry zware keisteenen.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Meest alle inwoners van ons kerspel kunnen lezen, schryven, rekenen en zingen, zoo veel zy meenen noodig te hebben. Men vindt er wel eenen enkelen, die veel werk er van maakt, om zyn verstand te beschaven en zynen geest met nuttige kundigheden te verryken, doch of hy daarom een beoefenaar der wetenschappen kan genoemd worden hieraan twyfel ik.
Kunstenaars zyn hier niet, en ook geene beoefenaars van kunsten, zoo men de handwerkslieden hier niet mede insluit.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Hier is ééne zeepziedery, eene kalkbrandery, één houtzaag en korenmolen, verder heeft men er eene yzersmedery, ééne broodbakkery, vier schoenmakeryen, één wagenmakery, eenige timmerlieden en kleermakers; een klokkemaker, drie winkels en vyf herbergen; de overige bedryven bestaan in den landbouw en de veeteelt.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Gelyk over het algemeen, de lucht in deze provincie zeer veranderlyk, vochtig en niet zoo gezond is, zoo maakt deze Gemeente hierin ook geene uitzondering.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Ểéne kerk, ééne school, een zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Voor de Landgebruikers maken landbouw en veeteelt, de voornaamste middelen van hun bestaan uit; de handwerks- en neringdoende lieden zoeken hun bestaan in de uitoefening der bovengenoemde bedryven.
Renteniers of kapitalisten worden hier schaars gevonden, enkele eenen handelsman in koeÿen en paarden.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Door de nabyheid der stad Groningen, en den omgang met de inwoners derzelver, komt de taal hier zeer veel met die der Groningers overeen; zy verschilt dus veel van goed Nederduitsch.
Hunne gesprekken loopen meestal over de onderscheidene beroepsbezigheden, die den eenen tyd dit, en den anderen weder iets anders opleveren. – Zoo spraken de boeren vroeg in het voorjaar over het dorschen en den verkoop der haver; – om Mei over de bouwery, het uitlaten van het vee en het wassen van het gras; in den zomer en den oogsttyd over het hooÿen, het zigten enz. vervolgens over de Drentsche markten, – in den slagtttyd over het slagten der koeÿen en varkens enz. – Het volgende verstrekke tot een voorbeeld:
Jaapk. (by Jan komende) Goÿe navent Jan, hou gait ‘t?
Jan. Best in odder, hou maak jy ‘t?
Jaapk. Ook nogal zoo wat by ’t holde hen.
Jan. ’t is nou rys regt mooi weer hè?
Jaapk. O ja! dat kan haast nyt beter wenst worden; maar ik heb ’t al orneird, wy zöllen wel en mooÿe harst kriegen; ’t het zoo lank regenachtig west; wie kriegen nou mogelk en lange dreugte.
Jan. Jan oom zee vaak, onze lieven Heer geft altyd in overvloud, dan regen en dan dreugte.
Jaapk. Jaa, dat is waar – maar ’t komt altyd te regt, en zoo as ’t best is, – ’t is altyd goud as wie ’t van achteren inzien.
Jan. Heden ja! dat is zoo; – maar nyt alle mensken willen dat goud looven, en daarom komt ’t ook, dat ze vaak zoo ontevreden binnen (Met een valt Jan iets anders in de gedachten en zegt:)
Bin je ook naa Roonder mark west?
Jaapk. Jaa, ik bin er met onze Pyt met de Seez hen west.
Jan. Hy je der ook wat daan?
Jaapk. Jaa wie hebben der wat koffy en Drentsche stoet, en ’n börrel koft.
Jan. Zoo; – dat is den toch gyn groote negotie ik docht waar, of jie der en peerd of en kou koft hadden.
Jaapk. Jan dat was ’t veurnemen ook al; maar ‘k kon nyt goud na mien zin an komen; en tegen ’t zin koopen, dat dou ‘k nyt geern.
Jan. Dat ’s ook altyd verkeerd, – maar hou leek het er op de mark, met de verkoop, wol ’t vee zoo wat van de hand?
Jaapk. Jaa, vry wat goud, ’t was en willige mark; ’t scheelde wel twee dukaten op en beste kou.
(En zoo keuvelen dezen een geruimen tyd voort.)
Dit gesprek heb ik onlangs nagenoeg letterlyk, aangehoord.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Over het algemeen zyn het hier goede menschen; – zy zyn eenvoudig, werkzaam, spaarzaam, gulhartig, gastvry en opregt; veelal beminnaars van de Godsdienst omtrent welke hier over het algemeen vry opgeklaard gedacht wordt – hoe wel er ook nog al eenige zoogenoemde dweepzieken gevonden worden, doch dit getal verminderd van tyd tot tyd. Zy zyn veelal zeer yverig in de uitoefening van hun beroep en houden zich weinig met zaken, buiten hetzelve bezig.
In de verrigting hunner dagelyksche werkzaamheden wordt eene zeer stipte orde in acht genomen.
Zy staan des morgens te vier of vyf uren op, en begeven zich na een kopje koffy gedronken te hebben, yverig aan hun werk. – Te acht uren des morgens wordt de tyd van ontbyten, door het luiden der klok aangekondigt, waarop ieder zich aan tafel begeeft, en zich met koffy en een boterham verkwikt.
Van negen tot twaalf wordt er weer vlytig gewerkt en men begeeft zich dan weder op het geluid der klok naar huis, om het middagmaal te houden; – tot twee uur kan men zich nu uitrusten, en dan, na eerst een kopje thee gedronken te hebben, werkt men weder tot zes uur, wanneer ieder door het luiden der klok weer tot rust geroepen wordt.
Te zes uur wordt het avond eten genoten, en om acht, negen of tien uur begeeft ieder zich te bedde, en rust zich van den arbeid uit.
De voornaamste spyzen die hier dagelyks genuttigd worden, zyn hoofdzakelyk voorbrengsels van ieders tuin of akker; als aardappelen, wortels, rapen, kool, boonen, erwten, gort enz. waarbij gewoonlyk een goed stuk spek of vleesch. – Na het middag en avondeten wordt veelal karnemelkenbry, by wyze van dessert, gebruikt, – Des zondags middags eet men gewoonlyk meel, in een zakje gekookt,, hetwelk hier den naam draagt van meelklont.
De vermaken en uitspanningen zyn hier voornamelyk de kermissen, het schaatsenryden enz.
De jongelieden maken hier geen gebruik van samenkomsten in de herbergen, op Zon- en feestdagen, gelyk elders veel in gebruik is. Alle uitspanningen en vermaken worden hier zedig en betamelyk gehouden.
Het bruiloft houden by het trouwen is hier niet gebruikelyk.
By de begrafenissen noodigt men meest alle vrienden en geburen van den overledenen, die het lyk naar het kerkhof vergezellen en van daar teruggekeerd zynde, in het sterfhuis, op witte brood en bier onthaald worden.
By het begraven heeft men hier de gekke gewoonte, dat men het lyk eerst eenmaal rondom om de kerk draagt, eer men hetzelve in het graf nederlaat.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

In het dorp Hoogkerk staat een Burgt Elmersma genoemd, welke in vroegere eeuwen aan de HoogWelGeb. Heeren Lewe van Hoogkerk toebehoorde; doch toen deze hun verblyf te Aduard namen, werd dezelve verkocht, en by dezelve eene zeepfabriek aangelegd door J.H. Frank, waarna hy van tyd tot tyd de hoedanigheden van eenen burgt verloren heeft, en thans een aanzienlyk heerenhuis is.
Betrekkelyk de voormalige burgt te Koningspoort is in het tweede antwoord het een en ander gezegd.

(get) J. Mulder Jz
Onderw. te Hoogkerk.