Zoek op de website

Kantens

De schoolonderw. te Kantens
aan de Heer
J. van Cleef
Schoolopziener in het 3e district der provincie Groningen.

Ter voldoening der aanschryving van de Commissie van Onderwys in deze provincie: d.d. 10 Juny l.l. heb de Eer het volgende ter beantwoording over te geven.

Op vraag:

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Kantens.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Geene gehuchten of buurtschappen.
Volgens oude bescheiden is de naam Kantens ontleend van den naam Kandinse (waarschynlyk uitgesproken Kant-in-zee) of Kantzee; en welke benaming zyn naamsoorsprong zou hebben van het zeewater dat by den  oorsprong, digt of aan hetzelve stond of liep. Op een glasruit is een oud huis, te Kantens, stond eertyds Cantse (uitgesproken Kantzee).

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Geen dufsteen.
Het Latynse opschrift op de groote klok is moeijelyk te ontcyferen, niet alleen wegens de vreemdsoortige der letters, en de gelykheid van sommige beelden, die, zoo al het schynt, niet altyd dezelfde letter aanduiden, maar ook wegens de ineensmelting der letters, vermoedelyk doo de onkunde van den gieter, die zeker geen Latyn verstond, en eindelyk wegens de verkorting der woorden.

Men maakt hiervan de volgende lezing:

Tusa + sum + inhonorem + benedicti + D. nostri + Jesu + mificit + Johannes B. (filius) Brahamsema + Anno
Domini 1437 Gubernante Rodolpho.

In het Nederduitsch:

Ik ben gegoten ter eere van onzen gezegenden Heere Jezus.
Johannes B. zoon Brahamsema heeft my vervaardigd, onder de regering van Rodolf. Anno 1437.

De versletene onder om den rand staande Latynsche letters op de groote Klok, zyn onleesbaar.
Het Nederduits opschrift op de kleine klok is:
J. Joest Lewe. H.V. Klinkenborg, Hanz.
ende U.N: Collater en de vr Pieternella Lewe
Gebooren Conders
Eheluiden Anno 1660.

Onder om de rand van deze klok staat:
Al de Eerw. Welgeb. Gregoruis Heer pastoor, ende de eerb. Claas Mendelts ende Allert Menckens
Kerkvoogden waeren, ben ick Hergoten, deur Jurrien Balthaser tot Leeuwarden Anno 1660.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Een diep of trekvaart, nemende zyn begin te Uithuizen en loopt van 't Noorden naar ' t Zuiden aan de Oostkant naby langs Kantens, en heeft zyne uitwatering door de Schaphalsterzyl.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Behalve Kantens ' t welk op een wierde ligt, zyn er nog twee, de eene ligt ten Noordwesten van en aan  Kantens; de 2de ligt ¼ uur ten Noordoosten van Kantens. Volgens opgave in 1827 aan de Commissie van Onderwys, heb toen opgegeven, de hoogte van Kantens,  boven het waterpas 5 E. 6 p. 6 dm. en uitgebreid p.m. 9 B. 50 R. 90 E.
De wierde ten Noordwesten van Kantens 4 E. 3 p. 3 dm. en uitgebreid 5 B. 52 r. 26 E.
De wierde ten Noordoosten van Kantens 3 E. 5 p. 6 dm. en uitgebreid 3 B. 86 R. 58 E. 2 plm.
Hierby dient aangemerkt te worden, dat op eenen afstand van1 ¼ uur 8 wierden liggen; zynde van Uskwerd tot Middelstum; als: de 1ste waarop Uskwerd ligt, de 2de Helwerd, de 3de Rottum, de 4de tusschen Rottum en Kantens, de 5de aan Kantens, de 6de Kantens, de 7de Toornwerd, en de 8ste Middelstum; deze liggen byna lynregt van 't Noorden naar 't Zuiden, en kan zeker een Wierde-keten genoem worden.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Dierenryk: paarden, ossen, koeijen, schapen, verkens, honden, katten, ratten, muizen, hazen, konynen, bunsels, wezels, enz.
Zwanen, ganzen, eenden, hoenders, patryzen, duiven, kivieten, eksters, raven, reigers, valken, nachtuilen vledermuizen, spreeuwen, musschen, vinken, putters, enz
snoek, baars, voorn, karper, blei, platvisch en een menigte aal, enz. padden, kikvorschen, byen, wespen, hommels, vlinders, muggen, enz. regenwormen, grondwormen, slakken, enz.
Uit het plantenryk: appels, peeren, pruimen, kerssen, noten, struikgewassen, heesters, tuinvruchten van allen aard, vele aardappels, tarwe, rogge, haver, gerst, bonen, winter- en zomerkoolzaad, erwten, vlas enz.
Uit het Delfstoffelyke: Klei, leem en op eene zekere diepte zeeschelpen; ook vindt men by het graven van putten wel eens een laag veengrond.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond ten Oosten van Kantens is zeer vruchtbaar klei, behalve eene streek, grenzende aan den grond van Eppenhuizen en Zandeweer is de klei met zand vermengd; doch geeft de beste vruchten; ten Zuidoosten van Kantens, grenzende aan den grond van Middelstum ligt eene smalle streek, Boorden genoemd, 't welk 's winters onder water staat: dit hebben in vroegere tyden Reitboorden geweest.
Aan de Westkant van en aan Kantens ligt eene smalle streek lage, ligte en vale grond, welke 's winters meesttyds onder water loopt, welke streek zich Noordwaards uitstrekt naar Rottum; dan volgt hierop verder westwaards eene streek kleigrond, welke leemachtig is, en minder vruchtbaar dan de gronden ten Oosten, Zuiden en Noorden van Kantens; daarop volgt eene 3de streek, grenzende aan den grond van Stitswerd, Bestaande meest uit rooddoorn. Aan de Noord- en Zuidzyde van Kantens is zeer vruchtbaar klei grond. De gronden hier over het algemeen uit klei en gemengd bestaande, brengen de beste vruchten en uitmuntende runderen voort.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Een pelmolen, een korenmolen, een Horologiemaker, twee Broodbakkers, 2 Linnen- en vyfschaftwevers, 1 Hoefsmid, 4 Schoenmakers, 1 Stel- of wagenmaker, 1 Kuiper, 3 Timmerlieden, 3 Kleermakers, 2 Schippers die met een vaartuig (korenvarry genaamd) de granen en andere goederen, naar Groningen vervoeren.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Door de nabyheid der zee (2 uur van hier) en laagte der grond, is de lucht er veeltyds vochtig en veranderlyk.
De dampen uit de zee, stryken wel eens over onzen grond en geven dan eene al te kouden avond op eenen warmen zomerdag.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Een gereformeerde Kerk en een Lage School, een Leesgezelschap bestaat er in het winterhalfjaar, ook zyn vele inwoners van ons dorp, Leden van het groot Leesgezelschap van Middelstum.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De meesten hebben hun bestaan van de landbouw, veeteelt en een weinig paardefokkery en de overigen van handwerken, koophandel en dagloners.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

In de dagelyksch omgang spreekt men hier de platduitsche tongval. De uitspraak der taal is by ons, gelyk in geheel Groningerland, zoo gebrekkig, dat men aan vele woorden, veeltyds eenen verkeerden klank geeft: zoo dat men
 

a als o uitspreekt   b.v. hou voor hoe
i   u     joe   u
e   i     hoes   huis
o   a     kiender   kinder
u   joe     mie   my
y   ie     guster   gister
au   aau     dogt   dagt
ei   ai     gyn   geen
ou   ol     an   aan
          west   weest
          altied   altyd
          ynmaal   eenmaal
          lost   laast
          verdrytig   verdrietig
          nyt   niet
          niks   niets, enz.

ik zal vuur aanbuiten.
ik zal mie vetboeijen.
ik zal 't tuug aantrekken, enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De meeste der landbouwers en handwerkers bezitten vele goede zeden, als: Godsdienstig, vriendelyk, bescheiden, dienstvaardig, eerlyk en verdraagzaam in den Godsdienst: doch alle inwoners bezitten niet die deugden. Men vindt onder de mindere volksklasse vele zedenloosheid; en dit zal zeker aan eene verwaarloosde opvoeding toe te schryven zyn.
De levenswyze van de landman is: dat zy ' s morgens in den zomertyd te 3 uren opstaan, om 7 uur met eene grage maag aan tavel komen: waar zy dan met honger en smaak zoo veel roggenbrood en karnemelksbry eten  als hun blieft; van 9 tot 12 uur werken, en om 12 uur hun middagmaal houden; bestaande meestyds uit  voortbrengsels van zyn land, en een ruime party spek of vleesch. - ' s Namiddags te 2 uur weder aan het werk en om 6 uur nemen zy hun avondeten; bestaande gewoonlyk uit het overschot van het middagmaal van den  vorige dag en karnemelksbry. De tyd van eten wordt 's middags en 's avonds door het luiden van de dorps- klok aangekondigd. Des avonds 8 of 9 uur gaan ze ter ruste. -In den wintertyd staat het Boerenvolk des morgens te 2, -3, -4-, of 5 uren op, al naar mate zy veel of weinig te dorschen hebben, eet ' s morgens om 6-, ' s middags om 12-, en 's avonds tegen donkeren, en gaan te 7 a 8 uren te bedde. -Des zaterdags namiddags werken zy niet meer dan des avonds de koeijen te voederen.
Sommige handwerkslieden, als: Smid, Wagenmaker, Schoenmaker, Kuiper enz. werken zoowel in den  zomer als winter van 's morgens 5 tot ' s avonds 7 uur; anderen, als: Kleermaker, timmerman, broodbakker, horologiemaker, enz. werken in den zomer, sommige 's morgens van 5-, anderen van 6 uur; en in den winter sommige van s' morgens 6- anderen van 7- tot ' s avonds 6 uur; en gaan om 9 of 8 uur ter ruste.
Veel gegoede en beschaafde landbouwers begeven zich gewoonlyk tweemaal in de week naar eene Herberg om naar de markpryzen te vernemen, de Couranten te lezen en over het gelezene te spreken welke gesprek ook veeltyds valt op hun tydelyk beroep betreklyk, als: over de behandeling van het land en het vee, van koorn en boter, enz.
Tot hunne vermakelykheden, zoo wel Boer als Burger, behooren de Kermissen, Landmarkten en Boeldagen (verkoopings) van Boerenbeslag en huissieraden.
In den winter zyn de Burgermannen en vrouwen liefhebbers van bezoeken, 't welke gewoonlyk 's zondags avonds te 7 uur begint en te 10, 11 of 12 uur eindigt. Daar leeft men dan regt vrolyk en vertrouwelyk onder
het drinken van een kopje koffy of chocolade en na hetzelve een glaasje genever en brandewyn. Op dezelfde tyden worden de Herbergen en Burgerhuizen sterk bezocht van jonge ongehuwden,  welke onder gebruik van sterken drank of koffy, of beiden, tot ' s avonds 10 uur of later, ook als dan vrolyk leven.
De trouw- en begravenisplegtigheden zyn by vorige tyden, thans zeer eenvoudig en minkostbaar.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Ten Noordoosten (1/4 uur van hier) staat het huis Klinkenborg met zyn cingels, lanen en grachten; bestaande uit twee schathuizen, een ten Oosten en een ten Westen, met twee poortkamers ten zuiden voor de Schathuizen. Men zegt, dat de Stichter van hetzelve verder Noordwaards, eene groote ronde diepe kom (nog aanwezig) heeft laten graven, ten einde aldaar een Burgt in ' t water te laten optrekken; maar zyne gelden verspild ziende is zulks tot heden toe achtergebleven.
Oude spookverschyningen zyn hier niet bekend, en aan nieuwen gelooft men niet meer.


Indien ik in het een en ander niet wel aan het oogmerk mogte voldaan hebben, bied ik my verder, na bekomen bericht, tot uwen dienst aan.

J. van Bolhuis.

Schoolonderw.