Zoek op de website

Kloosterburen

Antwoorden op de vragen van de Commissie van onderwijs in de provincie Groningen, van den 10 Juny 1828

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam van onze woonplaats is Kloosterburen.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Kloosterburen bestaat voornamelyk uit twee deelen, het eigenlyke Kloosterburen, ook Oldenklooster, alwaar tot 1815 de kerk stond, doch die toen afgebroken is, en de Molenrijge, nagenoeg 10 minuten wandelen ten oosten van het eerstgenoemde verwijderd. Voorts vindt men wederom ongeveer 10 minuten oostwaarts van de Molenrijge een tweetal boerenplaatsen, Nijenklooster geheeten; zijnde deze buurt deze omstreeks 20 minuten ten oosten van Oldenklooster gelegen. – Nagenoeg een kwartier uurs noordoostwaarts van Oldenklooster bevinden zich, verder, eenige kleine huisjes, die gezamenlijk den naam van Bultje dragen, terwijl in dezelfde strekking, doch 5 minuten naderbij, aan eenige huisjes den naam van Lutjeboeren gegeven wordt. – Nog heeft men omstreeks een kwartier uurs regt ten noorden van Oldenklooster, en dus zeer nabij den algemeenen  zeedijk, eene buurt, die Dam wordt geheeten, en die in het noorden eindigt  met twee boerenplaatsen onmiddellijk aan den zeedijk, van welk de ééne Oud- en de andere, omdat zij voor weinige jaren nieuw getimmerd is, Nieuw-Bokum genaamd wordt. – Eindelijk vind men  omstreeks ¾ uurs ten westen van Oldenklooster eene boerenplaats, die den naam van Westerklooster draagt, terwijl men op dezelfden afstand zuidwaarts twee boerenplaatsen aantreft, die slechts door eenige bunders lands van elkander gescheiden zijn, en waarvan de westelijkste de Groote- en de oostelijkste de Kleine Baat geheeten wordt.  De naam van Molenrijge zal afkomstig zijn van de korenmolens, welke met de huizen langs de eene zijde van den weg in dezelfde rij staan. – Nijenklooster was de naam van een klooster, hetwelk te dezer plaatse ten  dienste van mannen, welke eerst eenigen tijd met de vrouwen in hetzelfde gebouw geweest waren, doch die men naderhand, om zekere reden, van deze laatste afzonderde, gesticht en ter onderscheiding van het oude klooster alzoo genoemd werd. – De naam van Bultje zal afkomstig zijn van eene hoogte in welker nabijheid deze huisjes gebouwd zijn. – Lutjeboeren kan ook hier het tegengestelde van groote boeren beteekenen, naardien sommige uit deze buurt door het bezit van eenen grooten tuin of van eenig land eenigen landbouw beoefenen en dus gezegd kunnen worden eenigzins boer te zijn. – De naam van Dam komt af van eenen dam, welke in vroegeren tijd door een hek afgesloten werd, doch die thans voor ieder een open staat. Westerklooster heeft, volgens sommigen, dezen naam van een klooster, dat hier weleer zoude gestaan hebben; anderen echter meenen, dat deze naam herkomstig is van de westelijke ligging dezer plaats met opzigt tot Oldenklooster. – Wat de namen Groote- en Kleine Baat betreft, de onderscheiding van groote en kleine zal te vinden zijn in de ongelijke uitgestrektheid dier beide plaatsen zelve, doch vanwaar Baat herkomstig moge wezen, laat zich zelfs moeijelijk gissen. Daar men hier in den dagelijkschen spreektrant aan den houten toestel, welker over slooten of grachten gelegd wordt, ten einde daar over te kunnen gaan of rijden, den naam van bad geeft, zoo zoude  hiervan het woord Baat kunnen worden afgeleid, naardien genoemde plaatsen aan een maar of kanaal liggen, waarover misschien in ouden tijd, ter bevordering van de gemeenschap tusschen het klooster alhier en de  Proostdij van Leens, zoodanig bad gelegen heeft, hetgene ook nog schijnt bevestigd te worden door eenen ouden weg; ook nu nog de Baatweg geheeten, welke naar dit maar geleidt en van welken het bekend is, dat  dezelfde oulings tot evengenoemd einde is gebezigd geworden. Ook kan baat, volgens dezelfs beteekenis hulp beteekenen. Het land onder de Groote- en Kleine Baat toch is van eene veel mindere hoedanigheid dan de  overige grond dezes dorps. Het kan in overöuden tijd eene onderlinge of algemeene weide geweest zijn, die naderhand aan Oldenklooster getrokken is, zoodat men wellicht schertsend zeide: ‘ Alle baat helpt’ . – Ten aanzien, eindelijk, van den naamsoorsprong van Kloosterburen zelf mogen wij stelliger spreken. Immers is het voormalige klooster alhier in de geschiedenis van dit Gewest genoegzaam bekend, terwijl het  achtergevoegde buren zeker herkomstig is van die huizen en gebouwen, welke zich in de nabijheid van het kloostergebouw zelf bevonden en die daarvan den buren waren. De naam van Oldenklooster, hoedanig men ook het eigenlijke Kloosterburen noemt, is, gelijk boven reeds eenigzins gezegd is, aan dit dorp gegeven na de stichting van het Nijen- of Nieuweklooster en dus om beide van elkander te onderscheiden. Ook komt, gelijk bekend is, dit klooster in de Geschiedenis dezer Provincie voor onder den naam van Oldenklooster in de Marne om het verder te onderscheiden van een voormalige klooster in Fivelingo van dienzelfden naam.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Daar de kerk alhier, gelijk in het begin van het voogaande reeds werd opgegeven, in 1815 is afgebroken, en ik te dier tijde nog te Tienallinge geplaatst was, zoo is het mij onbekend uit welke bouwstoffen de kerk bestaan hebbe. – Het omschrift op onze torenklok luidt in eene vreemde (zoo wij het wel hebben, Latijnsche) taal aldus:
‘ Boltibus of Voltibus. ( want dit is onduidelijk) orare. pro. nestris. Stephany. optat. Gerhardus. de. Wou. me. fecit. Anno. Domini. MCCCCCI.’
Hetwelk zeker iemand aldus vertolkt:
‘ Ten spijt van mijne vijanden heeft Gerhardus de Wou mij, Stephanus, gemaakt in het jaar onzes Heeren  1503;’ doch voor welke vertaling het niet nodig zijn zal dat wij instaandewijl zulks door de Commissie zelve gereedelijk kan worden nagegaan.
 

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Eigenlijk gezegde rivieren of stroomen worden in onze kerkelijke gemeente niet gevonden. Hetgene men hier  van dien aard aantreft, is een maar, beginnende aan het westeinde van de Molenrijge en loopende van daar  een kleine kwartier uurs regt naar het zuiden, als wanneer het naar het oosten draait en zoo lang in deze rigting voorloopt tot hetzelve zich, nu zuid- dan weder oostwaarts krommende, een kwartier uurs omstreeks ten noordoosten van het dorp Wehe met het kanaal van Pieterburen vereenigt en dan, naar het gehucht den Hoorn, den naam van Hoornstermaar bekomt. Dit maar stort zich bij eenen til, de zoogenaamde Abelstok, ¾ uurs ten westen van Mensingeweer, in het Mensingerweerster-diep, loopt vervolgens op eenen kleinen  afstand oostwaarts voorbij Warfhuizen en kronlelt eindelijk naar de Schouwerzijl, door welke sluis het zich ontlast. Voorts moet nog melding gemaakt worden van een maar, dat dient voor de uitwatering en scheepvaart van Hornhuizen en daarom ook het Hornhuister-maar geheeten. Het begint een groot kwartier uurs ten zuidoosten van Hornhuizen, loopt vervolgens oostwaarts voort en vereenigt zich daarna al spoedig met het boven beschreven kanaal van Kloosterburen. Het Hornhuister-maar is dat kanaal, in welks nabijheid zich de Groote- en Kleine Baat en de Baatweg bevinden, van welk een en ander in Antw. 2 gewag is gemaakt.- Kolken van belang worden onder het dorp Kloosterburen niet gevonden; doch daar Hornhuizen en Kloosterburen eene kerkelijke zoo wel als eene burgelijke gemeente uitmaken, dienen wij te melden, dat in eerstgenoemde dorp eenige kolken aantreft, die zeer groot en aanzienlijk zijn. De eerste bevindt zich bij de boerderij van de Wedw Pieter Remts Meijer kort binnen den algemeenen zeedijk; deze kolk heeft eenen aanzienlijken omtrek doch is zeer ondiep, naardien men dezelfde sedert langen tijd allengskens zoekt te dempen. Een tweede kolk vindt men 10 minuten nagenoeg westelijker bij de boerenplaats van Simon Jan Rietema; deze is veel dieper dan de vorige en zeer vischrijk. Omstreeks 1/3 van een uur ten westen van laatstgenoemde treft men eene derde kolk aan; zij bevindt zich bij de boerderij van Hendrik Garmts Zuidema en, met de beide vorige, even binnen den algemeenen zeedijk; deze, die mede zeer vischrijk is, is van allen de grootste en moet een vervaarlijke diepte hebben. Nog eene vierde kolk, die echter van minder belang is, bevindt zich weder om eenige minuten westwaarts van de laatstgemelde, nabij de boerenplaats van Klaas Sijpkens, insgelijks binnen den zeedijk, terwijl men eindelijk nog, al weder iets westelijker, eene kolk ontmoet bij de plaats van Bronno Luijes Dijkhuis, welke van de kolken in dezen omtrek geene der onaanzienlijkste is.-

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meren, hetzij aanwezig hetzij voormalige, worden alhier niet gevonden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Van de in deze vraag opgenoemde punten worden alhier slechts dijken aangetroffen. De eerste is de algemeene zeedijk, die achter Kloosterburen zeer hoog en zwaar is en aldaar eene hoogte heeft, boven  het maaiveld, van omstreeks 4 ½ Nederlandsche Ellen; zijne lengte, van het oosten naar het westen, zal iets minder dan ½ uur bedragen. De tweede dijk is die, welke achter dit dorp de polders insluit; dezelfs hoogte beloopt nog geene 4 Nederlandsche Ellen, terwijl zijne lengte van die des algemeenen zeedijks weinig verschillen zal. Tusschen deze beide dijken treft men hier en daar de overblijfselen aan van dien dijk, welke in 1717 doorgebroken is, zoodat deze alhier niet, gelijk verder oostwaarts, achter den Andel, Warfum, Uskwerd, Uithuizen, enz. binnen den zeedijk maar buiten denzelfven is gelegen.

7. Welke bosschen zijn daar?

Eigenlijke bosschen worden in dit dorp of diens omtrek niet gevonden.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Het Dieren-rijk levert hier, wat de zoogdieren betreft, paarden, van welke in dit dorp echter minder een artikel van handel gemaakt wordt dan wel in sommige andere oorden der Provincie; voorts koeijen, van welke er jaarlijks een groot aantal naar Holland verkocht wordt; - schapen, waarvan ook jaarlijks vele door de in den omtrek of te Groningen wonende slagers worden opgekocht; - zwijnen van welk hier mede een groot aantal wordt aangefokt, doch hetwelk echter door het invoeren van vele Westerwoldsche en Drentsche varkens vermindert. Ook vindt men hier hazen, wier getal echter door de  vlijtige en dikwerf ontijdige jagt op dezelve allengskens kleiner wordt; - bunsings, welker huiden wel eens duur verkocht worden; - wezels en hermelijnen wier vellen ook gretig worden opgezocht; vossen en otters worden hier zelden aangetroffen. – Onder de vogelen vindt men hier zwanen, ganzen, eenden en hoenderen, van welke de beide eerstgemelde, en inzonderheid de zwanen vanwege derzelver huid, welëer een niet  onbelangerijk voorwerp van handel waren, doch thans alleen voor eigen gebruik en liefhebberij worden aangehouden. Kalkoenen en paauwen vindt men hier schaars en niet dan bij enkele Heerhuizen of  aanzienlijke boerenplaatsen, hetgene ook het geval met de wilde duiven is, die mede doorgaans alleen bij de burgten of voorname boerderijën hare tillen hebben. Wilde eendvogels, sneppen en roerdompen worden hier ook gevonden, gelijk mede wilde ganzen, welke laatste zich veelal nabij de zee ophouden en aldaar,  inzonderheid in den herfst bij ontstuiming weder, geschoten worden. – De vischvangst is in dit dorp, waar geene andere wateren dan de slooten om de landen zijn, van weinige beteekenis. – Een enkele liefhebber houdt hier eenige korven met bijën, gelijk ook enkelen zich voor eene wijletijds met de garnaal- en mosselvangst bemoeijen, welke dieren in het wad achter dit dorp genoegzaam voor handen zijn. –
De voornaamste voortbrengselen uit het Planten-rijk alhier zijn de onderscheidene korensoorten, rogge, gerst, haver, tarwe, welk laatstgenoemd product hier echter, om de ongeschiktheid van den grond daarvoor, weinig verbouwd wordt; - voorts winter- en zomer-koolzaad, groene-, gele-, en graauwe erwten en zeer vele  aardappelen, die algemeen geacht zijn. Vlas wordt er niet meer dan voor eigen gebruik geteeld, gelijk dit ook het geval is met de velerhande soorten van keukengroenten, als daar zijn: kool, wortelen, groote boonen, enz.  Van de algemeen bekende geneesmiddelen uit het Groeijend-rijk, welke hier voorkomen, als: vlier, kamille, paardebloem, kweekgras en meer andere, wordt door de Geneesheeren te lande in der tijd ingezameld en bewaard.
Het Delfstoffelijk-rijk biedt hier geene voortbrengselen aan dan de huisjes van zekere schaaldieren, in het algemeen schil geheeten, welke met schepen van uit het wad gehaald en dan de kalkbranderijën gesleten wordt; doch ook deze schelpen, hoe zeer op zich zelve delfstoffelijk, zijn nogtans van groeijenden oorsprong.-

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond onzes dorps is over het geheel zavelig; ten zuidwesten, bij en om de meergemelde Groote- en Kleine Baat, echter, vindt men eene vrij groote uitgestrektheid, die van eene veel mindere hoedanigheid dan de  overige grond en zelfs vrij oerachtig is. Op de ingedijkte polders heeft men hier klei, die echter, gelijk natuurlijk is, achter of naar den zeekant zandiger is dan vóórop of nabij den zeedijk. De mindere of meerdere diepte van de eigenlijke vruchtbare aarde is op de onderscheidene plaatsen zeer verschillend; op die uitgestrektheid gronds in ons dorp, welke van eene mindere hoedanigheid dat het overige land is, en waarvan wij zoo even spraken, bedraagt de dikte van den bebouwbaren grond slechts 2 of 3 palmen; op deze eerste aardlaag volgt geel zand, terwijl men vervolgens witächtig welzand bekomt. De polderlanden zijn hier de beste; op dezelve zal de zavelige klei op sommige plaatsen nagenoeg eene diepte van ruim 1/2 Nederlandsche Elle hebben, gelijk dezelve ook op onze binnenlanden wel de dikte heeft van 4 of 5 palmen.-

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Eigenlijk gezegde kunsten of wetenschappen worden in dorp van landbouw en veelteelt niet beoefend. Niettegenstaande dit vindt men hier, gelijk allerwege, sommigen, welke van lectuur en oefening meer werks maken dan andere hunner dorpsgenooten.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men heeft hier omstreeks 10 minuten ten westen aan den rijweg naar Hornhuizen de chichorei-fabrijk van Enne Yzebrands Musschenga, die dit product zelf verbouwt, droogt, maalt en verder bewerkt, en wiens chichorei algemeen zeer bekend en geacht is. Voorts bezit ons dorp twee korenmolens, waarvan op den  eenen rogge gemalen en op den anderen gerst gepeld wordt. De handwerken, welke hier gedreven worden, zijn de zoodanige, als vereischt worden ter vervulling der eerste maatschappelijke behoeften in het  algemeen en van die des landbouws in het bijzonder. Zoo vindt men te Kloosterburen 3 broodbakkers, drie ijzersmeden, 2 kuipers, eenige timmerlieden, 3 linnenwevers, onderscheidene kleermakers en  schoenmakers, twee verwers en glazemakers, benevens een genoegzaam aantal winkeliers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is hier, wegens de nabijheid der Noordzee, over het geheel vochtig en onbestendig. Het verschil in warmte en koude is des zomers op denzelfden dag dikwerf zeer aanmerkelijk. De koele en vochtige zeedampen, die tegen den avond tot ons overkomen, veroorzaken niet zelden dat de thermometer alsdan 15 of 20 graden lager teekent dan op en kort na den middag.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

In het kerspel Kloosterburen, bevindt zich, gelijk reeds gezegd is, geene kerk meer; doch men heeft er ééne  zeer goede school en één niet onaanzienlijk leesgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Men kan hier gevoeglijk drie standen onderscheiden. Er bevindt zich, vooreerst, een bemiddelde en aanzienlijke boerenstand, ten tweede eene groote menigte schamele daglooners en eindelijk, ten derde een zeker aantal handwerks- of ambachtslieden. Hieruit kan dus gereedelijk blijken, dat de landbouw alhier het eerste en voornaamste middel van bestaan uitmaakt, terwijl voorts de beide overige standen ook, ofschoon meer zijdelings, uit deze bron hun levensonderhoud bekomen. Eene welgezetene zoogenaamde Burgerij wordt te dezer plaatse niet aangetroffen.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Men spreekt hier den platduitschen tongval. Het volgende gesprek tusschen eenen boer en zijne vrouw en dochter benevens zijnen knecht, die wij met den wagen van Kloosterburen naar Groningen zullen laten  rijden, moge de taal in dit dorp nader doen kennen.
Boer. Tou, jan! maak vort; ’t is half zeuven en ‘k mout om half tien ien stad wezen.
Jan. Ja, Boer! dat komt van dei vervl….. olle knol, ‘k heb er weer omtrint ’n half uur achter loopen, eer ‘k hom krigen kon.
B. Krig sweep maar gauw, wi zellen ’t hom dom ’t wel beduden.
J. Waar mout ‘k zitten, Boer! Achter of veur?
B. Gaa maar veur bi mi zitten, din kinnen baide vrouwlu achter.- Nou, bin je klaar?... Vort din maar!
Vrouw. ’t Liekt nog goud, mit ’t weer; ‘k wol wel dat ’t van daag nijt regende, din was beste eer op ‘t oogenblik weer van mien hout of.
B. Dat zel wel gaan; ’t het al zoo lang miterig west, ’t zel doch wel ijn maal weer ophollen, en de zun is gust’r avond heller naa de gront gaan, dat is ’n goud tijken.
J. Ja, Boer! maar daar kin m’altiet nijt op an; v’leden wonsdag ging de zun ook heller onder, en d’ander dag mörgen regende ’t dat ’t sma.
Dochter. Jaa, dou kwam Gees net ’t hoes mit melk en zij had gain dreuge draat an heur.
V. Wi mossen maar nijt veul plaisteren; ‘k het ’n hijle bult bosschoppen ien stad.
B. Zoo heb ‘k er net over docht, Vrouw! wie willen maar an Winsum deur rieden, din kinnende te peeren daar ’n oogenblik oetrusten.
J. Kiek, Boer! wat stait dei kool ontsettend digt.
B. Jaa zij is al wat an de digte kant, maar daar nijt stait daar wast ook nijt.
D. Is dat Winsemer toren al, Vader! dei daar achter dat bos veur ’n dag komt?
B. Jaa, Antje! ’t scheelt nijt veul of wi bin er; ik heb ook zin an ’n piep tabak.
V. Ik mog domt wel geern wat koffi; ‘k heb van mörgen maar twei of drei kop vol hat, en dat mos ‘k nog staand opdrinken.
B. Jaa vrouw! we zellen maaken dat we ien stad wat kriegen; ’t holt ons hier veul te lank op… Ho! Tou, Jan! zig gauw of de peeren ook dörst hemmen, ’t is hier vris water… Hou laat is ’t hier K..?
V. Half negen al? Kom, Jaap! din mou we maar gauw maaken, dat in redder komen.
B. Hou veul geld, K…? As ’t joe belijft; daar is ’n neijs vief stuver; din sel’k wel vief sinten weer om hemmen mouten… vort ol!...
V. Nou, wat is dat kereltje altiet persies en knap; ’t is muilik dat te wat groots liekt. Maar waar zol zien wief altiet wezen? Men krigt heur nooit te zijn.
J. Dei slept ’s mörgens lank, Vrouw! ’t gait heur nijt as joe, dat ze tusken drei en veijer opstait; ’t is ’n hijle jifvrouw; zij lijp lest mit zoo’n staalpuil ien hant.-
B. ’t zel mi rijs nei doun, hou ’t van daag mit de mart is; as ‘k gijn diktun veur onze garst krigen kin, din zel ze nijt weg.
D. As ’t n diktun geldt, Vaader! mag mien oorizer din verbuut worden? ’t is ook ’n dikke partei.
B. Mi dugt, Antje! zukke wigter as doe, konnen ’n mit golden stiften nog wel of.
V. Din mout heur olle dog wat opkookt worden, Jaap! ’t is hijl-en-dal vol boelen.
J. Dat Wetsing is dog ’n naar gat!
B. Jaa, din is Kloosterboeren nog ’n hijl dörp; maar ’t is hier miserabel best grasland; dat kin we heur nijt stoppen.
V. Ze hemmen hier weer veul ander mouden as bi ons; mien lijve, zijt dat mensk daar rijs mit heur kort  schootje an ’t buis; zij lopt er anders kregel genog hen.
B. ‘k Bin blied, dat we haast te Aadörp zin; ‘k mout er absluut rijs of. Mi dunkt, we jagen hier maar ien de schuur; dat ’s nog wat meer ien schoel, omdat peeren ook dog geweldig zwijten.
J. Daar stait ’n vourbak, Boer! zellen ze hier ook gauw ’n vonöm brood hemmen?
B. Nee, Jan! min ’n dik half uur bin we ien stat, din krigen ze dog wat; we zellen ’t hier maar kort ofmaaken… Daar is ’n dubbeltje, kastelein!.... vort!...
D. Zij zoo! Wi kinnen groote toren dog al zijn; ‘k ben ’t varen al zat.
J. Jaa Antje! maar dat zel die nijt touvallen, dei suntermeertens-toren bedrugt ijn vaak, omdat te zoo hoog is.
B. Jaa, maar ’t jagt er nou gauw hen; de weg is hier net as ’n klösbaan.
V. As ‘k wis dat dat wief weer zukke minne koffi maakte as v’leden veurjaar, Jaap! din wol ‘k lijver naar dei  neije harbarg tou; dei lu bin iesselik vrundelk, en men het er stombest zien gerak.
B. Wi kinnen hier ook wel bi ’t Nettelbosje ofspannen, vrouw! din kin we mit ijn rijs op dei zaai gaan.
V. Gekhaid is gekhaid; maar as men ’t geld er veur oetgeeft, din het m’er ook lijfst wat veur.
J. Nou mou je rijs om dat neije kerkhof dinken mit dat holten hoes erbi; dat ’s aardig.
D. Heden, wat is dat groot; maar ‘k mog daar nijt geern zoo digt bi nwonen.
B. ‘k Loof dat er vrij wat volk ien stad is; er staan ten minsen ’n hijle bult seezen en waagens; wi zellen ons  hier ook maar bivougen; ’t is ’n beste stalknecht… Dag, Willem! kom gauw de peeren op stal, maar veural nijt digt bi deur.
J. Gaat maar mit ’n kander naa boven, boer! ik zel wel zörgen dat ’t gout wort.
V. Doe mosse sweep en kussens ook mit nemen, Jan! hier lopt van allerlai volk min kin ’t nooit wijten.
D. Heurt dat wief rijs, Mouder! wat ropt ze hard van: ‘schol en schelvisch!’
V. Kom, kom; maar gaauw naa binnen; ‘k loof dat ’t al laat is.-
(Hier zullen wij het Gezelschap, bij hetwelk wij misschien reeds te lang vertoefd hebben, verlaten, en nog een lijstje laten volgen van eenige woorden, voor het grootste gedeelte uit Westendorp’s Leerrede genomen, welk hier mede, ofschoon met eenige verandering, in gebruik zijn.)

Lijstje

Tweebak (Alzoo geheeten omdat zij twee malen gebakken wordt; dewijl het zamengesteld is uit bis en cuire.)
 
Bischuit
Bazen (Misschien met zinspeling op baas, de baas wezen; omdat iemand, die ijlt, als het ware zeggen mag wat hij verkiest)
 
Ylen
Bijeren   de maan bijert,
is in het afgaan.
Beijen   beziën
Brokkel (Denkelijk van broos, ligt breekbaar; men denke hier aan hetspreekwoord: Hoogmoed komt vóór de val.)
 
trotsch
Danig   zeer, danig mooi,
zeer mooi
Diggels   brokken van
aardewerk
Flarren   oude lompen.
Gel   niet dragtig
( van dieren, in zonderheid
van schapen).
Gust   eene guste, eene niet-
melkgevende koe
Goel   oud werkpaard
Hij   voor beide seksen.
Jonges   kinderen van beiderlei
kunnen
Lakken   lagchen
Maren   weenen; aarden; hij maart
daar goed
Meert   bunsing
Meid   maagd
Mem   moeder; doch alleen bij de
geringste volksklasse
Möllen   molen
Ontgelden   boeten
Patten   kussen (werkwoord)
Permantig   hetzelfde als brokkel
Rest   iemand de rest geven,
afmaken
Schet (Misschien van schat, schatten, werkw.) gescheiden
Schoeg   schoen
Snaarske   broeders vrouw
Toom   menigte, eene toom zeugen
Touboijen   vuil maken
Vent   jongeling, vrijer
vuil   arbeidzaam, zuinig
zok   kous, even over de enkelen
Zeed er, deed er   zei hij, deed hij

Van meer andere hier ook in gebruik zijnde woorden willen wij, om derzelver onkieschheids wille, liefst niet gewagen.-

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Daar het der Commissie van Onderwijs buiten allen twijfel om waarheid te doen is, behooren wij bij het schetsen van de inborst onzer dorpsgenooten eene strikte onzijdigheid te bewaren en derhalve zoowel het min gunstige als het goede op te merken. Echter willen wij gaarne, ingevolge den aard der liefde, in de  eerste plaats van het goede gewagen en alzoo een begin te maken met te betuigen, dat het heerschend karakter van de inwoners dezes dorps, dat wel voor de helft uit Christenen van de Roomsche kerk bestaat, over het geheel, voor het uitwendige, gul en openhartig is. Ook zijn er de menschen arbeidzaam  in hun beroep, doch bij de geringste volksklasse veelal de tering naar de nering zettende; voorts is men hier, in het algemeen, dienstvaardig en welwillend, doch liefst zonder merkelijke opoffering te willen doen. Op de uitoefening van de openbare godsdienst wordt er, over het geheel, mede behoorlijken prijs gesteld, en de diefstal heerscht hier vooral niet meerder dan in de andere dorpen van dezen omtrek of in verder afgelegene oorden der Provincie. Aan den anderen kant echter, zijn de menschen hier, in het algemeen, zinnelijk, en gelijk wij meenen opgemerkt te hebben, in lange niet vrij van geveinsdheid en lasterzucht, hetgene dus de goede zijde des karakters niet weinig verdonkert; en echte vriendschap hier tot eene zeldzaamheid maakt.  De levenswijze is hier die, welke, over het geheel genomen, gezegd kan worden aan den landbouwers-  en daglooners- stand eigen te zijn. Ruwheid is voorts de hoofdtrek der hier heerschende zeden. Het vloeken en het misbruiken van Gods naam zijn er geene zeldzame verschijnselen en maken het den onderwijzer moeijelijk, om in de zedelijke opvoeding naar wensch te slagen. Het schijnt als of, door den omgang met paarden en koeijen en door de nabijheid der Noordzee, de eigendommelijke geaardheid dezer voorwerpen op de redelijke bewoneren dezer plaats overgaat. De alhier heerschende gewoonten met opzigt tot het een en ander zijn de volgende. De tijd van opstaan is bij  den boerenstand des zomers te half vier en des winters te vier uren. Men ontbijt dan in het zomersaizoen te half acht en in het winterjaargetijde te zeven uren. Te twaalf uren des middags wordt er bij allen gegeten. De tijd van avondëten wordt des zomers gerekend te zes uren te zijn, terwijl zulks in den herfst te half zes en des winters te vijf uren geschiedt. – Te tien uren zal men zich, over het geheel, des zomers ter ruste  begeven in des winter geschiedt zulks, over het algemeen gerekend, niet na negen uren. Onze handwerkslieden of dusgenaamde Burgerij heeft van dit een en ander geenen zo gezetten tijd; zij slaapt, zoo wel des zomers als des winters, iets langer, eet ook veelal des morgens en des avonds iets later, doch geniet het middagëten met de overigen op dezelfden tijd. De meest geliefkoosde vermaken onzer dorpelingen zijn de gewone kermissen en harddraverijën te lande, ook maken zij veelal gebruik van de zoogenaamde boeldagen. Het schieten naar den papegaai is hier mede niet ongewoon; en het werpen met een stuk hout naar eene ton, waarin eene levende kat verborgen is, moge voorts nog eenen wenk van deze volksbeschaving te dezer plaats geven. – Om eene uitspanning te nemen, bezoekt men elkander of voor den geheelen dag of slechts gedurende den avond na den eten. Er wordt dan opgedischt naar dat men gewoon is of zich bemiddeld acht; bij den welgestelden des middags onderscheidene geregten en bij een avondbezoek chocolade, - bij den minder gegoeden slechts één geregt en bij eene avondvisite koffij. De gesprekken over tafel zij bij den boerenstand, vooral indien de heer des huizes en zijne vrouw van de dienstboden afgezonderd eten, niet zelden zeer ruw of onkiesch, en het gebed bestaat dan bij velen, niet bij allen, in het voor weinige oogenblikken in de hoed of de muts te kijken; waarom men dan bij den aanvang des etens wel eens vragen hoort: ‘ of men gauw wat zal mutsken?!’  De plegtigheden bij het trouwen zijn sedert eenige jaren zeer afgenomen. Men gaat met de naaste  bloedverwanten en de vereischte getuigen naar het Gemeente-lokaal, drinkt daar veelal eene mindere of meerdere hoeveelheid brandewijn of jenever, en gaat, na de voltrekking des huwelijks, door den  Burgermeester, naar de woning der nieuwsgetrouwden terug, waar dan het overige van den dag, naar gelange der omstandigheden, gesleten wordt. – Bij begrafenissen of zoogenaamde uitigsten heeft hoofdzakelijk het volgende plaats. Des voormiddags komen de genoodigde bloedverwanten en veelal ook een paar der naaste buren ten sterfhuize bij één. Men drinkt dan gewoonlijk een weinig sterke drank en koffij alvorens het lijk wordt uitgedragen. Dit geschiedt te 12 uren of iets later. Vóór de kist op de  draagbaar gezet wordt, vraagt een der dragers veelal aan de aanwezige familie of men ook verkiest den afgestorvenen nog eens voor het laatst te zien, hetgene dan somstijds begeerd doch ook menigwerf niet verlangd wordt. Nu gaat men, de doode vóórop gedragen wordende, twee aan twee, de naaste bloedverwanten het voorste, kerkhofwaarts. Na dit dan twee malen, onder het luiden der torenklok, zachtkens rond  gewandeld te hebben, wordt de kist in het graf neder gelaten en een hol gerommel der op dezelfde nederploffende aarde geeft het niet geheel ongevoelig hart eene nog weemoediger stemming. Het ligchaam aldus begraven zijnde, gedenkt men, in een daartoe aangebragt koperen bekken, den  armen en keert, in dezelfde orde als men gekomen is, huiswaarts, waar als dan de tafel reeds bereid is. Bij den welgegoeden en aanzienlijken vindt men dan onderscheidene geregten, bestaande in soupe, aardappelen, rijst, erwten, vleesch, enz.; bij den minder gegeoeden eet men eerst wittebrood van tarwe en daarna eenen brij van rijst in melk gekookt; dit laatste gebruik vindt ook reeds bij andere welgestelden somwijlen navolging. Na den eten, dat, bij aldien er een predikant genoodigt is, met een overluid gebed begonnen en besloten wordt, wordt er door de mannen gerookt en door allen bier, thee of koffij gedronken; tegen den avond begeeft een ieder zich naar zijne woning terug. Eindelijk wordt er des avonds of  ten  sterfhuize of bij iemand der naburen aan de gezamenlijke bewoners eene kluft bier gegeven, waarvan de hoeveelheid geëvenredigd is aan den meerderen of minderen ouderdom van hem of van haar die overleden is. Uit de boeten, welke onstaan door het niet opkomen om den doode te ontkleeden, in de kist te leggen, te begraven, enz. wordt in elke kluft een fonds gevormd, dat jaarlijks door de gezamenlijke buren , tot die kluft behoorende, verteerd wordt. Men drinkt dan veeltijds bier of chocolade en sterken drank, door welk laatste, hoe onkiesch en tegennatuurlijk ook, het kluftbier dan meenigmalen een  kluchtbier wordt.-

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Tegenwoordige of voormalige burgten zijn te Kloosterburen niet bekend. Te Hornhuizen vindt men alleen de overblijfselen van het sedert lange jaren afgebroken huis Tamminga; doch zulks zal zeker door den onderwijzer aldaar worden opgegeven. Aangaande spookverschijningen en soortgelijke ongerijmdheden is het hier niet zoo zuiver als dit wel te wenschen zoude zijn. Dat er zoogenaamde voorloopen van sterfgevallen bestaan en dat sommige afgestorvenen na hunnen dood wederom op aarde rondwaren, wordt door velen van de geringste volksklasse geloofd. Ook zijn eenige plaatsen wegens spookerij boven andere berucht; ‘hier liep, zoo vertelt men elkander wel eens, eene oude juffer, - dáár verscheen welëer de booze’. – Ten aanzien van heksen wordt er ook nog wel eens gekeuveld: ‘ Zeker iemand had bij eene oude vrouw eene appel gegeten en was terstond zeker ziek geworden, - dáár had men eens uit de hoofdkussens verscheidene kransen gehaald, - op zekere plaats kriebelde het welëer van katten’.  Wij gelooven alzoo der waarheid niet te kort te doen, door te stellen, dat enkele lieden in ons dorp ook nog min of meer besmet zijn met het bijgeloof aan toverij. –  Andere overleveringen, bijzondere oude liedjes of gezangen en wat meer van dien aard is, hebben wij niet kunnen opsporen. –
Wij wenschen der Commissie met de beantwoording der vorenstaande vragen eenige dienst gedaan te hebben, en verzoeken voor onnaauwkeurigheden ten opzigte van taal, spelling en interpunctie bescheidenlijk verschooning

R.A. Tenhuis, onderwijzer.
Kloosterburen, in October 1828.