Zoek op de website

Kolham

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Kolham.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Foksham, de Buitenhuizen, de Bovenhuizen en De Ruiten.
Foksham een half uur ten Zuidwesten van de kerk, de Buitenhuizen een kwartier uurs ten Westnoordwesten, de Bovenhuizen slechts half zoo ver ten OostZuidOosten en de Ruiten een groot kwartier ten Noordoosten.
In den naam Foksham is Foks zeker van gelyken oorsprong met Foks, in Fokshol en ham gelyk met die van ham in Kolham. Men noemt dat gedeelte van Kolham, hetwelk ten noorden van den weg ligt, buiten en dat ten Zuiden boven; van hier, dan Buiten- en Bovenhuizen. De naamsoorsprong van de Ruiten heb ik niet kunnen opsporen.
Kolham is eene voortzetting van den Drentschen bodem, die hier eindigt, en ten noorden met eenen hoek in het lage land uitsteekt: van hier zeker ham. Of het voorzetsel Kol zynen oorsprong verschuldigd zy aan eenen hier oudtyds gewoond hebbenden grooten grondeigenaar Kol genoemd, dan of hier Kolenbranderyen bestaan hebben en men dus daar van Koolham geschreven hebbe is my onbekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of duifsteen is er niet aan de kerk. Het opschrift op de torenklok luidt dus: Vernieuwd toen H. de Sandra Veldman Heer van Slochteren, Kolham etc. etc. etc. Unicus collator; R.A. van Swinderen en H..J. Cock Kerkvoogden waren te Kolham, door Andries Heres van Bergen A° 1808.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De Slochter Ee maakt ten Oosten de scheiding van Slochteren en Kolham, zoo ook op eene enkele plaats de scharmer Ee die van Scharmer en Kolham en het Winschoterdiep, die van Kropswolde en Kolham. – Voorts zyn er nog de Boer- Hof- en Mulderslooten die in genoemde Eeën uitwateren.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Daar, waar de hooge zandige grond een einde neemt, bevindt zich eene aanmerkelyke hooge Streek uit kleine zandheuvels of duinen bestaande, ter hoogte van ongeveer acht voeten en vertoont misschien in het kleine wat Holland op deszelfs westkust in het groote doet.

7. Welke bosschen zijn daar?

Een overblyfsel van het bosch van Vrendenborg, gestaan hebbende op het Hoogezand, doch welks bosch zich meerendeels op Kolhamster bodem bevond. Over het algemeen is het hier vry boschachtig, doch de landbouwers beginnen meer en meer de boomen en het kreupelbosch waarmede de wallen hunner bouw- en weidekampen bezet zyn, te kappen en uit re roeyen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het plantenryk: veel rogge, boekweit, aardappelen en weinig haver, tamelyk veel eiken hout en verder de gewassen aan zandgrond eigen.
Uit het delfstoffelyk ryk: zodem, die men in de heidevelden steekt en tot brandstof gebruikt, en op eene enkele plaats baggerturf. Opmerkelyk is het, dat voor zoo veel my bekend is, in deze zoogenoemde Woudstreek geene keisteenen in den grond gevonden worden, zoo als in de woudstreek van het Westerkwartier, daar er anders veel overeenkomst tussschen deze streken heerscht.
Het Dierenryk bevat niets byzonders dan adders en hagedissen.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

In het Zuidwestelyk gedeelte is het meest moerachtige grond, in het Z.O. vindt met bebouwd zand en toegemaakte grond, de laatste met meer of min 25 ned. duim tuin aarde; in het N.O. bebouwd zand en heideveld, en in het N.W. zandbouwte, heideveld en lage hooilanden.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Die van schoenmaken, kleermaken en timmeren.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Dewyl de grond hier hoog en zandig is, is de lucht hier misschien meer zuiver, dan wel in eenige naburige dorpen, waar de grond laag en gedeeltelyk vergraven is.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier is ééne kerk, ééne school, één Lees- en één zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve die welke hier de genoemde handwerken uitoefenen zyn het hier Landbouwers en enkele daglooners.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Men spreekt hier de Groningerlandsche tongval, waarby valt aan te merken dat men, zoo als wel elders, de i niet in de tweeklank ie verandert en dus kind en niet kiend zegt.
Daar en tegen wordt de tweeklank ou met au verwisseld, en men zegt: een huis bauwen, ook hoort men vaak doit voor duit, bois voor buis enz. De uitgang ien hoort men er veel achter zelfst. naamw. als: stokkien, koppien enz. zoo ook de zachte e in weke (zeven dagen) enz. De eigene naamwoorden worden echter met den uitgang ien niet versierd.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hier is niets merkwaardigs by op te merken.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Kolhuis bezit ééne schoone buitenplaats, Jagtwyk genoemd, staande aan den trekweg van het Winschoter diep. Oudtyds heeft er nog eene burgt gestaan, aan den rydweg, Zuidzyde, een weinig ten Oosten van de kerk, in der tyd behoort hebbende aan de Maneels. Men ziet ook nog in het Oostelyk gedeelte eene oude geregtsplaats, eenige schreden ten noorden van den weg.

(get) F.J. Meyer.