Zoek op de website

Kommerzijl

Gemeente Grypskerk

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Kommerzyl, een gehucht, behoorene onder de Gemeente Oldehove en Grypskerk. Het grenst ten Noorden aan het Ruigezand, ten Oosten aan Niehove alwaar de eene helft der inwoners ter kerk behooren, ten zuiden aan Niezyl en ten westen aan Grypskerk, alwaar de andere helft der inwoners ter kerk gaan. Al deze plaatsen liggen nagenoeg een half uur van Kommerzyl.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Door gebrek van aanteekeningen of overleveringen, kan men, alhier, niets met xekerheid, wegens den naamsoorsprong dezer plaats te weten komen. Eenigen willen wel zeggen, vóór dat deze plaats nog een naam had, de bewoners van dezelve,- welke meest arme lieden waren- gedurig door overstroomingen gekweld werden, en derhalve met kommer en ellende te worstelen hadden. Anderen zeggen: Toen hier nog geene Zyl aanwezig was, en de grond dikwyls door het Zeewater overstroomd werd; waren er te Niezyl, twee Zylen, welke het overtollige water loosden; dan , door de aanslyking, van den grond of door de terugwyking der Zee, ten Noorden van Niezyl, kwamen de inwoners dezer plaats (nl. Niezyl) op het denkbeeld om de Zyl te verleggen (waarom de menschen zoo verheugd waren, dat zy uitriepen: ”daar komt nog eene zyl!’’- Dan wanneer dit gebeurd is, kan niet met zekerheid bepaald worden; waarschynlyk is dit wel geschiedt, ten tyde der Spaansche beroerten in de Nederlanden.-
Voorheen was deze zyl van hout gemaakt, dan, in het jaar 1787, is dezelve nieuws in steen gelegd en aan den zuidkant, met zerken vleugels opgezet, waarvan de een, aan den westkant, fraai met onderscheidene wapens versierd was; maar na het jaar 1795, zyn deze wapens hiervan afgehouwen. Op den vleugel aan den oostkant leest men met eene geschrevene letter (behalve die letter, alwaar drie streken onder staan, deze zyn groote Romeinsche kapitalen) het volgende: In den jare 1787 toen (hier zyn eenige letters afgehouwen) S.L. Alberda Heer van Byma weegens Bomster. De E. Jan Jans wegens Homster, en de E. Alle Halbes weegens Nieslooter zylvest Grietlieden waaren van de Commer of Opslagter Zyl, is deese steenen zyle, in plaats van een houten onder Directie van de Commies Provinciaal G. Bonsema nieuws gelegt.
De plaatsen welke onder de drie zylvesten behooren zyn.
a. Homster, Oldenhove en Niehove
b. Bomster. Grypskerk, Oskwerd, Niezyl, Taan, Niekerk, Oldekerk, Niebert, Nuis, Marum, Noordwyk, Joure en Westerzand.
c. Nieslooter. Midwolde, Tolbert, Lettelbert, Oostwold, Lagemeeden, Rooderwolde en Leutgewolde.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Hier in geene kerk of torenklok derhalve ook geen dufsteen duifsteen aan de eerste, en geene opschriften aan de laatste.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Hier is een diep, onder den naam van Kommerzylster diep. Hetzelve loopt uit de trekvaart naar Stroobos ter lengte van nagenoeg een half uur noordelyk naar Niezyl, onder den naam van Niezylster diep en van hier noordwaarts, onder den naam van Kommerzylsterdiep naar Kommerzyl, ingelyks van nagenoeg een half uur lengte. Dit zelfde diep loopt, ter lengte van nagenoeg ¾ uurs van Kommerzyl eerst noordelyk en vervolgens noordoostelyk onder den naam van Kommerzylster riet naar het Reitdiep. In vorige jaren had deze Riet of waterlozing eenen noordwestelyken loop, maar doordien zy telkens door het slyk toegedempt werd, heeft men haar in het jaar 1741 die rigting gegeven, welke zy thans nog heeft. Nagenoeg 10 minuten ten Zuiden van Kommerzyl, heeft men nog eene kleine vaart naar Niehove onder den naam van Niehoofster diepje bekend.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Noch aanwezige, noch drooggemalene meeren worden hier gevonden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Noch gasten, wierden, warven, essen, heuvels noch hoogten zyn hier aanwezig. De hooge dyk, welke het Zeewater keert, heeft by de Zyl eene hoogte van 5.67 El boven het waterpas (Volgens de Circulaire van de Commissie van Onderwys in de Prov. Gron.: v.d. 12 Juny 1827, heeft het Schoolonderw: Gezelschap van Westlangewold de hoogte van den grond te Kommerzyl opgegeven 1 El boven het waterpas. Hierna gerekend, dan heeft de dyk die hoogte, welke in den tekst aangeteekend staat).

7. Welke bosschen zijn daar?

Hier zyn geene bosschen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

8. De voortbrengselen uit de drie Natuurryken:
a. Uit het Delfstoffelykryk: Niets.
b. Uit het Plantenryk: Onder de grassoorten heeft men Rood en Wit Klaverzaad, rogge, doch weinig meer als tot eigen gebruik.- Gerst wordt hier veel verbouwd, voornamelyk wintergerst; zomergerst heeft men hier weinig.- Zwarte voerhaver, tot eigen gebruik, witte en fyne voerhaver, menigvuldig.
Onder de Kruiden en planten, heeft men: Vele aardappelen, welke zeer goed zyn, roode en witte kool- Vlas, Kool- of raapzaad, zeer weinig hennip. Alsmede: velerlei soorten van tuinvruchten: zoo als Turksche en andere boonen, salade, komkommers, koolrapen, uijen, roode en geele wortels; knollen zeer weinig.
Onder de heersters heeft men: Aal- en Kruisbezieën, weinig frambozen en wynstok.
Onder de boomen heeft men: Appel, peren, pruimen- kersen, Abrikozen- perzik- en Walnooten boomen. Eiken worden zeer schaarsch gevonden; echter meer linde en yperen boomen.
c. Uit het Dierenryk
Insecten: Onderscheidene vliegen
Visschen: Snoek, veel aal of paling, zoodat hier jaarlyks wel tusschen de 1000 en 1500 Nederlandsche ponden gevangen worden, alsmede voorn, brasem, baars, weinig karpers.
Amphibien: Kikvorschen en padden.
Vogels: De zwaan, de gans, het eend, de hoenders, de kalkoen, alsmede eenige paauwen. –Voorts heeft men hier duiven, musschen, leeuwerikken, kanarievogels, welke meest voor eigen liefhebbery aangekweekt worden.- Onder de trekvogels heeft men hier: den Ooijevaar, de Kieviet, de gryze Kraai, de vink, de Spreeuw, het bouwmantje en de putter - kat-, rat- en steenuilen. De valk vertoont zich hier weinig.
Zoogdieren: Het rundvee; het paard, het schaap, het varken, de bok; alsmede de hond en de kat.- Water- en huisratten, huis- en veldmuizen; weinige vledermuizen, mollen wezels, bonseins en de haas.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Het bovenste gedeelte van den grond, is een vry goede en vruchtbare teelgrond, met klei en slyk zand vereenigd; doch eenige palmen dieper, heeft men op eenige plaatsen eene meer zandachtige, of ook wel eene rood en pekachtige aarde en moeyelyk om te bearbeiden; en op andere plaatsen, heeft men eenen zavelachtigen grond, welke naar het oordeel van deskundigen, door bearbeiding, vruchtbaar kan gemaakt worden.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene Kunsten of Wetenschappen worden hier beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Hier zyn Fabryken, noch trafyken. Behalve 1 broodbakker, 3 Schoenmakers, 2 stelmakers, 2 timmerlieden, 1 Kleermaker, 1 Smid, Waarman, Winkeliers enz. vinden de overige inwoners dezer plaats, hun bestaan, in, op het land te werken. Eenigen als daglonners by den boer. Anderen, in land te huren, om aardappelen en vlas te verbouwen, welke zy dan voor hunne eigene rekening verhandelen of verkoopen.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier veranderlyk en meestal vochtig, en ongezond voor die genen, welke uit de woldstreken en van eenen zandachtigen grond komen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Noch kerken, noch lees- en zanggezelschappen worden hier gevonden. Hier is eene vry goede, ruime en luchtige school; gebouwd in het jaar 1818.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Hunne middelen van bestaan in n⁰ 11 opgegeven.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne platte taal zal men nagenoeg kunnen opmaken, uit de volgende Zamenspraak tusschen A. en B.:
A: Goeije avend met n’ ander; hoe gait, nog wel?-
B: Ook goeijen avend; hoe gait jei nog
A: Ook nog goed; maar ik bin zoo moede van ’t arbaijen, dat ik verlang te slapen.
B: Zoo gait het my ook; ik heb al de hiele dag op it land an ’t riepelen west, dat ik mien pukkel háást niet overend kan hollen, en de wieven hebben ook zegt, dat zy mit ’t teppen hiel vuul had hebben, en de jonges wassen ook zoo moede, dat zy anstonds ná bed gáán binnen.
A: Nou, dat loof ik, als min de hiele dag arbait, dan kan men zien nucht wel kriegen; máár hoe zit het mit tit vlas?-
B: Hiel slecht; deur ’t veule regen, is de knop lang niet riep worden, en als min ’t nog langer staan lat, dan het min it nog veul mender, want dan verröt de hiele boel nog op it land.
A: De vlaskers treffen het lang niet goed van dit jáár.
B: Dat hest wel; men kan by goede jàren úút de knop, de landhuur betalen en nou van dit jáár het tit ter wel an, dat min úút de knop en it vlas zien geld kriegen kan.
A: Ja ’t is slem, in de boer moet toch ook zien geld hebben, of min kan op n’ ander jáár gien land meer kriegen.
B: Dat is wáár. Ik heb ook al tegen miën wief zegt, dat wie de boer vragen willen, of hy zoo lang mit it geld wachten wil, zoo lang als wie de eerdappels dálen en verkoopen.
A: Nou joe boer is nog al een goeije kerel, en hy wil de arbaiders ook nog wel goed doen.
B: Dat is hy ook; maar hy wil toch ook geern zien geld hebben.
A: Nou, zoo gait het nog al veul mensken; maar hoe gait het mit dien eerdappels?-
B: Och, jonge! Niet veul beter, als mit it vlas; deur het veul natjen bin er veul verröt en ik kan ook háást gien wieven kriegen, die mie de eerdappels uutreujen; want ze zeggen maar, als het zoo natjet dan willen ze voor 6 Stuver heur niet verkleumen laten op it land.
A: Nou 6 Stuver is toch ook niet genoeg; want als zy kool houken en in de maitied stiekel wieden, dan verdienen ze ook 6 Stuver in daghuur en als ze bienen, dan kriegen ze van de 100 hok vieftien Stuver.
B: Ik wil niet zeggen, dat de wieven niet genoeg kriegen; maar wie kennen haast niet meer geven: want verleden jáár hebben wie máár vief Stuver veur de körf eerdappels had, en de lesten heb ik nog an mien zwien voert.
A: Ik hoop, dat de eerdappels van dit jáár duurder worden zullen.
B: Dat wol ik ook wel, anders bin de eerdappelsbouwers maar ongelukkig.
A: Dat bin zie ook. Maar hoe láat is it al?
B: De groote klok het zoo even 9 uur slagen.
A: Dan wordt het ook tied, dat ik náá bed koom.
B: En ik ook: want ik was al om vier uur op, en om vief uur was ik al an ’t riepelen.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het Algemeen karakter der inwoners dezer plaats, is zoo als op vele plaatsen in deze provincie. Met de wellevendheid der fatsoenlyke klasse uit de groote steden zeer weinig bekend, zyn zy over het algemeen vriendelyk, opregt en hunne zeden eenvoudig. Van praatachtigheid en nieuwsgierigheid kan men hen niet vry pleiten, zoodat, wanneer er iets gebeurd, dan moet dit, hoe gering ook, by de eerste gelegenheid verteld worden. – Wanneer des avonds by goed weder, maar twee by elkander staan te praten, dan voegen zich telkens die genen er by, welke hen voorby gaan. Komt men elkander te gemoet, terstond vraagt men naar het nieuws van den dag, en zelden heeft men by zulk eene gelegenheid, na weinig tyds, maar twee, meer by elkander. – Hun tyd van opstaan, is over het algemeen in den zomer ’s morgens om 3½ of 4 uur; van ontbyten om 8 of 8½ uur; middageten om 12 uur, avondeten om 6 of 6½ uur en naar bed gaan ten 9 ure. In den winter is hun opstaan ’s morgens te 4 het ontbyten te 7, middageten te 12 en het avond eten ten 5 uren.- Vermaken en uitspanningen hebben hier weinig plaats, terwyl men hiertoe geene gelegenheden heeft. Somtyds heeft men wel eens jongelieden by elkander, die door stoeijen zingen, spelen, voor hen, op eene aangename wyze bezig zyn, en dit gebeurt zoo dikwyls, als zy van de boeldagen, harddraveryen en wel voornamelyk van de kermissen, welke op naburige dorpen gehouden worden terug komen.- De wyze van bezoeken is verschillend, somtyds wordt men genoodigd, somtyds bezoekt men elkander ongenoodigd. In het laatste geval onthaalt men elkander op koffy en in het eerste geval meestal op eten en drinken en het eten bestaat dan uit een boterham, zynde roggenbrood, krentebrood, beschuiten met kaas. Somtyds gebruikt men hierby koffy, en somtyds drinkt men, als het eten gedaan is. Doordien de menschen alhier weinig lectuur bezitten, zoo wordt dan zulk eene byeenkomst doorgebragt met praten over de dagelyksche omstandigheden. –De tafel bestaat meest uit die voortbrengselen, welke de grond alhier oplevert; terwyl men het eten geene plegtigheden in acht neemt. – Het trouwen is alhier eenvoudig; men verzoekt de naaste vrienden; en zulk een dag wordt door praten, zingen, stoeijen, enz. voor hen op eene aangename wyze doorgebragt. Begravenissen ook eenvoudig; de naaste vrienden vergezellen den overledene naar het graf en by de terugkomst van de begraafplaats, wordt er eerst weinig sterke drank gebruikt, vervolgens gegeten en dan gedronken, en onder dit alles wordt er gepraat over de ziekte, de laatste woorden en het sterven van den overledene.- Hun inborst, denkwyze enz. hoe klein deze plaats ook is, is dit nog al verschillend. De meesten zyn gul, opregt en niet met vooroordelen besmet. Weinigen die nog al tegen de pokinënting en de Evangelische gazangen bedenkingen maken.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Weinige plaatselyke byzonderheden zyn hier meer bekend. Van burgten en voormalige burgten weet men niets. – Spookverschyningen, moeten er wel eens in den omtrek maar nimmer op deze plaats geweest zyn; doch algemeen gelooft men, dat zy hunnen tyd uitgediend hebben.- Van overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, oudheden, merkwaardigheden, weet men niets. – Mannen, welke zich door geboorte, geleerheid, dapperheid verdienstelyk gemaakt hebben, heeft deze plaats, misschien nimmer voortgebragt.