Zoek op de website

Kropswolde

Gemeente Hoogezand

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Kropswolde.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De volgende: Wolfsberge en de nieuwe Compagnie liggende het eerste gehucht een klein half uur ten Zuiden der kerk en het volgende drie vierde uur Zuidoostelijk van dezelve.
Van Wolfsbergen heb ik den naamsoorsprong niet kunnen ontdekken en van de nieuwe Compagnie denk ik, dat men daaraan dien naam geschonken heeft om het te onderscheiden van de andere Compagnieën, zoo als Windeweer, De Borgercompagnie en Tripscompagnie die reeds vroeger zyn aangelegd.
Wat nu Kropswolde aangaat: deze plaats heeft naar myn gevoelen haren naam ontleend van Crup en Woud. Volgens Sicco Benninga een geacht Historie schryver, heeft hier, ten tyde der Romeinsche overheersching, eene landhoeve bestaan, aan zekeren Cruptorix toebehoorende, en denkelyk is dit Crup, naderhand in Krop of Krops veranderd, en hier woud of wolde bygevoegd omdat deze plaats naar het zeggen van oude lieden ryk in groote bosschen was.

Aanmerking van den Heer N.Westendorp.
Hierin heeft de Burgemeester zoo wel als de Burgemeester Altingh na hem zeer, zeer gedwaald.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen vindt men niet aan de kerk, maar wel een opschrift op de torenklok hetwelk dus luidt:
“Die samptlicke eygenerfde ende inwonders tot Cropswolde
“Wulfsbergen ende Foxhol hebben dese klocke doen gieten
“Anno MDCXXXVIII Hans gerlach Schenck van gillen hefft my
“tot Groningen gegoten. Borch het vyers kracht bin ick
“gevloten.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Men vindt hier twee diepen, namelyk het Drentsche – en het nieuwe Compagniesterdiep. – Het eerste neemt zyn begin by de Waterhuizen, loopt voorby het Foksholster meer en voorts achter de lage hooilanden van Kropswolde tot in het zoogenoemde Zuidlarendermeer. Door dit meer loopt het naar de groeve en verder naar de Spykerboor, tot dat hetzelve eindelyk in Drenthe in de wydte eener sloot eindigt. Het tweede diep namelyk, dat van de nieuwe Compagnie, begint op het Hoogezand, loopt tusschen bouw- en weidelanden onder het Hoogezand en Kropswolde behoorende door, tot dat hetzelve in het einde der nieuwe Compagnie zich met eene gegravene wyk vereenigt en in het Kielster diep uitloopt.

Aanmerking van den Heer N.Westendorp.
De schryver heeft beloofd om op een figuratief
kaartje den loop en de strekking der Hunze aldaar
te brengen en daarenboven bericht, dat er zich nog
een ouder bed dier rivier vertoonde, welke hy op
het kaartje zoude aanwyzen.
Is een dier beide beddings niet de scheiding tusschen
de landen van verschillende kerspels?

Ten oosten van Kropswolde loopt eene hooge zandstreek door het veenland?
Hoe is derzelver strekking, hoogte en breedte, en waartoe kan dezelve gediend hebben of waarmede verbondt dezelve zich. Mogten wy hierop spoedig het antwoord des schryvers en het kaartje ontvangen.
Waar heeft Everswolde gelegen, daar de abten van aduwin bezittingen hadden en dikwerf timmerden en vermoedelyk ook vertoefden, was er geene kapel by?

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Men treft hier één meer aan, namelyk het zoogenaamde Zuidlarender Meer. Ik zeg, het zoogenoemde, omdat het beter was, dat men hetzelve Kropswoldermeer noemde, omdat het land, langzamerhand door dit meer afgekabbeld aan Kropswolde behoorde, en de ingezetenen van Zuidlaren volgens den loop van het Drentsche diep door dit meer een zeer klein deel van het water toebehoort, waarom dan ook daartoe benoemde Volmagten uit de dorpen Kropswolde en Noordlaren het regt om op dit meer te visschien jaarlyks wordt verhuurd.

Aanmerking van de heer N.Westendorp.
Dit meer werd oudtyds het Noordlaarder meer
genoemd.
De schryver zegt boven, dat de Groeve en niet
de eigenlyke Hunse door dit meer loopt,
hoe is dit?

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Deze vindt men er niet.

7. Welke bosschen zijn daar?

Hier vindt men twee bosschen, behoorende het eene aan den Heer Hoeksema en het andere aan Mevrouw de Weduwe van den Heer Metelerkamp. –

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen uit het Dierenryk zyn: zeer goed rundvee, schoone paarden, alsmede schapen, die tamelyk melk geven en vele soorten van watervogels. Men vindt er ook veel wilgen en berken boomen, doch de eik wil er niet goed tieren. Voorts treft men hier vele geneeskundige planten aan, zoo als Kamille, Alsem, Leeuwentand, Lepelkruid, St. Janskruid, Wormkruid, enz.

Aanmerking van den Heer N.Westendorp.
Waartoe bedient men zich van het St.Jamslruid?
Welk is het kenmerkend onderscheid tusschen
Hageldoorn en Stengeldoorn?
Stengeldoorn heeft men ook in Kropswolde.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond te Kropswolde bestaat eerst uit eene dunne of dikke laag vruchtbare aarde, hieronder treft men zwart of graauw veen aan, vervolgens rood zand en eindelyk wit zand.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men vindt er timmerlieden, één wagenmaker, wevers, winkeliers, herbergiers enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Het luchtgestel is hier veelal koud en vochtig.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier is ééne kerk ééne school alsmede een zanggezelschap

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan der inwoners zyn de landbouw en de veefokkery.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal der inwoners is van die der naburige dorpen byna niet onderscheiden.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun algemeen karakter bestaat daarin, dat de een den ander navolgt en napraat vooral wanneer er iets gedaan of gezegd wordt door iemand dien zy denken kundiger te zyn dan de overigen, zonder behoorlyk na te denken of de handelingen en gezegden juist altyd goed en gegrond zyn. Zy leiden eene matige levenwyze, doch de zeden zyn niet zeer beschaafd. Zy hebben de gewoonte om in den zomer des morgens te vier uren op te staan, des middags te twaalf uren te eten, en des avonds te negen uren naar bed te gaan, na alvorens te zeven uren het avondeten gebruikt te hebben. Zy zyn liefhebbers om in de winter avonden elkander te bezoeken en scheiden zelden voor middernacht. Byzonderheden by het trouwen en begraven hebben hier niet plaats, en verschillen dus niet van de omliggende dorpen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Als eene plaatselyke byzonderheid, moet ik nog aanmerken, dat er te Wolfsberge, voordezen eene Kapel stond die aan de heilige maagd was toegewyd, alwaar de Kapellaan van den priester die te Kropswolde woonden den dienst verrigtte.
Ook zyn er nog overblyfselen van eene schans die waarschynlyk gediend heeft om de Passagie van – en naar Zuidlaren open te houden.
Overigens weet ik geene byzonderheden meer te melden, dan dat men voor dezen nergens meer heksen vond dan te Kropswolde. Het bygeloof was zoo sterk, dat men zich de ongerymdste denkbeelden hierover vormde, en dit werd door de toenmalige predikanten en onderwyzers der jeugd niet te keer gegaan, zoo al niet aangekweekt; tot dat eindelyk de vorige leeraar dezer plaats de Heer van Ittersum dit Heksen gespuis verdreven en het bygeloof voor het grootste gedeelte uitgeroeid heeft.

Aldus opgemaakt door my ondergetekende
Onderwyzer te Kropswolde.
(get) W.A. Ottenhoff.