Zoek op de website

Leek

Gemeente de Leek

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Leek.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De gehuchten, tot de Leek behoorende, zyn:
De Diepswal, een kwartier uurs ten Zuidwesten van de Leekster kerk, dragende den naam naar den Wal der Hoofdvaart, naar de zoogenaamde Nienoordsche en Ter Heilsche veenen, by ons Hoofddiep genaamd, zoodat de naam van dit gehucht zoo veel zegt, als Wal van het diep of Diepswal.
Oostindiën een klein half uur ten Zuidoosten van de kerk op de Leek ontleent, naar alle waarschynelykheid den naam van het einde der oostelyke grenzen van de Leek, dus oosteinde, na verloop van jaren in Oostindien verandert.
De naam Leek, komt van het bylangs vlietende riviertje de Lek.
Zevenhuizen, waaromtrent de schoolonderwyzer Buist deszelfs antwoorden zal behooren in te dienen.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan de Kerk of het torentje, aan den huize Nienoord in eigendom toebehoorende, is geen dufsteen.
Het opschrift op de torenklok luidt:
“Georg Wilhelm, Freiheer v. Kniphausen Her v. Nienort v. des Landes, Vredewolt. Anna v. Ewsum Freifrau v. Kniphausen Fr. v. Nienort v. des Landes Vredewolt.
(om den rand staat) P. overney me Fecit Leovardiae 1674.
 

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Door de Leek loopt eene vaart Hoofddiep genaamd, komende van de Zevenhuizen, uit de Nienoordsche en Ter Heilseze veenen gegraven om den turf uit deze veenen te vervoeren; en valt een half uur ten noordoosten van de Leek in het Leekster meer.
De Lek, van ouds meer bekend, is thans slechts eene afwatering of scheidsloot tusschen de Provincie Groningen en Drenthe, komt uit de Ter Heilsche Veenen en valt aan de Noordzyde, kort by de Leek in het Hoofddiep, naar het Leekstermeer.
 

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Het Leekster ook wel Zulter Meer genaamd, liggende een half uur ten noordoosten van de Leek, is nog aanwezig, maar langs de turf van de Zevenhuister veenen afgevoerd wordt, is lang van het oosten naar het westen een groot half uur, en breed van het zuiden naar het noorden een kwartier uurs.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, Wierden enz. worden hier niet gevonden.

7. Welke bosschen zijn daar?

Hier zyn geene bosschen aanwezig.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

a) Uit het ryk der planten:
Daar al de landeryen, by en om de Leek aan den Heer van Nienoord behooren, welke door denzelven als Weidelanden voor 6 a 8 jaren verhuurd worden, bestaan de voortbrengselen slechts in allerleye tuinvruchten, die hier gewoonlyk meer dan 14 dagen vroeger aankomen dan wel op andere plaatsen dezer Provincie.
b) Uit het Ryk der Dieren.
Paarden, Koeÿen en Schapen.
c) Uit het ryk der Mineralen.
Zand, leem, potaarde en Keisteenen.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De bovengrond bestaat hier meest uit zand, bronachtigen en vergraven veengrond, kunnende door bemesting, allerlei graansoorten voorbrengen, waarvan geen gebruik kan gemaakt, omdat alle landen hier als wiedelanden gebruikt moeten worden (Zie antw: op vraag 8 sub a).

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier weinig behoefend.
Sedert jaren zyn hier echter eenige personen aanwezig, om eene zoogenaamd eeuwigdurende beweging te rechtvaardigen.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Hier is eene garentwyndery, twee Grut- Paarde- en Mostert molens, een Scheepstimmerwerf, verscheidene Schoenmakers, Wevers, Kleedermakers enz. enz. alsmede twee Grossiers in sterke dranken.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Hier is een Kapel of kerk, aan de Nienoord toebehoorende, waarin des Zomers van Paschen tot Roonder herfstmarkt alleen des nademiddaags en in den winter des voor- en nademiddags voor de Hervormden gepredikt wordt.
Eene joodsche Synagoge.
Eene openbare en eene joodsche school.
Hier bestaat thans geen zanggezelschap.
 

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Voornamelyk van de Veengravery, als mede van de by vraag 11 opgegevene Handwerken, enz.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Men spreekt hier de zoogenaamde platte Groninger boeretaal, doormengd met eenige Vriesche woorden.
b.v. jem, persoonlyk voornaamw. u
dails of deils, twist, verschil, zy zyn deils, zy hebben verschil.
heit vader
mem moeder
famke, meisje
slecht- dit woord heeft hier vele beteekenissen,
a. het wordt gebruikt als zuiver Holl. byv.n. of bywoord.
b. in den zin van verstandeloos, die vrouw is slecht, is van haar verstand beroofd.
c. het beteekent ook effen, gelyk, glad, mooi
die weg is slecht, effen, mooi om te bewandelen.
Voor het overige spreekt men hier gelyk te Midwolde en andere dorpen dezer provincie.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Over het geheel niet zeer beschaafd, onkundig, leidende eene eenigzins ruwe levenswyze, dewyl de inwoners voor een groot gedeelte bestaan uit veenarbeiders, die des zomers gewoonlyk des morgens om 1 a 2 uur en vroeger opstaan, dan hun morgen ontbyt nemen, bestaande meesttyds uit boekweiten pannekoeken met spek, en naar het veen gaan werken, van waar zy om 2 uur des nademiddaags terug komen, hun middagmaal doen en gewoonlyk om 7 a 8 uur des avonds naar bed gaan.
De burgery en handwerkslieden staan hier in den Zomer des morgens gewoonlyk om 5 uur en des winters om 7 uur op, gaan des avonds om 10 uur te bed, eten des morgens om 8 – des middags om 12 – en des avonds om 7 of 8 uur.
Byzondere vermaken, uitspanningen en gastmalen hebben hier weinig of geen plaats. Wanneer de inwoners elkander bezoeken, geschiedt dit gewoonlyk in de winteravonden, om 8 a 9 uur, men rookt als dan een pyp tabak, drinkt koffy of chocolade te zamen, spreekt over allerlei onderwerpen en keert gewoonlyk om 11 of 12 uur naar huis terug.
By het trouwen hebben hier byna geene plegtigheden plaats. Slechts zeer zelden worden de gehuwden kerkelyk ingezegend.
By de begravenissen worden hier gewoonlyk de naastbestaande vrienden van de overledenen benevens eenige buren en inwoners genoodigd, om de lyken des middaags om 12 uur ter aarde te brenge, wordende na de begraving, aan het sterfhuis, aan dezelve eenen maaltyd, van wittebrood met bier gegeven waarna een ieder des nademiddaags om 3 of 4 uur te huiswaarts keert. Na dien tyd wordt aan de buren, die het lyk ter aarde gebragt hebben een half ton bier gegeven, om aan het sterfhuis, of aan het huis van den naasten buurman, gedronken te worden.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Op de Leek bestonden in vroegere jaren twee schansen, een op de Leek achter de kerk, waarvan nog de Kazernen, thans tot woningen voor gealimenteerden gebuikt wordende, aanwezig zyn, staande onder beheer of toevoorzigt van den Heer van Nienoord.
De andere Wolveschans geheeten ligt een half kwartier uurs ten Zuiden van de Leek, in eene arbeiderswooning veranderd.
Van Spookverschyningen hoort men hier weing meer spreken.
Geene andere of byzondere volksliederen worden hier gezongen, als die in de school geleerd worden, zoo men hier van uitzondert, de zoogenaamde straatliedjes, die nu en dan door vreemde landloopers worden rondgevent.

(get) D.G. Scholma