Zoek op de website

Leens

Het Kerspel Leens.

Dit dorp is gelegen in dat gedeelte van de provincie Groningen, hetwelk eertijds de Marne genoemd werd, zijnde het noordelijkste deel van het Hunsingo kwartier. Het grenst ten noorden aan Hornhuizen en Kloosterburen, ten oosten aan Wehe en Warfhuizen, ten zuiden aan Zuurdijk en ten westen aan Ulrum.

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam van dit dorp werd eertijds Liens geschreven, volgens Alting een hoog land beteekenende, welke benaming zeer wel met de natuurlijke ligging overeenkomt, als zijnde het verhevenste gedeelte van hetzelve, namelijk het Kerkhof, bevonden 4.38 Ellen boven den gewonen zomerpeil van het water verheven te zijn.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Tot dit kerspel behooren de gehuchten of buurten de Houw en de Kleij, Douwen en Kattenburg, Markelhuizen, Grijsloot en de Valge.
De Houw is een gehucht, gelegen tien minuten gaans ten Westen van het dorp Leens, wordende door de inwoners onderscheiden in de groote en de kleine Houw. De groote Houw bestaat uit eene wierde, waarop drie aanzienlijke boerenplaatsen staan, aan den noordkant van den weg, loopende van Leens over deze wierde naar Ulrum. De kleine Houw noemt men drie oude arbeidershuizen, regelmatig gebouwd, aan eenen uitweg, op eene wierde, liggende eene weinigje ten Zuidwesten van de groote Houw, benevens twee boerenplaatsen, waarvan eene op de Zuidelijke afhelling, en de andere ten westen, aan de voet dezer wierde zijn gelegen.
De naamsoorsprong van dit gehucht is mij niet bekend, echter komt het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat het dezelfde plaats is, welke oudtijds Houwerahusum is genaamd, en waar de kerk in het jaar 1247 is afgebrand. Immers wordt te Houwerzijl geen het minste teeken van eene gewezen kerk gevonden, en behoort dit gehucht nog heden onder het daarbij gelegene Hiedorp, hetwelk nog een kerkhof heeft, en welks kerk in het jaar 1698 nog bruikbaar was, als zijnde toen in eene te Niekerk gehoudene Consistorie voorgesteld, om gedurende de bestaande vacature van de pastorie alleenlijk in de kerk van het daarmede gecombineerde Niekerk te prediken. Ook is de Houwerzijl gelegen buiten den overouden dijk, en derhalve van lateren aanleg dan de Wierden van de Houw, en heeft vermoedelijk den naam bekomen van de Zijl, welke aldaar tot het jaar 1717 gelegen heeft, en waardoor het water, loopende langs de nog aanwezige tocht, van de Houw door het trekdiep, zich in het Reitdiep ontlastte. Daarentegen schijnt de wierde van de kleine Houw, oudtijds meer betimmerd geweest te zijn, blijkens derzelven steenachtige grond, zelfs heugt het nog de oudste bewoner van de Houw thans 78 jaren oud, dat op de wierde aldaar nog duidelijk zigtbaar waren de overblijfselen en eene gracht om een heem, waarop de fondamenten van een gebouw nog niet geheel verdwenen zijn, en door overlevering te hebben dat er bovendien nog drie huizen meer gestaan hebben als mede eene kerk en eene burgt, waarvan de heer een broeder was geweest van dien heer, welke op eene burgt op de Haarde had gewoond. Gelijk men bij oude dorpen doorgaans smalle bochtige wegen vindt, zoo loopt er ook eene zoodanige weg van de Houw over de Haarde naar Ulrum de haarder weg genaamd, en mede een naar de hoofdweg van Leens. Dat de Houw eertijds aanzienlijker is geweest, blijkt ook nog daaruit dat dezelve thans nog afzonderlijk een volmagt heeft in het Zijlvest van Houwerzijl. Zoo dat dit een en ander mij aanleiding heeft gegeven om te denken dat op de Houw de afgebrande kerk zal gestaan hebben en dat daarna deze gemeente, waartoe ook de Kleij en de Haarde zullen behoord hebben, in die van Leens is ingelijfd, hoewel daarvan geene vroegere bewijzen bij mij voorhanden zijn dan van het jaar 1680, als wanneer deze gehuchten reeds tot het kerspel van Leens behoorden.
De Kleij is een gehucht of buurt gelegen een kwartier uur gaans ten noordwesten van het dorp Leens, aan den noordkant van den hoofdweg, in eene Oost en Westelijke strekking, bestaande uit zes, niet groote boerenplaatsen en drie arbeidershuizen. De naamsoorsprong is mede onbekend, tenzij men stelde, dat dit gehucht den naam van Kleij gegeven is om de grond er meer kleideelen bevat dan de daarachter gelegene streek lands bij langs de Zwintocht, uitmakende de scheiding tusschen deze gehuchten en Hornhuizen.
De Haarde gelegen ten westen van de Houw, en ten zuiden van de Kleij, is tot het jaar 1717 bewoond geweest en werd gerekend te behooren tot de Houw en gevolgelijk met dit gehucht onder het Kerspel Leens, want in het jaar 1701 den 22 Mei zijn te Leens getrouwd Evert Peters van Leens en Margien Koekes van Wehe en den 24Juny deszelfden jaars is met attestate van lidmaatschap tot de Hervormde gemeente van Leens overgekomen “Margien Koekes van Wehe, huisvrouw van Evert Pieters op de Haerde.” Welker jonggeborene kinderen successievelijk zijn gedoopt te Leens in 1702, 1705, 1707, 1708, 1710 en 1712. – Toen Ds. H. Ekkens predikant te Leens in 1717 voor de eerste maal zijn gemeente bezocht, vond hij een Margien Koekeks wedu Evert Peters, wordende onder de ledematen van de Houw het laatste genoemd, als zijnde de Haarde iets verder westwaarts dan de Houw van Leens gelegen en dus het laatste huis van de Predikant van Leens moest aankomen, welke vrouw ook de eenige van de ledematen op de Houw is geweest, welke in den kersvloed van dat jaar is omgekomen, en waarschijnlijk zijn toen ook de woningen, uit hoofde van den lagen grond daar weggespoeld, hoewel de sporen van heemsteden en grachten aldaar nog duidelijk zigtbaar zijn, en men voor verscheidene jaren er nog eenige oude ijperen boomen op den kant der gracht vond.
De Douwen gelegen een klein half uur ten zuidoosten van het dorp, bestaat uit zeven niet onaanzienlijke boerenplaatsen, benevens een huis met eenig land, in eene zuid en noordelijke strekking, waarbij men nog kan voegen de meer zuidelijke gelegene buurt Kattenborg, zijnde twee boerenplaatsjes en drie arbeidershuizen, van welke beiden de naamsoorsprong onbekend is, gelijk ook van Markelhuizen twee boerenplaatsen, tien minuten ten noorden van het dorp gelegen.
De buurt Grijsloot, gelegen een half uur ten noorden van het dorp in eene oost en westelijke rigting, bestaat uit zeven aanzienlijke boerenplaatsen en twee arbeiders huizen, zijnde hiervan de naamsoorsprong niet bekend. Sommige menen dat zij dien naam bekomen heeft van een versterkt geestelijk gebouw of slot, dat het Grijze Slot zoude genaamd zijn, in onderscheiding van een dergelijk gesticht van lateren aanleg, en dat vervolgens aan de geheele buurt den naam van grijsloot gegeven is. Het gebouw dat eertijds den naam van Grijze Slot zoude gehad hebben is naderhand veranderd in eene boerenplaats thans toebehoorende aan de wedu Tannie Sigers van Slooten. Een gedeelte van dit oude gebouw, is staan gebleven tot het jaar 1787, wanneer de cellen enz. zijn afgebroken en weggeruimd. Ter dezer plaatse meende men oudtijds twee spooken, zijnde dansende jufferen, te zien.
De Valge ligt vijf minuten ten Oosten van het dorp, aan den weg, en bestaat uit een boerenplaatsje en zeventien huizen meest arbeiderswoningen.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De Hervormde Gemeente heeft hier eene groote kruiskerk, de St. Pieterskerk genaamd, hebbende eene lengte van 30,67 ellen en eene wijdte van 8,14 ellen, zijnde het kruis lang 21,5 ellen en wijd 6,58 ellen, met steenen gewelven, waarvan het grootste gewelf boven het midden van het kruis hoog is 11 ellen. Deze kerk is versierd met een voortreffelijk orgel, gemaakt door eenen vrijgezel Johannes Holm en voltooid in het jaar 1733. Het heeft twee handklavieren, een vrij pedaal en zevenentwintig stemmen, verder drie afsluitingen, een windlossing, twee tremulanten, een calcanten klok, en vijf blaasbalgen. Voorts is hetzelve met kunstig gesneden beeld en loofwerk versierd. Het is echter jammer dat in het jaar 1795 ten gevolge den geest van dien tijd, de adelijke wapenschilden van de borstwering dezes orgels zijn afgebeiteld. – Het kerkgebouw is ongetwijfeld zeer oud, blijkens de duifsteenen, welke men er in eene groote menigte zoowel van binnen als van buiten in de muren vindt, en waarvan de grootsten 74 duimen lang en 36 duimen dik zijn.
Met het westeinde der kerk is onmiddellijk verbonden de toren, welke van voren eene breedte heeft van 10.07 ellen en eene dikte van 9.53 ellen, zijnde de muren 2.72 ellen dik. In het jaar 1804 werd deze stompe toren welke veel overeenkomst had met die van Oldehove in het Westerkwartier, tot op de hoogte van 16 ellen afgebroken, en is dus blijven staan tot op het jaar 1820. Men heeft toen op het oude, een nieuw muurwerk opgetrokken ter hoogte van 4.68 ellen, doch om de dikte der muren, plusmin. één el meer binnenwaarts, waardoor de toren thans eene goede ommegang heeft, en op dit muurwerk eene achtkante, met leijen gedekte kap, ter hoogte van 11.70 ellen. Deze opbouw heeft bij uitgestedinge gekost de som van ƒ 6112,,00. De toren is voorzien van een uurwerk en vier uurwijzers.
Langs eenen steenen wenteltrap klimt men naar boven, alwaar de twee klokken hangen. De grootste heeft van onderen eene diameter van 1.33 el, en de volgende opschriften:
boven:
“ioncker: lambert tiarda van Harekenborch tot verhildersum heeft mij doen gheeten, unde heeft mij. Sinte.peterdoen.heeten, doen yoannes Wolphius pastor unde m. yohan hendricks kerkvoogden tot leens waren. Anno m.d.c. XXXII.”
Onder om den rand:
“Doer het vijes kracht ben ick gefloten, meijster nicolas Simans heeft mij gegoten. int yar m.d.c. XXXII. psalm. XXVII vers IV. Eenerleij bidde ick van den heere. dat hadde ick geerne dat ick in den huyse des heeren blijven mochte min leefdage. te anschouwen de schoone godsdiensten des heeren. end zijnen tempel te besoecken.”
Op de kleine klok, hebbende eene diameter van 0.90.5 el,
“i. zeynt, alberta. domalts. Collator. tot. Leens. hilbrant. ijansz. yohannes. fratema. K.V. grogorius gregorii. halle. ubs. got. mi. int. yar. 1609.”
Het kerkhof heeft eene lengte zuid en noordwaarts van 67.5 ellen, en eene breedte van 49 ellen en is aan de Oost en Westzijde door eenen steenen muur van de Straten gescheiden, gemaakt in het jaar 1728, volgens een opschrift hetwelk men daarvan in zerksteen gehouwen vindt bij den doorgang naar de kerk voor de lozen deur:
“Anna Habina Leeuw, wedu Starkenborg. Vrouw van Verhildersum en Leens, heeft Dese muur om het kerkhof van Grouts op Nieuws Laeten Setten A° 1728.”

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Hier zijn geene wateren van eenig aanbelang, dan het zoogenaamde Leenster diep, loopende van de Straat Zuidwaarts tot aan de Leenster tillen, al waar het zich met de provinciale trekvaart vereenigt.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Ter wederzijde van dit trekdiep is nog eenig laag land, alwaar voor omstreeks vijftig jaren niets dan riet en biezen groeide en nog des winters onder water staat, doch des zomers, gedeeltelijk door twee molens droog gehouden, genoegzaam gras oplevert om te kunnen worden gehooid of geweid.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Ten oosten van het dorp liggen twee wierden bij elkander. De voorste waarover de weg loopt, heeft eene hoogte van 6.06 ellen boven gewoon zomerpeil van het water, en eene uitgebreidheid van 10½ bunders. De ander heeft eene hoogte van 5.98 ellen, en eenen omvang van 7 bunders. Hier zouden volgens sommigen de Romeinen onder Vilelius tegen den Springvloed geborgen hebben.
Ten westen van Leens heeft men insgelyks twee wierden de Houw genaamd, waarvan de eene waarover de weg loopt hoog is 4.38 ellen, groot 6 bunders, en de andere hoog 4.58 ellen en groot 4.50 bunders.
Tusschen de Houw en de Haarde is een heuvel, hoog 2 ellen, groot 0.5 bunder.

7. Welke bosschen zijn daar?

Uit hoofde van den vlakken kleiachtigen grond, wordt hier weinig hout aangekweekt, dan alleen tot beschut van boerenplaatsen, hoven en tuinen, voornamelijk tegen de noordweste winden. De boomen welke daarvoor dienen bestaan meestal in yperen, esschen, witblad, wilgen en elzen. Daar de wilgen aan de slooten en grachten welig groeijen, worden deze ook het meest aangekweekt. Van het fijne rijs, maakt men bezemen voor eigen gebruik tot het schoonvegen van stallen en schuren. De top der wilgen kan gewoonlijk m de drie jaren gekapt worden, en levert dan uitmuntend erwtrijs op.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De natuurvoortbrengselen bestaan geheel in die der bewerktuigde rijken, dewijl het delfstoffenrijk voor bijzonder gebruikt niets oplevert dan het leem, dat meestal overal in den grond gevonden wordt, en gebruikt wordt tot het metselen der steenen muren om schuren en geringe woonhuizen in plaats van kalk. Zoo men eenige lage landen uitzondert, is de grond overal geschikt voor den akkerbouw. De vruchten welke verbouwd worden bestaan voornamelijk in tarwe, rogge, garst, haver, erwten, boonen, raapzaad en aardappelen.
Daar de veeteelt mede een “voornaam” tak van bestaan der landgebruikers is, zoo worden er paarden, koeijen, schapen en varkens gehouden, en aangekweekt. Jaarlijks worden er vele koeijen, ossen en lammeren opgekocht en naar Holland verzonden. De aangekweekte paarden, welke voor eigen gebruik gemist kunnen worden, verkoopt men aan huis of op de paardemarkten van Groningen en Appingedam, of op de Drentsche markten. Aan varkens zou men gebrek hebben, indien niet vele uit Drenthe hier werden aangebragt en verkocht.
Slechts eene enkele inwoner houdt zich met bijenteelt bezig, maar des te meer bijen worden hier des zomers gestald door de ingezetenen van Drenthe.
De meeste landbouwers houden eendvogels en hoenderen, doch weinigen ganzen. Wilde ganzen komen echter in het voorjaar en den herfst in menigte des morgens de eenzaamste bouw- en weidelanden bezoeken, en vertrekken des avonds weder naar de zeekusten.
Behalve op deze ganzen maakt men jagt op hazen en patrijzen. In de slooten vangt men aal, snoek, baars, karper, brasem en voorn.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grond bestaat meest uit kleij, vermengd met witachtig zand. Hierdoor wordt dezelve bij droogte niet spoedig hard, noch bij natte taai, maar blijft altijd bruikbaar, en levert zekerder vruchten dan de zware kleigronden. Hij verliest echter spoediger de vruchtbaarheid dan de harde kleij en moet daarom somtijds worden bemest en dan eens weder als groenland worden gebruikt, waartoe hij even geschikt is. Dieper bestaat de grond meestal uit lagen van onderscheidene aardsoort, als zand, schelpen, en op sommige plaatsen ook roodoorn of ijzeroer.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Behalve hetgeen tot het lager onderwijs behoort kan men niet zeggen dat hier eigenlijk kunsten en wetenschappen worden beoefend die niet tot iemands beroep of bedrijf behooren.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Van de fabrijken en trafijken vallen meest in het oog de twee windmolens, staande aan den zuidkant van het dorp, bij het diep. De eene, zijnde eene rogge- en pelmolen, is in het jaar 1819, door den tegenwoordigen bezitter K. Stuivinga, in plaats van eene oude roggemolen, geheel nieuw laten bouwen. De andere een weinig verder van het dorp, is een hout-, zaag- en oliemolen, toebehoorende aan I.J. Rietema. Voorts telt men in dit dorp drie broodbakkerijen, twee grof of hoefsmederijen, twee à drie kuiperijen, twee linnen en vijf schachtweverijen, eene leerlooijerij, drie schoenmakerijen, eene wolkammerij, twee logementen, wijders winkeliers, tappers, vleeschhouwers, verwers, kleermakers, wagenaars, schippers, daglooners enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is in dit dorp en omliggende plaatsen zeer veranderlijk. De warme zomerlucht wordt dikwijls door zeedampen verkoeld. Deze verandering der luchtsgesteldheid, gevoegd bij de uitdamping des kleigronds en der menigvuldige slooten, brengen misschien veel toe tot de koortsen welke hier gewoonlijk in het najaar heerschen, vooral bij langdurige droogte, wanneer de slooten worden uitgedroogd en verrotte waterplanten de lucht vervuild en ongezond word.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

De meeste inwoners dezes dorps belijden de Hervormde Godsdienst. Voor de uitoefening daarvan bezitten dezelve de hierboven beschreven kerk. De hier wonende Roomsgezinden gaan ter kerk op den Hoorn, en de doopsgezinden te Mensingeweer.
De eenige hier bestaande school is in dit jaar bijna de helft vergroot.
Hier is een leesgezelschap en een departement der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, doch geen zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan vinden de inwoners dezes Kerspels in den landbouw, de veeteelt, de fabrijken, handwerken, enz. hierboven onder nr. 11 breeder opgegeven.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De taal der inwoners is de plat Groninger landsche, doch verschilt werkelijk van die welke in de Stad Groningen, in het oldambt en het Westerkwartier gesproken wordt; en nog meer van het zuivere nederduitsch. Zoo zegt men, bij voorbeeld:

eer, voor aarde.   doen, voor dronken.
eerappels, - aardappels.   jes, - jas.
eerbaijen, - aardberien.   wien, - wijn.
hoes, - huis.   mien, - mijn.
moes, - muis.   riek, - rijk.
toen, - tuin.   vlais, - vleesch.
zuit, - zoet.   kees, - kaas.
schounen, - schoenen.   botter, - boter.
douk, - doek.   brug, - boterham.
zalt, - zout.   twijbak, - beschuit.
zij, - zee.   meert, - bunsing, enz.

Het volgende gesprek tusschen twee landbouwers en een daglooner, zal dit nader ophelderen.

Pieter. Heb ie ’t zaad al t’hoes?
Paul. - Nee, nog heindal nyt, wie hebben nog ’n vour of zus kalver boeten.
Pieter. ’t Is nog al zoo wat weer te regt loopen, ’t leit hom tegen karst anders maar dol inzein met de regen.
Paul. - Ja, ’t was net of ’t allemaal verrutten zol.
Pieter. Och, ’t komt altied haast weer teregt, maar de menschen willen vaak gein tied geven.
Paul. - Dat ’s waar.
Pieter. Het joen kool nog wat schudt?
Paul. - Ja dat zol wel gaan hebben, maar deur dat ’t zoo lank boeten legen het, is de darde part wel op ’t land bleven. Wi hebben nog acht mud van ’t juk had, en dat is van ’t jaar nijt min.
Pieter. Dat was vrij goud; wie hebben van vief juk, maar veir en dartig olle mudden had. Maar onzen’t was vrij dreug.
Paul. - Ie hebben ’t wis goud verkoft?
Pieter. Ja, wi hebben negen gulden en ’n oort had.
Paul. - Den ben je er goud afkomen. Ik heb er maar acht gulden dartien stuver veur kregen.
Pieter. De anholdende regen het ons veur ’t tegenwoordige vrij wat scha veroorzaakt, maar of wi der ien ’t vervolg wel nadeil bij hebben, dat weit men nog nijt; ’t ken wel wezen dat ’t zaad er ’t winter meer om geld. – Maar in de leêge landen mout, ’t, na de krant, naar biestaan.
Paul. - Ja, as men daarom denkt, den hebben wi nog gein reden van klagen.
Klaas, de arbeider. Boer! as ’t joe nijt schelen kon, den wollen wi murgen wel mit onze graanslainde kerdousels (aardappels) an ’t zeuden.
Pieter. Ja dat was goud, Klaas! maar zol ’t nog nijt wat te vroo wezen? Mi dunkt de eerappels ben nog nijt wassen.
Klaas. Ja, dat zellen ze wel, want ze starven al in ’t loof.
Pieter. Hou lank hij je wark te zenden?
Klaas. Mi dunkt wi kennen ’t in ’n dag of vief doun.
Pieter. Wel zel joe helpen?
Klaas. Mien wief en ’n stuk of drij van onze lutje jonges, en Grijts zuster het zegt, zij wol ons ook nog wel reis ’n schoft helpen, als wie ’t zo gauw nijt doun konnen. Ik ken ’s murgens veur brijtied ook ’n heele rest oetzetten.
Pieter. Nou ja Klaas! den mout ’t maar angaan.
Klaas. Goud, boer!

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners dezes dorps zijn over het algemeen naarstig in hun beroep, spaarzaam in hunne uitgaven, oplettende op hunne belangen, getrouw en eerlijk in hunne handelingen. Zij beminnen nette en zindelijke kleedingen en woningen, zonder ydele praal of gekke modezwier. Bij elk betamelijk verzoek zijn zij dienstvaardig, doch zeer gezet op vrijheid. Verre verwijderd van trotschheid zijn zij gemeenzaam in de verkeeringe. De openbare godsdienstuitoefening wordt hier zeer geacht. Van daar dat deze groote kerk des zondags wel eens geene zitplaatsen genoeg bevat voor de opgekomene menigte. Vrij van vooroordeelen en bijgelovigheden, zoo wel als ligtzinnigheid in het stuk van den Godsdienst houdt men zich aan de eenvoudige Evangelieleer, en is verdraagzaam omtrent andersdenkenden. De armen worden in een bijzonder diakenie gesticht tot behoorlijken arbeid verpligt, maar daar en tegen zeer goed van het noodwendige levensonderhoud voorzien.
De levenswyze der inwoners verschilt naar hunnen stand en beroep. Die in den landbouw arbeiden gaan gewoonlijk des morgens om vier uren aan het werk, en komen des zomers tusschen zeven en acht uren tehuis, om te eten hetwelk zij brijtijd noemen; omdat hun morgeneten bestaat in roggenbrood en karnemelksbrij, welke laatste ook telkens na het middag- en avondeten gebruikt wordt. Hierna hebben zij te zorgen ten negen uren weder bij hun werk te zijn, en komen des middags met de klokkeslag van twaalf uren, weder aan de tafel, welke dan ook, door de zorg der boerin, van de noodige spijze is voorzien, bestaande gewoonlijk in wel toebereide wortelen, knollen, erwten, booonen, meelgebak en aardappelen, wordende daarbij meestal rijkelijk spek en vleesch rondgedeeld. Na het middagmaal begeeft men zich ter ruste tot half twee uren, wanneer er thee gedronken wordt, hetwelk zoo spoedig moet afgedaan zijn dat elk om twee uren weder bij zijn werk kan wezen. Des avonds om zes uren komt het werkvolk weder te huis, dan wordt er gegeten, hetgeen doorgaans bestaat in de overgeblevene spijze van het middagmaal des vorigen daags. Dit gedaan zijnde, gaan de daglooners naar huis, terwijl de dienstboden zich met het een of ander voor uitspanning bezig houden, tot aan het naar bedde gaan, dat gewoonlijk om negen uren plaats heeft. Behalve het drinken van thee nademiddag, mag het werkvolk zich vrijelijk bedienen van bier, dat ieder landbouwer des zomers bij het oxhoofd zich aanschaft, en tot een vrij gebruik op eene koe- en paardestal wordt bezorgd. Bij sommige deelen van den veldarbeid wordt echter niet altijd die hierboven omschrevene orde van werkzaamheden en eten in acht genomen. Het grasmaaijen geschiedt gedeeltelijk des nachts, om de koelte en de meerdere vochtigheid van het gras, hetwelk daardoor beter snijdt. – Het kool- of raapzaad dorschen gelijkt een volksfeest, waarbij geen bier, jenever of tabak gespaard wordt, en het volk komt, na eenen ganschen dag somtijds onder de felste zomerhitte met geweld gearbeid te hebben, des avonds zingende in het dorp terug. – Des winters is de hoofdbezigheid des landbouwers om het in de schuur verzamelde graan uit te dorschen, en het op de stallen staande vee te verzorgen. Men begint gewoonlijk des morgens omstreeks vier uren met het dorschen, eet op bovengemelde tijden,doch des avonds om vijf uren, wanneer de arbeid gestaakt wordt en men begeeft zich om zeven, acht of ten langste negen uren ter ruste. De landbouwer zelf neemt doorgaans weinig deel aan den veld- en huisarbeid, maar houdt daarover het bestuur en opzigt, gelijk deszelfs vrouw over hetgeen de keuken en melkenkamer betreft.
De handwerklieden staan gewoonlijk op des morgens om vijf uren, ontbijten om acht, drinken koffij om tien, nemen het middagmaal om twaalf, drinken thee of koffij des namiddags om drie, eten des avonds om zeven uren, wanneer het werk gestaakt wordt, waarna men den avond doorbrengt met lezen, gemeenzame gesprekken, of elkander te bezoeken, en om tien uren te bedde gaat. Bij strenge winterkoude blijft men des morgens wel eens twee uren langer te bed dan des zomers. Het ontbijt der burgerij bestaat in koffij met boterham, het middageten en avondeten is genoegzaam hetzelfde als dat der landbouwers, uitgezonderd dat hier des middags nimmer, en des avonds somtijds brij gegeten wordt.
De onderlinge bezoeken worden afgelegd des avonds na het eten. Men komt gemeenlijk tusschen zeven en acht uren te zamen en scheidt ten langste des middernachts. Het onthaal bestaat eenvoudig in een kopje koffij en een glaasje brandewijn met suiker. Bij bijzondere bezoeken, welke meest des Zondags avonds plaats hebben, worden, de genoodigde vrienden wel eens op chocolade, koffij en brandewijn onthaald, en men blijft dan dikwijls langer bij elkander.
Jaarlijks wordt hier op hemelvaartsdag, achtermiddags kermis gehouden, welke door de ingezetenen van dit en omliggende dorpen wel bezocht wordt. Buiten deze jaarmarkt bestaan hier geene openbare vermakelijkheden. Voor uitspanning bezoekt men met het rijdtuig de kermissen van Groningen en van de Drentsche dorpen Norg, Rhoden en Zuidlaren.
Eigenlijke gastmalen worden er weinig en bruiloften, geheel niet meer gehouden. Bij het trouwen zijn doorgaans niet meer personen tegenwoordig dan daarbij volgens de wet vereischt worden. Bij de Hervormde ingezetenen, heeft geene kerkelijke inzegening des huwelijks plaats.
De begravenissen geschieden nog overeenkomstig het voorouderlijk gebruik. Nadat het lijk door de naaste buren in de kist gelegd is, wordt het overlijden des morgens om tien uren door het luiden der groote klok, indien de overledene boven twaalf jaren oud is, en met de kleine klok zoo dezelve beneden die jaren is, aan de inwoners bekend gemaakt. Op den door de naastbestaanden bepaalden dag, komen de bloedverwanten, vrienden en bekenden op bekomene uitnoodiging, aan het sterfhuis zamen, en volgen in rouwgewaad het lijk tot aan het graf. De begravenissen het plaats des middags om twaalf uren, onder het luiden der groote of kleine klok, naar de overledene boven of beneden twaalf jaren oud was. De begravinge geschied zijnde, keert het gevolg naar het sterfhuis terug. Wanneer de maaltijd gereed is, bestaande meestal in witte brood en rijstenbrij, wordende het openbaar gebed en de dankzegging gedaan door den predikant der plaats, welke hierbij genoegzaam altijd tegenwoordig is, indien de overledene tot de Hervormde gezindheid behoorde. Bij het eten en nadenmiddag wordt er bier gedronken, vervolgens thee, en tegen den avond, scheidt het gezelschap, waarmede de begravenisplegtigheid is afgeloopen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Een kwartier uur ten oosten van het dorp, aan den noordkant van den rijdweg, is het huis of de burgt Verhildersum, toebehoorende aan den Heer Mr. H. van Bolhuis. Het is een groot en schoon gebouw, met een voorplein door een breede en diepe gracht omringd. Het is mij niet bekend wanneer dit huis eerst gesticht is. Het opschrift: M.D.C.L. XXXVI, onder twee wapenschilden, schijnt aan te duiden dat hetzelve toen vertimmerd is. In het jaar 1792, is dit huis, althans van voren, geheel vernieuwd, waarvan men onder aan het kozijn der hoofddeur, nog dit opschrift vindt: L.S. 1792. –
Als een geleerd en verdienstelijk man verdient hier genoemd te worden Henricus Cleveringa, alhier geboren, en gedoopt den 14 Januarij 1731, en overleden den 30 September 1810, heeft gedurende een reeks van jaren het Rigterambt waargenomen in de jurisdictiën of regtstoelen van Leens, het groote en kleine reedschap (thans de gemeente Ulrum), van Hornhuizen en Kloosterburen, Pieterburen, Eenrum, Baflo, Warfhuizen en Wehe, en den roem nagelaten van een onpartijdig Rigter, kundig, regtsgeleerde, wis- en natuurkundige, en boven al een nedrig, vredelievend, zacht, godsdienstig en bij uitstek braaf man geweest te zijn. –
Meerdere bijzonderheden, betreffende dit kerspel zijn mij niet bekend. –

Aldus opgemaakt door mij Schoolmeester te Leens, den 27 September 1828. –

J.P. Beukema.