Zoek op de website

Lutjegast

Gemeente Grootegast

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Lutjegast

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De buurtschappen de Westerhorn en Eiberrtsburen, alsmede de wierden. De beide eerstgenoemden liggen min of meer eene Ned: Myl ten noorden en noordwesten van de kerk, en de laatstgenoemde eene halve myl ten Zuidwesten van dezelve. De Westerhorn zal misschien haren naam ontleent hebben, wegens derzelver westelyke ligging van af Grypskerk (waaronder dezelve ook gedeeltelyk behoort). Dezelve bestaat uit een streek boerderyen, gelegen op eenen over ouden zeedyk, op welke ook Grypskerk en Niezyl is aangelegd en welke zich westelyk uitstrekt over ’t Dorp tot Stroobos, alwaar dezelve in eene zuidelyke rigting den loop der Louwers volgt tot aan de hoogere zandgronden van Doezum. Waarschynlyk zal dit de eerste zeedyk geweest zyn van Westerdeel Langewold.
De naam Eibertsburen wordt toegeschreven, aan eene aldaar naby gestaan hebbende Heeren behuizinge Eibert genoemd, en aangelegd op eene ronde hooge plaats.
Het dorp Lutjegast wordt Lutjegast genoemd wegens deszelfs hooge ligging ter onderscheiding van Grootegast, gelegen op eene minder hooge, doch uitgebreideren vlakken zandgrond.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De kerk heeft geen dufsteen; doch op de torenklok staat te lezen.
ME.FECIT = CIPRIANUS CRANS = ENCHUSÆ = ANNO 1726

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Rivieren, stroomen, maren en kolken zyn er niet. De diepen welke hier gevonden worden zyn, het Trekdiep van Groningen naar Stroobos. De Grootegaster tocht en het Visvlieter diep, welke beide noordelyk afloopen, en de laatstste achter Visvliet in de Louwers valt, welke door Munnekezyl in de Louwerzee uitwatert.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren worden er niet gevonden.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De hooge zandgrond op welke het dorp ligt en de wierden zich westelyk af vereenigen, strekt zich in eene Oostelyke rigting, ruim 1½ mylen uit, en sluit zich aan het zand van Sebaldeburen. Deze zandstreek is van 100 tot 200 ellen breed en op de hoogste plaatsen 2 of 2½ ellen hoog.

7. Welke bosschen zijn daar?

Het is alhier over het algemeen eenigzints boschachtig; doch groote bosschen zyn er niet. Het eenigste bosch dat men er aantreft is dat van het huis Rikkerda.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

In het dierenryk, komen in de eerste plaats in aanmerking; de koeijen, waarvan des voorjaars nog al een aanmerkelyk getal uitgevoerd wordt naar Holland en elders. De koeijen worden hier menigvuldig aangehouden, om de boter, welke onder de beste dezer Provincie kan geteld worden, en meestal in vaten gestopt te Leeuwarden ter markt wordt gebragt. De schapen en varkens, die zoo wel om derzelver wol, vleesch en spek tot eigen gebruik als om te verkoopen hier veel worden aangefokt en vet gemaakt. ’s Jaarlyks worden van hier in de maanden December en January vele varkens naar de Groninger spekmarkt gezonden. Paarden; Hoender- en eendeneijeren, beijen enz.
In het plantenryk zyn de voornaamste voortbrengselen; onderscheidene soorten van granen en andere gewassen; als, Rogge, Haver, Tarwe, Koolzaad, boekweit, boonen, aardappelen. Knollen etc.;- overigens bewerkt vlas, garens, brandhout, hooi, boomvruchten enz.
Onder de voortbrengselen uit het delfstoffelyk ryk kan geteld worden het zand, dat van hier naar de noordelyk liggende kleidorpen vervoerd wordt.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De grondgesteldheid is hier over het algemeen voor den landman niet zeer gunstig. Wel is er over het Trekdiep, aan de noordzyde eene tamelyk goede en diepe klei; doch nader naar het dorp heeft men eenen lagen, gemengden knipachtigen grond, welke de winters veelal onder water loopt, en onder denzelven door hard zand. Nog minder is de grondgesteldheid van het dorp ten Zuiden. Hier vindt men eenen lagen meden grond gemengd met zand, klei, leem, en andere stoffen, waaronder men wederom dor hard zand aantreft. Deze lage landen staan gewoonlyk des winters diep onder het water, en by regenachtig weder ook dikwyls in den zomer en zyn daardoor zeer onvruchtbaar. Er zoude voor den landbouw alhier veel gewonnen zyn, wanneer men door inpoldering en watermolens de landen aan beide zyden van het dorp, des winters en des zomers boven water houden kon.
Aangaande den hoogen zandgrond. Deszelfs oppervlakte is gematigd goed, en vry algemeen geschikt tot bouw, en weideland, indien dezelve vlytig bearbeid en aanhoudend met nieuwe mest voorzien wordt. Dieper is hier overal zacht en week zand.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Eigenlyke kunsten of wetenschappen worden hier niet beoefend. Op de school leeren de kinderen lezen, schryven, rekenen en zingen en vervolgens wordt door elk een, het een of ander handwerk, ambacht of bedrijf beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Er bestaan hier eene korenmolen eene brood en beschuitbakkery, eene yzersmedery, eene wagenmakery en eene wevery; voorts zyn de gewone handwerken, dien van timmerman, metselaar, schoenmaker, kleermaker, borselmaker, stroohoedjesmaker, enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is hier veelal koud en vochtig; doch ’s morgens en ’s avonds doorgaans minder nevelachtig en gezonder dan in de verder noordelyk liggende kleidorpen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er bestaat hier eene kerk, eene school en een leesgezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Het voorname en genoegzaam eenig algemeen middel van bestaan is dat van den landbouw en de veeteelt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne platte taal is die der Groningerlandsche landtaal, eenigsints gewyzigd en vermengd met Vriesche en Hollandsche woorden en tongvallen. Ik zal zulks met een voorbeeld trachten aan te toonen, in een gesprek van een boerenzoon met zyne buurvryster.

Zoon: Ik heb de biesten op de Zandven ien ’t nygras laten lopen. Wie hebben byna gien weide meer. De koeijen hadden de dam open garaamd en liepen op ’t hiem. Mem was lelk omdat zie de bliek bedonkt hadden.
Buurvr.: En wat zei jim heit dan?
Zoon: Heit is niet ’t uus; en onze Poike en de venten ook niet.
Buurvr.: Zoo; dan zien zie denk na de mark?
Zoon: Ja, met de dikke wagen.
Buurvr.: En dou most ’t uus blieven, en vergatst de dam toe te doen.
Zoon: Jim volk bin ook ja niet hen.
Buurvr.: O.ne! Wie rieden niet jamk na de kermissen. Heit zeit. De marken kosten geld en tied en dat past ons niet.
Zoon: Nou! Ons ook niet.- Zollen jimmes ook even een lep veur mi hebben? Ik wol de walakker deursteken, dan kan ’t water uut de geuten wat aflopen.
Buurvr.: Heden ja Piet.Loop maar in de puuskeuken. Tjitske dut de molken in de karn; zek heur dat ze dy de luiter doen moet, die is likter en hankt akter aan ’t schut.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Zy zyn over het algemeen werkzaam, nederig, kuisch, ingetogen, uitwendig godsdienstig; doch eenigzins achterhoudend, niet zeer zachtaardig en zeer eigen balangzuchtig. Hunne levenswyze is die van den eenvoudigen, niet zeer beschaafden landman. Zy bidden lang, en zyn in het godsdienstige sterk aan het oude gehecht, geloven daarby nog aan tovenaars, welke alhier tjoenders genoemd worden, en welke zy het vermogen toekennen om anderen onmiddelyk veel kwaad te kunnen toebrengen.
Zy staan smorgens vroeg op, eten te 8 en 12 uren, en werken in den zomer gewoonlyk niet langer dan tot avonds zes uren, eten vervolgens en gaan te 8 of 9 uren weder te bed. Hunne uitspanningen bepalen zich veelal tot wederkeerige bezoeken, waarby gewoonlyk niet anders gebruikt wordt dan tabak, koffy of thee en chocolade. Ook zyn zy liefhebbers van het schaatsenryden.
Hunne begravenissen zyn gewoonlyk eenvoudig en godsdienstig: Vrouwen zoo wel als mannen volgen het lyk rondom de kerk. De Predikant of iemand anders doet den voorgang achter het lyk, en na afloop dier plegtigheid begeven allen zich naar het sterfhuis, alwaar de Predikant of voorganger een toepasselyk gebed en dankzegging uitspreekt, en niet anders genuttigd wordt, dan wittebrood met bier.
Hunne Huwelyksverbindingen echter vieren zy minder godsdienstig, en zelden gebeurd het, dat nieuw getrouwden zich kerkelyk laten inzegenen.


Lutjegast den 30 september 1828
(get) J.H. Sloots