Zoek op de website

Marum

Gemeente Marum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Marum.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De Buurtschap Malyk ¼ uur ten Oosten van de Kerk, de Linde ¼ uur ten zuiden van de Kerk, het gehucht de Wilp (eene VeenKolonie) 3/4 uur ten Zuiden van de Kerk, de Haar ½ uur ten westen van de kerk, en Driemunt of Triemunt een uur ten westen van de Kerk. –
De naamsoorsprong der buurtschappen en gehuchten en van het dorp Marum is my onbekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of Duifsteen is er aan de Kerk niet, en op de torenklok leest men, de gemeente van Marum hebben my laten gieten 1637 M.F.S.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Het oude diep een riviertje zyn oorsprong nemende by Driemunt en loopende in eene noordoostelyke rigting, tot in het langsdiep en vervolgens in de trekvaart by de gaarkeuken.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Het ronde meer ¼ uur ten Zuiden van de linde, midden in het Veen.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten enz: vindt men hier niet. De Haar en Driemunt zyn zandige hoogten, doch daar de afhellingen zoo langzaam zyn, is hoogte en uitgestrektheid moeÿelyk naauwkeurig te bepalen.

7. Welke bosschen zijn daar?

De bosschen die hier zyn is kaphout en bestaan uit eiken - els en berkenboomen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Keisteenen, leemzand uit het Delfstoffelyk ryk.
Plantenryk, Rogge, boekweit, haver, gerst aardappelen, vlas, hennip, houtgewas, tuinvruchten, turf.
Dierenryk, paarden, koeÿen, schapen meest van het Drentsche ras, varkens, hoenders en andere huisdieren en van het wild, Vossen, bunsing, hazen, korhoenders, patryzen, Snippen, gansen, eendvogels enz. Ook een weinig visch als Snoek, baars, aal enz.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

In het midden door bemesting een vruchtbaar zand, en by de kerk en van in het Oost Zuidoost, wat kleiachtig zeer geschikt tot weilanden, ten Zuiden van het dorp hoog en of vergraven veen, en ten noorden lage hooilanden, de ondergrond is zand, potklei, leem, of darrig.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier niet byzonder beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Boekweitenmaaldery, Smedery, Weveryen, looÿeryen, Schoenmakeryen, Timmerlieden, Kuipers, wagenmakers enz. –

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Een Kerk, een school, een leesgezelschap met Nuis en Niebert, een zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Van Landbouw, veenarbeid en handwerken.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Sommige woorden en volzinnen zuiver Nederduitsch, doch algemeen Groningers met de Vriesche landtaal gemengd, zie hier eenige byzonderheden; in woorden waar de ee vereischt wordt, gebruikt met hier de tweeklank ie als bienen, stienen enz. Indien men iemand tot het morgen ontbyt noodigt, zegt men eet bruggen met ons of neem ’t bieten met ons, ook zegt men wel, toe neem ook een stuk eten, by iemand een bezoek af te leggen, wordt hier gezegd naar iemand te gaan piezelen, het avondeten wordt hier de Jimpt genaamd, b.v. hy junne de Jimpt al op, men noemt een aangehuwde vader Oomke en eene aangehuwde moeder Muike, men geeft hier de hooilanden de naam van Meeden.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Nederig, zuinig, naarstig, arbeidzaam. Het opstaan en bedgaan regelt zich naar de werkzaamheden, des zomers staat men op, die in het Veen moeten werken des nachts om 1 uur, landbouwers om 4 uur, des winters om 4 a 5 uur. Men gaat te bed het geheele jaar door om 9 a 10 uur. Men ontbyt ’s morgens te 8 uur, middageten om 12 uur, avond, ongeregeld, by het trouwen hebben algemeen geene byzonderheden plaats, vermaken en uitspanningen zyn kermissen en boeldagen, indien men by iemand een bezoek komt afleggen of ontvangt, doet men byna den geheelen dag niets dan eten en drinken, de mannen spreken dan indien zy landbouwers zyn, over de landbouw en Veeteelt, en de vrouwen over hunne vrouwelyke werkzaamheden.

Indien men van eene begravenis naar het sterfhuis terug keert, wordt roggenbol en bier ter tafel gebragt, de Predikant is hier meesttyds by tegenwoordig om het gebed en de dankzegging by den maaltyd te doen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Burgten heeft men hier niet, van Spookverschyningen verhaalt men elkanderen, dat somtyds de duivel, in de gedaante van eene grooten hond, hier de weg passeerd, dit meen ik is uit heidenschen tyd afkomstig, echter is het geloof aan spooken en andere bygelovigheden sedert 20 a 30 jaren verbazend verminderd.