Zoek op de website

Meeden

Gemeente Meeden

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Meeden.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Gehuchten of buurtschappen zyn hier niet; en de naamsoorsprong dezer plaats is my onbekend.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Dufsteen of duifsteen vindt men niet aan deze kerk, opschriften op de toren klokken luiden dus:
Op de eene: Klaudius Fremij, Mammens Fremy Heideveld me Fecerunt 1784. Als Johannes Mensinga Pastoor, Sypke Koerts en Hendrikus Luitjens Bouman Kerkvoogden op de Meeden waren.
Op de andere: Tetje Goozens J. Hus heeft my gegooten op de Meeden. Anno 1714. In der tyd als Yzebrandus Blankstein en Frederikus Blankstein Pastoren waren, Fokko Tjakkes en Berend Harms Kerkvoogden.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Rivieren, Stroomen enz. worden hier niet gevonden.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren treft men hier niet aan.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, wierden enz. zyn hier niet.

7. Welke bosschen zijn daar?

Ook geene bosschen.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Dierenryk, Koeijen, paarden, schapen vogels enz.
Uit het Plantenryk; tarwe, kool, en raapzaad, ook zomer- en boterzaad, garst, paardeboonen en erwten, veel haver en rogge, boekweit en aardappelen.
Uit het delfstoffelyk ryk, turf, bagger, leem, klei enz.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Aan de Noordzyde van boven klei, onder zand en tusschen beide, darg; aan de Zuidzyde, boven, Veen en verder naar beneden zand.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Kunsten en Wetenschappen worden hier in het byzonder niet beoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Hier worden alleen handwerken gedreven; als: Smeden, Kuipers, bakkers, klêermakers, timmerlieden en Stelmakers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Vochtig en veranderlyk; doch zoo erg niet als de meer N. plaatsen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene Hervormde en ééne Doopsgezinde Kerk, één Leesgezelschap en één school, Zanggezelschappen bestaan er niet.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Landbouw, handwerken en ook Koophandel.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platduitsche:
Zek di rys wat nys vertellen, dat di ny doún zal? maar ’k wil di nyt zeggen, wel ’t zegt het en das ook krek gelike veul – Nou das goud, maar dou kulst mi dog nyt enz. – Foi wat biste honnuur, dien hozen en boksen, zyn er oet, aster tou, om dien kop biste zoo bont as en aakster, ’t haar zit innen toeze en eulivlekken heste in dien wams. enz. –

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun algemeen Karakter is; zuinigheid, arbeidzaam, menschlievend, mededeelzaam, vriendelyk, openhartig enz. doch niet alle inwoners bezitten deze eigenschappen; vele zyn in tegendeel verkwistend, lui, overschillig omtrent hunnen evenmensch, trotsch, heerschzuchtig enz. –
hunne levenswyze is in het algemeen, eenvoudig even als hunne zeden; en hunne gewoonten verschillen in eenige opzigten zeer veel van de naburige plaatsen; zy staan des zomers ’s morgens te 3 a 4 uur op, en ontbyten dan te 5 uur; eten des middags te elf en des avonds tusschen 5 en 6 uur. Des winters staan zy op om 4 a 5 uur, ontbyten te 6 uur, eten des middags wederom te elf en des avonds te 4 uren. Zy gaan te bed des zomers avonds om 9 uur en des winters om 8. Byzondere plaatselyke vermaken en uitspanningen zyn hier niet bekend. – Zy bezoeken elkander gewoonlyk des avonds van 6 tot 9 uur; gebruiken een kopje koffy en de mannen roken eene pyp. By het trouwen en by begravenisplegtigheden wordt gewoonlyk eenen maaltyd gehouden, waarby niet alleen de familien maar ook de naaste buurlieden verzocht worden.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Meer plaatselyke byzonderheden zyn my niet bekend, daar ik hier nog maar ruim een jaar, als inwoner ben geweest.

Meeden (in den Oldambte) in Sept. 1828
(get) Borgesiús.