Zoek op de website

Meedhuizen

Gemeente Delfzyl

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam myner woonplaats is Meedhuizen, zoo genaamd van huizen die in de meeden (zynde laag grasland) gelegen zyn, dan mogelyk kan ook de oorsprong dezer benoeming gevonden worden, in het woord mede of mit: daar deze woningen bevorens aan de Gemeente te Farmsum behoorden, zoo ver het kerkelyke betreft, zoo droegen deze woningen den naam van huizen die er mede toe behoorden of Mithuizen.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

a. Opmeeden, bestaande in twee huizen die in de Meeden
gelegen zyn.
b. Wilderhof; eene buurt of gehucht van twee huizen in de Wildernis
gelegen.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of duifsteen is er niet aan.
Op onze groote klok vindt met dit omschrift . Jonker Joachim Ripperda, Unicus Collator. Ioannes Ten Veenhuis pastor. Jan Klaasen en de Frederick Hebens Kerckvoigden tot Mithuzen, hebben my laten gieten door Mr Godfrid Baulard Lotharingen Anno 1659.
Op de kleine, dienende alleen tot slagwerk van het uurwerk, staat slechts Anno 1586.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Van dit alles is er niets aanwezig, dan een maar of waterleiding, ontspringende by Siddeburen en loopende van daar Noordelyk noordoostelyk en mede noordelyk, door het groote- en vervolgens door het kleine meer in het Farmsummer maar.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meeren zyn er in onzen omtrek drie; nl. het Meehuizer, het kleine- en het Proostmeer.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, essen, heuvels en hoogten zyn er niet belangryk aanwezig, – dyken bestaan er evenmin; de waterkeeringen die er aanwezig zyn, bestaan alleenlyk in zoogenaamde kaaÿingen of molendyken van p.m. een a 1½ el hoogte.

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen zyn er niet.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het mineraal ryk leem en een weinig zand, ook aan de Zuidkant turf; uit het plantenryk rogge, haver, aardappelen velewortelen verder boom en tuinvruchten.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Meestal laag rooddoorn, by en om het dorp; maar verder Zuidwaarts dergachtige, ligte, veenige en onvruchtbare grond

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

het Wetenschappelyke bepaald zich alleen tot het kerk en schoolonderwys.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken en Trafyken niet; de handwerkslieden bestaan alleen in twee kleermakers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Is veelal koel en vochtig, wegens de lage gronden en meeren, en ook wegens de nabyheid van de Eems en de Noordzee.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk en eene school.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De landbouwer bestaat de landbouw en veeteelt, terwyl de daglooner zyn brood wint met handen arbeid, om den landbouwer in zyn werk behulpzaam te zyn.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Groningerlands.
b.v. Gesprek tusschen twee landlieden waarvan de een van Farmsum komende, deszelfs haver heeft verkocht.
A. Goudag
B. Ook goudag
A. Heÿe na Farmsum west?
B. Ja, ‘k heb mien haver verkocht, dei ‘k van kostery land kregen heb, en ook drei zak wortels, et maand geld mout er ja weer wezen en de meulenlasten eb ik ook nog nyt betaalt, er is geen raad tou.
A. ’t is slim.
B. Ou was ’t mit de mart?
A. ‘t is nyt beter.
B. Wat zelje hebben?
A. Achttien Stver (stuiver) en drei cents enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

16. Hun karakter is meestal eenvoudig. Stil en vreedzaam, hun levenswyze werkzaam. Hun opstaan is des Zomers gewoonlyk ‘s morgens te 4 uren, te 8 uur wordt er een uur rust gehouden, wordende dit brytyd genoemd, te 12 uren wordt er middag gehouden, te 2 uur weder aan den arbeid tot ‘s avonds 6 uren, en na dat men dan geëten heeft, begeeft men zich al spoedig te bed. –
Vermaken en uitspanningen zyn zeer gering, in den zomer slechts het bezoeken van een of ander kermis, harddravery- boeldagen enz. in den winter tot schaatsryden of een vriendschappelijk min kostbaar avond bezoek.
Bruiloften zyn in onbruik geraakt, wegens het trouwen voor den ambtenaar van den Burgerlyken stand.
De begravenisplegtigheden zyn minder kostbaar dan voorheen.
De volksverlichting, die de spoken, heksen en dergelyke bygeloovigheden langzamerhand heeft doen verdwynen, heeft ook hier weldadig licht verspreidt, dan, daar de eenvoudige dorpsbewoners, merendeels geen of weinig gebruik van het lezen maken, ja zelfs veele ouden die kunst niet verstaan, zoo is het geloof aan dusdanige ongerymdheden alhier nog niet verdwenen.

Meedhuizen d. 237 sept. 1828
(get) V. Hoogstra.