Zoek op de website

Mensingeweer

Beantwoording der vragen van de Commissie van Onderwys voor de Provincie Groningen van den 10 Juny 1828.

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

De naam van onze woonplaats is Mensingeweer.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Men heeft hier geen andere gehuchten, dan Groote- en kleine Maarslagt, welke beide van eenen afstand van 1000 Nederlandsche ellen in eene zuidelyke en noordelyke rigting van elkander en omstreeks 2000  Nederlandsche ellen van de kerk gelegen zyn. Het zal misschien moeijelyk te bepalen zyn vanwaar ons dorp deszelfs naam ontleend hebbe: - intusschen is de uitgang of het omschrevene woord weer niet vreemd in andere benamingen van de dorpen in dit gewest; en zoude dit weer geene verbastering van wier, of wierde zyn?
Mensinge konde met eenige verandering de naam zyn van iemand die op deze wier, of weer, het eerst heeft nedergezet, en op zoodanig eene wyze konde deze zamenstelling van Mensingeweer haren oorsprong  hebben. Ook de naamsafleiding van Maarslagt schynt niet gemakkelyk te zijn. Zoude ook misschien meer in maar gewisseld zyn geworden? althans deze verwisseling van de a in e is zeer gebruikelijk in onze taal, zoo als blijkt in waren en weren en meer andere woorden. Het komt ons niet onwaarschynlyk voor, dat, in de nabyheid van dit gehucht oudtyds een dyk heeft gelegen welke inzonderheid den slag van het water der zee (meer) te verduren had, en dat men van dezen meerslag de naam voor het, hier naderhand gebouwde  gehucht ontleend hebbe. Als iets opmerkelyks voegen wy hier nog by, dat in het gehucht, Kleine Maarslagt, nog een kerkhof  aanwezig is, waar op de lyken van deze gehuchten en van het gehucht Schouwerzyl voor zoo ver de inwoners by ons ter kerke behooren, begraven moeten worden. Kleine Maarslagt had weleer eene kerk die  eerst door den predikant van Warfhuizen, en in latere jaren door den predikant van Mensingeweer bediend werd, doch na dat deeze kerk in den jare 1811 is afgebroken is dit gehucht met Mensingeweer kerkelyk vereenigd geworden.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Er is geen duf- of duifsteen aan onze kerk. Het opschrift op onze torenklok luidt aldus:
Klaas Sikmans 1674.
Hier dient nog opgemerkt te worden, dat men ook te Kleine-Maarslagt, eene torenklok heeft, welker opschrift niet gemakkelyk te lezen is.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Het zoogenaamde Mensingerweerster-diep, neemt in ons dorp zamen oorsprong en voert het overtollige water, naar- en door de Schaphalsterzyl. Dit dorp is te zeer bekend om het zelve nader te omschryven. Het Ulrummer-diep loopt onmiddelyk in ons dorp, en de vereeniging dezer wateren wordt slechts door eenen dam belet. Ook dit diep zal de Commissie van onderwys van elders genoegzaam bekend zyn.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Men vindt hier geene meeren. -

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Men vindt hier ook geene zoodanige hoogten, die, eene byzondere opmerking behoeven.

7. Welke bosschen zijn daar?

Ook vindt men hier geene bosschen, indien men de lanen, en wandeldreven van den huize Mattenesse toebehoorende aan den Heer, Mr. H.H. Brongers, niet onder dezelve wil gerekend hebben.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Men treft hier goede paarden, en koeyen aan, van welke laatste jaarlyks veel vervoer naar Holland is; ook houdt de landman schapen aan, welks wol zeer bruikbaar is. De byenteelt is hier zeer gering. Haver, gerst, boonen, raapzaad, en gele erwten zyn hier de geliefkoosdste graangewassen, en peulvruchten. –

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Men heeft hier over het algemeen eenen gemengden zandgrond en dieper treft men hier en daar leem aan.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Men kan juist niet zeggen dat men zich hier met het aanleeren van kunsten, of met de beoefening van de eene of andere wetenschap in het byzonder bezig houdt; dit laten de bezigheden des beroeps niet toe, evenwel is ook hier, zoo wel als elders sints korte jaren de leeslust buitengemeen toegenomen, en de  belangstelling in algemeene kennis wint dagelyks aan. –

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men heeft hier geene fabryken of trafyken, en de handwerkslieden zyn slechts bepaald voor onze gemeente; dewyl echter Mensingeweer een vrolyk en lustig plaatsje is, en nog al druk bezocht wordt. Zoo heeft men genoegzaam gezorgd, dat de reiziger overal eene rustplaats vinden waar hy in zyne behoeften kan voorzien; dat is men vindt hier een aantal herbergen.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Wegens de nabyheid der zee, kan men de luchtsgesteldheid juist niet zeer gezond noemen.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Men heeft hier eene gereformeerde- en een Mennoniten-kerk. Deze laatste is in 1818 gebouwd, en munt  boven vele andere kerken in fraaiheid, en zindelijkheid zeer uit. Hier is éene school. – Een leesgezelschap. – En des winters één Zanggezelschap. –

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Men zoude het een boerendorp kunnen noemen, doch dewyl het een aangenaam voorkomen heeft, en nog al neringryk is, treft men er ook eene welgezetene burgery aan.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Wy zullen een enkel voorbeeld van hunne platte taal, aan de aandacht der Commissie onderwerpen, waar uit het genoegzaam zal blijken, dat hunne taal nog zeer arm, somwylen eenigszins rauw en onwelluidend is. –
Jan: - Wat regent dat weer!
Piet: Ja; ’ t nat ja maar alle dagen aan, men ken geen schoofzaad in hoes krigen; hou ’ t moet ik weet ’ t niet.
Jan: En verleden jaar het men ook nog zoo’n slecht jaar had, en de lasten gaan der om vort.
Piet: Ja; ‘k wil die wel zeggen, de puilen worden over ’t algemeen lieg: maar als ’t ophold, den hold ja op, den mout ’t land ook ja wel tevree wezen!

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De landbouwende klasse staat des morgens te drie uren op en neemt te acht uren het ontbyt. Om twaalf uren geniet men over het algemeen het middagmaal. En des avonds te zes uren den avondmaaltyd.  De burgery verschilt van de landbouwers in zoo ver; dat zy des morgens een paar uren later opstaan, en des avonds hun werk een paar uur langer voortzetten, en als dan den maaltyd houden. Wat betreft de gebruiken by het aangaan eens huwelijks, en de begrafenis-plegtigheden; deze zyn door den tyd minder kostbaar geworden; doch de thans nog plaatshebbende uitwendige plegtigheden dienen weder geene vermindering te ondergaan, indien zy den naam van plegtigheden zullen blyven dragen.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Er zyn ons verder geene byzonderheden voorgekomen, die de aandacht der Commissie verdienen; weshalve wy hier de beantwoording der opgegeven vragen gevoegelyk kunnen eindigen.


Abel Eenjis Engelkes.