Zoek op de website

Middelbert

Gemeente Noorddyk

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Middelbert.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Onder Middelbert behoort het gehucht Euvelgunne, dat eene afzonderlyke school bezit, liggende omstreeks een half uur ten westen van Middelbert, op den oostelyken oever van het oude bed der Hunse. Verder behoort onder Middelbert de zoogenoemde Kleine Harkstede, gelegen in het oude Fivelgo, ten Oosten van Middelbert op den afstand van een kwartier uurs. Men zou dit eene buurtschap kunnen noemen, als bestaande uit slechts 8 huizen.
Oudtyds maakte dit, met de zoogenoemde Heidenschap eene zelfstandige gemeente uit, die hare eigene kapel en eenen pastoor bezat. Doch reeds voor de hervorming is deze gemeente onderdrukt, en gedeeltelyk onder Garmerwolde, gedeeltelyk onder Middelbert gevoegd.

Aanmerking van den Heer N. Westendorp
Mag men vragen: 1: waar heeft die kapel aldaar gestaan? En is het stuk nog aanwezig, waaruit het blykt dat deze Gemeente reeds voor de her- vorming verdeeld is? Daar is dit immers tegen, dat Middelbert onder het Bisdom van Utrecht en Garmerwolde onder het Bisdom van Munster behoorde; en er waren twee disputen en eene overeenkomst daaromtrent tusschen die Bisschoppen noodig.
(get) W.

Dit laatste gedeelte heeft echter allengskens deszelfs oorspronkelyken naam verloren, en wordt in den dagelykschen wandel met het daaraan grenzende gedeelte van de Harkstede, de kleine Harkstede geheeten.
In oude stukken en aankomst brieven is echter de oorspronkelyke benaming nog bewaard.
Wat den naamsoorsprong van Middelbert betreft, hiervan valt met zekerheid niets te zeggen.
Door den uitgang bert dat in de oude Saxische taal ook brit geschreven wordt, en een slot, beteekent, hebben sommigen gegist, dat hier in oude tyden een slot zoude gestaan hebben, bekend onder den naam van Middelslot. Deze gissing verkrygt eene geringe mate van waarschynlykheid, wanneer men in aanmerking neemt, dat de weg van Duurswolde in oude tyden door dit dorp ging.
Toen was er te Ruischerbrug, eene brug over het Damsterdiep, en zoo liep dan deze weg naar Bedum, eene plaats, die in oude tyden algemeen en yverig bezocht werd.
Het is dus niet geheel onwaarschynlyk, te stellen, dat veiligheidshalve voor de bedevaartgangers aan dezen weg, reeds vroeg een slot is gebouwd geworden.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan onze kerk wordt geen duf- of duifsteen gevonden.
De oude torenklok van dit kerkgebouw was reeds in het begin der Nederlandsche oorlogen verloren geraakt, doch werd in 1626 door eene andere vervangen, die in eenen houten toren hing. De tegenwoordige klok is van 1755 en heeft het navolgende opschrift:
“Anno 1755 als kerkvoogden waren A.J. ter Borch raadsheer in Groningen en de “gezworen K. Ellens, is deze klok tot dienst van Middelbert gegoten door I. “Borchhard in Groningse Soli Deo Gloria.”
Voorts heeft men er dit vierregelig versje op:
“Ik wekk’ die leven om te merken op hun sterven,
“Ik roepe aan ieder om in tyds te leeren derven
“Al wat hem nu nog ooit het leven kan doen erven,
“Dat is in Jezus, dies zoo wilt niet langer zwerven.”
Joh. Brill. pastor.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Rivieren zyn er in deze kerkelyke gemeente niet. De Fivel of het Damsterdiep loopt naby hare noordelyke grensscheiding. De navolgende maren of waterlossingen verdienen hier opgemerkt te worden.
De zoogenoemde Borgsloot of Borgwyk loopende in eene meest noordelyke rigting, komende van Engelbert en uitwaterende in het Damsterdiep. Hy heeft zynen loop op de grenzen van Fivelgo en het Goregt; doch de oude uitwatering was anders als de tegenwoordige. Voorheen liep hy geheel op de grenzen van Fivelgo en het Goregt, loopende van Hinkema horn naar de rollen in het Damsterdiep; doch thans neemt hy by Hinkema horn eene andere rigting, loopende door het Gooregt en uitwaterende by Ruische brug. Voorheen was het eene uitwatering door Middelbert en Engelbert, doch toen voor omstreeks 10 jaren de veenen in de Harkstede en te Engelbert meer en meer vergraven werden, was het voor de verveeners van belang; om eene geschikte vaart naar het Damsterdiep te hebben tot afvoer van hunne turf, waarom zy dan ook met de Land eigenaren van Middelbert overeenkwamen, om deze borgsloot, op eene behoorlyke diepte en breedte te mogen vergraven, en eene andere uitwatering namelyk by Ruischerbrug te mogen geven; ten einde op die wyze eene geschikte vaart voor den afvoer van hunne turf te verkrygen. De dorpschepen van Engelbert en de Harkstede varen hier ook langs. -
De waterlozing is eene uitwatering in het Damsterdiep van het overtollige water, uit de landeryen op de Euvelgunne: zy heeft eene noordelyke strekking, loopende van den Olgerweg naar het Damsterdiep. Zy loopt ten naasten by in het midden tusschen Middelbert en Euvelgunne door. -
Deze zoogenoemde waterlozing had vroeger onder den Olgerweg (Ulgera Sudwenda) eene pomp, waardoor zy met het Engelberter afwateringskanaal in betrekking stond. - Deze pomp was echter ten dienste van die van Middelbert, ofschoon die van Engelbert zich wel eens aanmatigden om haar te trekken, hetwelk dan dikwyls aanleiding gaf tot groote onlusten en oneenigheden; doch die eindelyk ten voordeele van Middelbert beslist zyn, door de scheppers der drie Delfzylen by eigenhandig vonnis van Hermannus overste Schepper, en abt te Werum of WitteWierum.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Meren heeft men hier te Middelbert niet, doch wel moerassige poelen, die voorheen wel den naam van meren konden dragen. Een dergelyke heeft men op eenen korten afstand van de kerk in eene, meest westelyke rigting van daar. Het is nu byna geheel droog, en in den dagelykschen wandel bekend onder den naam van rietboord, wegens het veelvuldige riet, dat er in groeit. Het heeft eene grootte van omstreeks 3 bunders. –
Voor ruim 30 jaren was het nog meestal water, zoo dat er zich veel visch in ophield. Het verkleint zich echter van jaar tot jaar, en verandert in laag land door de neerploffing en verrotting van het riet en de menigvuldige waterplanten, die er in groeÿen, zoodat er misschien over 40 a 50 jaren, geen spoor meer van overig, maar geheel in laagland veranderd zal zyn. Voorheen waren er meer dergelyke poelen, doch van kleineren omvang, die nu echter reeds verdwenen en in land veranderd zyn, doch nog genoegzaam kenbaar, door derzelver lossen moerigen grond, die by hoog water opdryft, gelyk er zich op dergelyke plaatsen ook wellen bevinden, welke by de strengste koude nimmer toevriezen. -
Ook in de kleine Harkstede heeft men nog twee kleine meren, bekend onder den naam van groote en kleine meer; deze leveren nog visch op, gelyk er zich in het voorjaar mede veel gevogelte ophoudt.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Gasten, wierden, warven, essen, heuvels, of dyken, heeft men hier niet. Onder de dyken zoude men nog kunnen rekenen: de Hunsedyk, dat is die dyk, welke den ouden loop der Hunse volgt, en aan de westelyke zyde van den weg op de Euvelgunne ligt.
De Olgerweg voorheen bekend onder den naam van Ulgera Sudwenda. Dit is de zuidelyke grensscheiding van Middelbert en Engelbert, en waarschynlyk van het Goregt in den eigenlyksten zin, en Trentherwolde. Deze Olgerweg strekt zich uit van den Euvelgunnerweg, tot aan de Borgwyk. Dat gedeelte van denzelven, hetwelk thans onder den naam van den ouden weg bekend is, en van den Middelberter weg loopt, tot den borgwyk, wordt thans niet meer bereden. Dit was echter de weg die van Duurswolde door Middelbert liep, zynde daar, waar dezelve in het Goregt kwam, over de borgsloot, eene brug bekend onder den naam van steerte bolte balka. -

7. Welke bosschen zijn daar?

Bosschen heeft men hier niet.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Over het algemeen kan men aanmerken, dat er ter dezer plaatse niet by uitsluiting eenig dier, de eene of andere plant of delfstof te huis behooren. Om echter iets aan te merken zoo diene dan het volgende hier toe.
Uit het dierenryk komen hier in aanmerking, de huisdieren, welke de landman als winstgevende, aanhoudt; als koeÿen, paarden, schapen, zwynen ook wel geiten, doch tot kinder vermaak, of wel om de genezende kracht van derzelver melk, voor teringachtigen; katten en honden ter beveiliging; voorts eenden, ganzen, zwanen, hoenders, duiven enz.
Verders het wild, dat zich in deze streken ophoude, bestaat hoofdzakelyk in hazen, patryzen, korhoenders, watersnippen, wilde eenden; vossen houden zich wel eens in den bovengezegden rietboord op, bunsels enz.
Visschen houden zich hier weinig op, uit hoofde van gebrek aan meer meren, diepen en uitgegravene veenen. In de sloten treft men maar zelden eenige aan; doch in de borgwyk wordt nog al visch zoo als baars, snoek, vorens enz. doch vooral aal gevangen.
Uit het plantenryk komen hier in aanmerking de verschillende soorten van granen, welke hier verbouwd worden als: haver, garst, rogge, koolzaad, boonen.
` De haver is hier algemeen, en wordt op dezen gemengden grond zeer goed verbouwd, doch vereischt eene goede bearbeiding, en somwylen ook bemesting.
Garst wordt er hier over het algemeen niet meer verbouwd, dan ieder een voor eigen gebruik nodig heeft: hiervoor is de grond te Middelbert minder geschikt, leverende maar zelden eenen voordeeligen oogst op.
Rogge wordt er nog minder verbouwd; doch deze komt hier anders vry goed voort; misschien ware het wenselyk, dat men zich hierop wat meer toelegde.
Koolzaad is men eerst in de laatste 20 jaren hier beginnen te verbouwen, toen in onze nabyheid het roppen, als een zeer geschikt middel werd uitgevonden, om het land eene meerdere vruchtbaarheid te geven. Zeer goed kwam dit gewas hier dan ook in de eerste jaren voort, en leverde aan sommigen groote winsten op: doch in de laatste jaren is dit veel verminderd, misschien wel, omdat er door velen van het genoemde roppen een misbruik gemaakt werd zoo dat men inplaats van verbetering, vermindering aan zyne landeryen begon toe te brengen en veelal ook door het te veelvuldig bouwen.
Boonen worden hier zeer weinig verbouwd.
Ik ga de verschillende plantsoorten welke er op onze weidelanden groeÿen met stilzwygen voorby.
De tuinvruchten welke men hier aankweekt, zyn die verschillende soorten van kruiden en gewassen, welke gewoonlyk in eenen moestuin voorkomen.
Aardappelen begint men hier nu meer te verbouwen dan voorheen, zoo dat men thans voor eigen voorraad telkens genoeg heeft, velen gebruiken dezelve als een zeer voedzaam middel tot beesten voeder. Om uit te voeren worden zy hier niet geteeld. Het schynt dat de grond tot het verbouwen van aardappelen, hier meer geschikt is geworden, sedert men denzelven, ook des winters, door watermolens droog houdt.
Uit het delfstoffelyk ryk heeft men hier geene byzonderheden, wat de verschillende aardsoorten betreft, dit komt meer bepaaldelyk onder de volgende vraag voor.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Het is te Middelbert een gemengde grond, die veel van het veenachtige heeft, doch vermengd is met vruchtbare aarde. Deze soort van grond, die ligter of zwaarder is, na dat er van de eene of andere soort, meerdere bestanddeelen worden aangetroffen, is op de meeste plaatsen zwartachtig van kleur. Daar, waar zy naby de klei grenst, zoo als aan de noordzyde naar Noorddyk en aan de Westzyde naar Euvelgunne heeft de grond iets van het kleiachtige. - Het is opmerkelyk, dat men hier in zulk eenen kleinen omtrek, zulk eenen zachten maar evenwel grooten overgang heeft van de zwaarste klei tot het veenachtige.
Die landen, welke nog niet gebouwd zyn, en die algemeen onder den naam van blaauw gras-landen bekend zyn, hebben eenen grond, die iets van het bruine heeft.
Van deze soort van bovengrond heeft men eenen voet, meer of minder, dan volgt er een losse, ligte grond, hier bekend onder den naam van darggrond, die op zich zelven geheel onvruchtbaar is. In sommige streken ontdekt men ook al spoedig zand, doch dit heeft men vry ongelyk van diepte. En die landen, welke waarschynlyk voorheen moerassen geweest zyn, en daaruit van langzamerhand ontstaan zyn, en wiens grond dus byna geheel van plantaardigen oorsprong is, hebben het zand nog veel dieper zittten. – Doch aangaande de grondsgesteldheid kan men nazien de vroeger gedane opgave hiervan, aan den Heer Schoolopziener van het eerste district.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Beoefenaars van Kunsten en Wetenschappen worden hier niet aangetroffen, behalve de predikant der plaats, vooral ook om dat het eene plaats is, die geheel uit van elkander verwyderde boerderÿen bestaat. -

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Fabryken en trafyken heeft men ook niet in onze Gemeenten: De voornaamste werkzaamheden zyn die van den landbouw: er worden ook weinig handwerkslieden aangetroffen. De meeste handwerkslieden hebben zich te Oosterhoogebrug of te Ruischerbrug gevestigd, dat wel in onze nabyheid; doch onder Noorddyk behoort. –

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is hier doorgaans meer vochtig dan droog: bykomende oorzaken van uitwazeming en uitdamping brengen hierin wel eens eenige verschil te weeg. Men zal dit punt echter meer ontwikkeld vinden, in het deswege ingezonden verslag van den Heer Reddingius, betrekkelyk de luchtsgesteldheid dezer Gemeente, aan den Heer Schoolopziener van het eerste district.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Er is hier eene kerk die te Middelbert staat, omstreeks een kwartier uurs ten Zuiden van het Damsterdiep. Zy is van tyd tot tyd, vergroot en verbeterd, zeer net en zindelyk en nog onlangs in 1822 met een fraai orgel versierd.
In deze kerkelyke gemeente heeft men twee scholen: eene te Middelbert, en eene op de Euvelgunne, voor ruim 30 jaren opgerigt. -
Er worden hier thans geene afzonderlyke leesgezelschappen aangetroffen, welke alleen bestaan uit leden van deze gemeente; doch men heeft hier wel leden van andere leesgezelschappen. - Voorheen bestonden hier ook wel eens afzonderlyke leesgezelschappen.
Afzonderlyke zanggezelschappen zyn er nu ook niet; doch gedurende den winter houdt men wel eens wekelyksche zangoefeningen, te Middelbert en op de Euvelgunne. -

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De middelen van bestaan der inwoners zyn die van den landbouw en de veeteelt: zoo dat meest alle inwoners in den boerenstand hun bestaan vinden. Arbeiders heeft men er niet te veel, vooral ook door het gering aantal arbeiderswoningen, dat hier wordt aangetroffen.
De meeste handwerkslieden hebben zich zoo als gezegd is, te Oosterhoogebrug en te Ruischerbrug gevestigd, vooral ook, omdat daar de passagie en de vaart langs gaat, waardoor deze voor hen, meer geschikte plaatsen werden. - Aan de borgsloot hebben zich van tyd tot tyd eenige arbeiders, waaronder een scheepstimmerman, nedergeslagen, vooral ook, omdat zy daar in de gelegenheid zyn, van te kunnen visschen, dat voor velen nog al een gedeeltelyk bestaan oplevert.
Armoede wordt er in deze gemeente weinig aangetroffen; de boerenstand is hier over het algemeen wel niet ryk maar toch veelal wel gesteld. - Het is hier eene zeldzaamheid, dat iemand om schulden uit zyne bezittingen wordt gejaagd, waartoe zekerlyk de eenvoudige leefwyze, waaraan men zich vry algemeen heeft gehouden, en geenzins die verandering heeft ondergaan in de laatste 50 jaren, waardoor de boerenstand in andere streken van deze provincie, door het bedriegelyke van den voorspoed zich heeft laten verleiden, het hare bydraagt. Alsmede de nabyheid van de Stad, waardoor zy in de gelegenheid zyn, om hunne voortbrengselen tot kleinigheden toe, zelf ter markt te brengen.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal van de inwoners dezer Gemeente is de platte Groninger tongval. Daar de inwoners dezer Gemeente meestal alle weken in de stad komen, en over het algemeen in verschillende betrekkingen en verbinding, met de stedelingen geraken, is het zeer natuurlyk, dat dit ook eenen zeer grooten invloed op hunne taal uitoefent. Doch daar er over het algemeen minder beschaving ten platten lande is, dan in de steden, – is het ook van daar dat er in de platte taal der landlieden iets meer onbeschaafds en onbevalligers wordt aangetroffen. De klank a wordt hier zeer dof uitgesproken; veeltyds wordt zy met e verwisseld zoo als in zel voor zal, gelyk ook de verlengde aa met ee, als peerd voor paard; ook maakt men wel van de verlengde aa eene korte a, als: start voor staart, enz. De e wordt zelden verwisseld, gelyk mede de i, maar deze behouden vry zuiver haren klank: men zegt wel mit voor met.
De korte o wordt ook vry zuiver uitgesproken, doch de verlengde oo verwisselt men dikwerf in eu, het Hoogduitsche ö als: heuren voor hooren, beus voor boos, deus voor doos. De u alsmede de verlengde uu behouden haren eigenaardigen klank. De y wordt wel eens in i of ie verwisseld als: zyt voor ziet, Pyter voor Pieter, enz. daarentegen zegt men weder y voor ie,want voor niet zegt men nyt enz.
Voor ei zegt men ai, bv. beide wordt baide, doch ook wel eens ee als: hy zee voor hy zei. -
De eu wordt zelden verwisseld.
Voor oe gebruikt men veelal ou als goud voor goed, boute voor boete. -
De tweeklank ou wordt in vele woorden ol; als goud wordt gold, zout zolt, enz.
De verlengde ee wordt y als allyn voor alleen, enz.
De klank ui wordt zelden verwisseld, somwylen nog met ai, als: dait voor duit, staiten voor stuiten; ook met uu in guut voor guit. -
De tweeklank au wordt hier vry zuiver uitgesproken; doch ook de ou wordt in vele woorden als au gehoord; voor bouwen, zegt men bauwen, voor mouwen, mauwen, enz. Juist het tegengestelde hoort men in vele streken van ’t Westerkwartier: daar geeft men de ou wel den zuiveren klank, maar au wordt daar ook als ou gehoord. Men zegt daar Ouwert voor Auwert of Aduard, douw, voor dau­w enz.
De aai wordt in ai veranderd: zaaÿen wordt zaÿen, maaÿen, maÿen enz.
De aau wordt veelal met au of ou vermengd.
De eeu hoort men dikwyls als y of ei uitspreken: snei voor sneeuw, lyw voor leeuw.
De ooi komt wel als eu voor, zoo als in heu voor hooi.
De oei wordt ui; koeÿen wordt kuÿen, broeÿen wordt bruÿen, enz.
De klank ieu wordt verwisseld met y: voor nieuw zegt men ny, voor kieuwen, kywen.
De medeklinkers worden over het algemeen vry duidelijk en naauwkeurig gehoord, in sommige woorden ontbreekt wel eens de h.
Een kenmerkend onderscheid in de uitspraak van de inwoners van Fivelgo en Hunsego, althans in de meeste streken, waardoor men hen van de inwoners dezer streken kent, is, dat zy de i uitspreken als ie, in wiend, kiend, spiend, enz. hetwelk hier altyd wind, kind en spind zal hooren. Zoo wordt ook het woord molen daar als möllen, hier daarentegen meulen uitgesproken.
Doch daar de platte taal iets geheel willekeurigs schynt te zyn, is het niet mogelyk hieromtrent eenige doorgaande regelen voor op te geven. Overal toch ontdekt men wederom afwykingen en verscheidenheden, een verward mengelmoes, weshalve misschien een voorbeeld meer zal afdoen, dan al het ter nedergestelde.

Voorbeeld.
Boer. Ja Jan! hou is ’t die van daag afgaan mit plougen?
Jan. Ja, Boer! dat gong nog al zoo wat, maar de peerden wassen aast al te hyt; ik kon ’t nyt regt naa mien zin kriegen.
B. Ja jong, dat gait in ’t eerste zoo: zy zitten gout in ’t vour en den bin ze eerst altied wat hyt. Maar zy zellen de pokkel wel gauw mui kriegen, want ’t zel daar nog wel wat vast zitten.
J. Ja wel zit ’t er vast: dat komt mit dy wezeltse rusken. Ik ken ’t mie nyt begriepen, hou dat er zoo veul rusken in ’t land komen kennen.
B. Ja Jan! dy rusken dat is bie ons ÿn nare pestelentie; daar het ’t men altied mit te doun; en ’t is net, of ’t nou ook nog slimmer is als aleer.
J. Mie dunkt boer, ’t komt ook al mit dat forse branden dat de lu nou doun, want de beste eer verbranden ze toch, zol ’t nyt?
B. Ja Jan!, ’t is zoo, ik leuf ook dat ’t er gyn gout tou dut, maar dat ’t daar allyn bie tou komt, dat leuf ’k nog nyt, want men het ze ook in landen, dy nooit ropt of brandt bin. Mous ’t nyt al te dik plougen, heur Jan!
J. Nee boer dat dou ’k ook nyt, want ik wyt wel dat je daar nyt van hollen.
B. Nee, daar bin ’k yn groot vyand van; want dy onderste grond bie ons is wainig weerd; en ik geleuf ook vast dat ter hyl veul lu bin, dy mit dat dype plougen n’ hyl bulte rusken anhalen: want as dy ruske eer zoo boven komt den is ’t mit yn jaar of twy, dry weer vol. -
Hou is ’t mig de dreugte Jan?
J. Ja, ’t is nog nat genogt, maar ’t ken wel gaan: ’k wol toch vort nog nyt zaÿen.
B. Nee, dat was ’k ook nyt veurnemens, want as ’t er zoo nat in komt, en men krigt er den kolde op, den het men ’t aanstonds mit de vretery te doun, daar bin ’k ook bang veur: het mout toch ook al in de warmte wssen, dat vrouge zaÿen ken ons hier niks helpen.
Men ziet hier uit, dat men zich’ in het dagelyksche gesprek veel van verkortingen bedient, zoo als ’k voor ik ’t voor het, ’n voor een, enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Over het algemeen kan men van de inwoners dezer plaats en van de Euvelgunne zeggen, dat zy vlytig zyn in hun beroep, vriendelyk in den omgang, gastvry in hun onthaal en dienstvaardig in het verleenen van hulp aan anderen.
Eenvoudig en ingetogen is over het algemeen hunne levenswyze, terwyl zy die met nederigheid en ontzag voor hunne meerderen paren. Onder sommigen breekt de losbandigheid wel eens door, doch dit komt veelal door den invloed van vreemden vooral van boerenknechten. -
Om echter het een en ander in de opgegevene vraag meer op te helderen, zal een voorbeeld van de werkzaamheden enz, eens huisgezins niet ongepast kunnen gerekend worden. -

Voorbeeld.
Over het algemeen staat men hier des morgens vroeg op, omstreeks 5 uren; Sommigen wel vroeger; doch over het algemeen niet veel later. Ieder een begeeft zich dan dadelyk naar zyn werk. De dienstboden moeten gezamenlyk of eenigen derzelven, naar het land of naar den stal, om de koeÿen, schapen enz. te melken. De vrouw begint ondertusschen met haar karnwerk, en de boer is onder of by zyne knechten, of houdt zich met andere huisselyke bezigheden onledig. Voorts zorgt de vrouw, dat de koffy gereed wordt, tegen den tyd, dat de melk te huis gebracht wordt. Dan wordt er gezamenlyk een kopje koffy gedronken, en men spreekt met elkander, wanneer er geen byzonder nieuws is, over de dagelyksche bezigheden, de gesteldheid van het weder, enz. Na dat het koffy drinken geeindigd is begeeft zich ieder wederom naar zyn werk: de knechten naar het land of in de schuur, indien het winter is; de meiden by het huiswerk, terwyl de vrouw zich nog met het karnwerk bezig houdt, en de boer het opzigt houdt over zyne knechten en veelal hun voorganger is. Om 8 uur des morgens is de gewone tyd van te ontbyten. Roggenbrood is dan het algemeene voedsel, terwyl men er wederom een kopje koffy by neemt; doch dat gewoonlyk meer de kleur dan wel de smaak van koffy heeft, zoo dat men die aan niemand anders, dan zyne huisgenooten durft voorzetten. Men noemt dezelve gewoonlyk de morgen koffy. – Na het ontbyten gaat ieder weder aan zyne bezigheden: de vrouw in hare huishouding, waarin de meiden haar behulpzaam zyn, de knechten naar het land. Om 10 uur wordt er wederom gezamenlyk koffy gedronken, en des middags om 12 uur is de tyd van het middag eten daar. Dan is er in den zomer een uur schoft, of tyd om te rusten van de vermoeÿende werkzaamheden, doch om half twee moet ieder weder gereed zyn om zyne bezigheden te hervatten. Om half vier wordt er gewoonlyk weder koffy of by velen ook thee gedronken. Des avonds om 6 uren worden de werkzaamheden op het land gestaakt, behalve in den drukke oogst wanneer het gewoonlyk later wordt. By de te huiskomst van de arbeiders van het land, is, in eene geregelde huishouding, ook weder voor hen het avondeten gereed. Na geeindigden maaltyd is het voor de knechten nu de tyd om eens eene pyp tabak op te steken, terwyl men het overige van den avond in onderlinge gesprekken doorbrengt, dit, naarmate van hunne beschaving ruw en onkiesch of meer nodig zyn, vooral ook regelt zich dit naar de orde, welke er in de verschillende huishoudingen wordt in acht genomen. By velen blyft er in dit opzigt nog al veel te wenschen over. – Ondertusschen brengen de vrouwen een gedeelte van den avond door, met spysbereiding voor den volgenden dag, of zy zetten zich aan de eene of andere vrouwelyke bezigheid, van spinnen, breiden, enz. zoo dat men over het wel besteden van den tyd, in de meeste huishoudingen niet behoeft te klagen, daar er steeds onder al de huisgenooten eene onafgebrokene werkzaamheid heerscht. Om 8 of 9 uur is de gewone tyd van na bed te gaan. By het afleggen van visites maakt de huisvrouw van den nadenmiddag gebruik, indien zy slechts op een kopje koffy by eene harer buurvrouwen gaat: doch meestal neemt zy dan nog haar naai- of breiwerk mede, zoodat het eigenlyk geen tyd verspillen kan heeten. Doch zeer druk gaat het bezoeken hier niet, daar eene boerin, die hare zaken wel wil waarnemen, hiertoe maar zelden tyd overschiet.
Eene andere soort van bezoeken zyn de zoogenoemde avond visites. Deze hebben meestal in den winter plaats, of dan wanneer er geen dringende veldarbeid is. Man en vrouw gaan dan gezamenlyk tegen het vallen van den avond, na vooraf gegane uitnoodiging, hunne vrienden of bekenden, in de buurt, eens bezoeken. Dan brengen zy, onder het houden van drukke gesprekken, welke gewoonlyk loopen over zaken den landbouw, de veeteelt of de dagelyksche voorvallen betreffende, menigen avond in gezelligheid en vriendschap door.
Een kopje koffy en daarna chocolade met eenen boterham is dan het gene, waarop men elkander onthaalt. - Nog eene andere soort van bezoeken zyn de zoogenoemde familie bezoeken. Deze zyn het werk van eenen geheelen dag, en dan wordt met gulheid, gastvryheid en overdaad opgedischt. - Gewoonlyk houdt men deze soort van bezoeken tegen het voorjaar, voor dat de werkzaamheden op het land wederom eenen aanvang nemen.
Onder de voornaamste vermakelykheden, waaraan de inwoners dezer gemeente gewoonlyk deel nemen, zyn te rekenen, het bezoeken der kermissen, harddraveryen, boeldagen en het ysvermaak.
De kermissen, die voornamelyk bezocht worden, zyn de voorjaars en herfstkermis te Groningen, de herfstkermis te Slogteren en voornamelyk die te Zuidlaren.
Byzondere gebruiken by het trouwen en by begravenis plegtigheden, heeft men hier niet. Deze zyn hoofdzakelyk al gelyk aan die der naburige streken.
Over het algemeen zy hier ten slotte nog aangemerkt, dat, daar er te Middelbert, buiten de kerk, eigenlyk geen byzonder punt van vereeniging is, waarvan men zoude kunnen zeggen, dat het de kom of kern der gemeente uitmaakt, dit ook de reden is, waarom men hier minder plaatselyke eigenheden aantreft, dan wel elders. Er is eigenlyk geen dorpsgeest, om het zoo maar eens uit te drukken, die van het eene geslacht tot het andere over gaat, daar het ontbreekt aan een algemeen vereenigingspunt, waar iets dergelyks op andere, grootere plaatsen, wordt onderhouden en aangekweekt.
Voor het overige woont ook hier gelyk gewisselyk overal het goede naast en onder het verkeerde. De vlytige leeft hier by den luiaard; de oppassende onder den verkwister; de zindelyke en slordige; de brave eerlyke en deugdzame man by den deugniet. Ja hier is, gelyk overal, ook het onkruid onder de tarwe.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Voor eerst zy hier nog aangemerkt dat in de nabyheid van de Euvelgunne de plaats is, waar het slot van het geslacht der beroemde Groenenbergers heeft gestaan; doch waarvan de geschiedenis algemeen bekend is. -
Eindelyk verdient het nog opgemerkt te worden, dat men aan de Westzyde van den Middelberter weg, op eenen zeer korten afstand van denzelven, in verscheidene landen hoogten ontdekt, die allen duidelyke merkteekenen dragen, dat er vroeger huizen op gestaan hebben. Men heeft thans by het vergraven van dezelve nog putten daarin gevonden, die zelfs met turf waren opgezet: ook heeft men er wel balken uitgehaald.
Het is dus hoogstwaarschynlyk dat er voorheen by langs den Middelberter weg meer huizen gestaan hebben dan er zich thans bevinden. -
Voor het overige weet ik geen belangryke byzonderheden meer te herinneren.
Dat de voor zynen tyd, zeer bekwame Klaas Styl hier te Middelbert eenen geruimen tyd schoolonderwyzer is geweest, zal wel bekend zyn.

(get) R.H. Bruininga.