Zoek op de website

Midwolde

Gemeente de Leek

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Midwolde (Westerkwartier).

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Onder Midwolde behooren geene andere buurtschappen dan de Traan, liggende een kwartier uurs ten noordoosten der kerk, welke in eene Hooge en Lage Traan onderscheiden wordt.
De naamsoorsprong van Midwolde zal, waarschynlyk van de ligging midden in het wold of woud afgeleid zyn, terwyl van het storten der tranen door de Roomschgezinden, ter vergeving hunner zonden, in het voormalig klooster, dat hier bestaan heeft, de Traan zynen naam zou bekomen hebben.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Er is geen duf- of duifsteen aan deze kerk. Op dezen misschien zwaarsten torenklok onzer Provincie vindt men het volgende opschrift

GeorgWilhelm
ende
Anna van Ewsum
Graef ende Graevinne van
Inhuisen ende Kniphuisen
Heer ende vrouw van Nienoort
ende des Landes Vredewoldt
hebben deze klocke geborsten
door het luiden over de doot
van
Wilhelm III, Koning van
Groot-Brittanniën
Anno
MDCCIV
--
Mamees Fremy me fecit.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Men vindt hier:
1° Eene afwatering, by haren oorsprong de Matsloot en op eenigen afstand van Enumatil het Ouwendiepje genaamd, zynde tot aan de veenen van de Traan bevaarbaar, loopende van het Westen naar het Oosten, en uitwaterende in het Trek- of Hoendiep, een weinig ten Zuiden van Enumatil.
2° Eene afwatering, voor een gedeelte de Molensloot genaamd, komende van Tolbert, loopende als de bovengenoemde en uitwaterende in het Leekster diep, na by het meer; en
3° Het zoogenoemde Leeksterdiep, oudtyds de Lek genaamd, zynde de Zuidoostelyke grensscheiding van Midwolde, loopende van het Zuiwesten naar het noordoosten in het Leekster meer.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Een kwartier uurs ten Oosten de kerk ligt het Leekstermeer.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

Midwolde bestaat grootendeels uit eene zandige hoogte, welke te Lettelbert begint, en van daar, over Midwolde, Tolbert, enz. naar Vriesland loopt, als men hier van de lage Hooilanden uitzondert. De zand-bouwlanden waren den 29 December 1827 nagenoeg 2.19 ellen boven het water verheven, doch daar hetzelve nu zeer laag is, zal de gemidd. hoogte ruim 3 ellen bedragen; de grootste lengte en breedte dezer zandrug is byna een half uur gaans.
Behalve de dyk van 1 Ned. el hoogte, om de lage Hooilanden, waardoor dezelve met watermolens wordt bovengehouden, en eene hoogte op de Traan, (zie de merkwaardigheden en oudheden) vindt men in het noorden van Midwolde eenen ouden zeedyk, welke van het Oosten naar het Westen loopt, bekend onder den naam van Dykstreek.

7. Welke bosschen zijn daar?

Men vindt hier, behalve eenig elzen hout op de Traan en op de zandlanden, die geheel met bosch omringd zyn, de bosschen van den HoogWelGeboren Heer van Nienoord, bestaande grootendeels uit elzen en barken kaphout en eiken stamboomen, welke te zamen eene oppervlakte van omtrent 20 bunders uitmaken, alle gelegen by en om den Huize Nienoord.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen zyn:
a. Uit het Ryk der Planten op de hooge landen veel boekweit en Rogge, weinig haver, voorts aardappelen, vlas en hennip tot eigen gebruik; hout, vele tuinvruchten, als: erwten, boonen, appels, peren, pruimen, enz. Op de lage landen veel haver, weinig raapzaad enz.
b. Uit het Ryk der Dieren: matige runderen en schapen, goede paarden, veel varkens, wild in menigte, als: hazen, patryzen, vossen, bunzings, Otters, voorts hoenders, duiven, snoek, baars, aal, enz.
c. Uit het Ryk der Delfstoffen: baggerturf, voornamelyk op de Traan, zand, keisteenen van 1000 en meer ponden; in het noorden klei; in de lage hooilanden klien, (veengrond) darg- of brongrond, enz.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De landbouwgronden zyn, door behoorlyke bemesting vruchtbaar, doch de weidelanden zeer schraal; doordien deze zelden of nooit bemest worden. Door het branden van den bovengrond der lage landen, worden dezelve tot verbouwing van haver en raapzaad zeer geschikt gemaakt. – De hooge grond bestaat ten eerste uit 6 plm. grys of vruchtbaar zand, terwyl de lage landen 1° uit 4 plm. bruine aarde, 2° uit 8 a 9 palmen darg of brongrond en 3° uit gryszand bestaan; – ook vindt men op sommige plaatsen klien- of veengrond, alsmede boomstammen, welke alle met de kruinen naar het Zuid-oosten liggen.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Er is slechts ééne wevery, ééne bakkery en een roggemolen. Voorts zyn er 2 a 3 kleedermakers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De lucht is zeer gezond. Aanstekende ziekten of erge koortsen heerschen hier zelden, zoo dezelve niet van elders worden overgebragt.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Te Midwolde is eene kerk en ééne school, maar geen Lees- of zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De meeste inwoners vinden hun bestaan in den landbouw en de veefokkery, terwyl de overigen als daglooners hun brood verdienen.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Men spreekt hier den platduitschen tongval, waarvan sommige woorden door geene Nederduitsche klanken kunnen gevormd worden. Ter opheldering volgt hier eene zamenspraak van twee landbouwers, alsmede eene lyst van vele vreemde en hier in gebruik zynde woorden.

Zamenspraak tusschen 2 landbouwers te Midwolde.
(A komt in huis van B. en groet de aanwezigen)
A. Dag met enkander; hoe steit ’t levent? ben je nog zond?
B. Nog good, hoe geit ’t joe?
A. Ik bin nou weer wat beter in odder, maar verleden week hak zukken
pien ien ne kop, ien ne koezen en over de heele hoed hen, dak omtrint neet gaan of staan kon. Het dut mi nei (het verwondert my) dat ’t weer zoo gauw betert is. Ik had es na joe naber west, die het mi lest zeid, datter nog en luk inter rooltje veur mi te koop ha.
B. Nou, hou is ’t worden, hei je ’t ouk koft?
A. Nee, wi konnen neet akkerdeeren: hy wol zeuvendartig gullen
hebben en ‘k heb om dartig ennen diktun boden.
B. Mi ducht, dan ha j’om aldeeg genog boden, ik wol ’t er ten minsken lang neet veur geven.
A. Dat ducht mi ouk, – maar ’t wordt mien tied, ik moot vot; want wi zollen damet nog twee voor brand (turf) van Leppert (Lettelbert) halen, en de weg is daar gunters, joe huus en endje verbie zoo lelk, dat ’t er an ne toeten tou deur gait. – Nou ik zeg joe gooÿen dag met enkander!
B. Dag A...! ouk zoo, en ne grotenis an joe volk.
A. ‘k zal ’t vrymaken.

Lyst van eenige vreemde en hier veel in gebruik zynde woorden.

Apsluut - (fransch absolut) volstrekt   Lep - Spade
Ark - daglooners gereedschap   Lukstet - gy liegt het
Baantje - Kamizool   Luk - klein
Bakken - beschuit   Mal - boos, ook niet mooi
Bansderdeur - Schuurdeur   Meert - bunzing
Beeren - geschreeuwmaken   Meid - maagd
Bek - wordt altijd voor mond gebruikt   Mem - moeder
Beppe - Grootmoeder   Messels - mazelen
Bes - Grootvader   Moffen - wollen handschoenen
Beten - met vrede   Mot - wyfjes varken
Beun - zolder   Muike - moei
Bigge - speenvarken   Neiskers-neis - zoo even
Bil - dy   Ost - haast, byna
Binnen - werkw: zyn   Oust - kwast in het hout
Bleu - bloode   Part - gedeelte
Boeskool - kool   Pens - lyf
Boezeroen - wyd kaizool of kiel   Piek - kuiken
Boksen - Broek   Piezelen - te gast gaan
Bonken - Beenderen   Poesten - blazen, schielyk ademhalen
Boog - vel papier   Poester - blaasbalg
Bossem - schoorsteenmantel   Pokkel - ligchaam van een dier
Breugman - bruidegom   Pong - (uitgespr: als fr. long)
Brommel - Braambezie   Pottje - klein kind
Bruggen - Boterham   Proesten - niezen
Buis - Vrouwen Jak   Puÿel - zakje
Bult - Veel   Rakeldobbe - aschgat onder den haard
Buul - geldbeurs ook Kerkzakje   Reeren - schreÿen
Dag - goedendag   Roodhond - roodvonk
Danet - terstond   Sattert - ruim
Deel - vloer   Schaffen - eten
Deyels - oneenig   Schenk - ham
Del - omlaag, naar beneden   Scheuveljagen - schaatsryden
Diggels - gebroken aardewerk   Schoet - vrouwen-schort
Dobbe - gegravene kom   Schreur - kleedermaker
Doe - Gy   Slecht - heeft 3 beteekenissen.
Doen - Dronken       1° krankzinnig
Dong - (uitgespr. als fr. long) niets       2° effen en
Eibert - Ooÿevaar       3° het tegen overgestelde van goed.
Eide - Egge   Stoffen - muilen
Eis of es - eens   Snaarske - broedersvrouw
Gagel - tandvleesch   Snik - veer- of trekschuit
Garde - stokje, teentje   Speyen - Spuwen
Gounen - eenigen   Stakkert - ellendige, onnoozele
Gel - niet dragtig   Stevels - laarzen
Gol - hooivork   Stoet - wittebrood
Greep - mestvork   Stumper - zie stakkert
Gust - niet dragtig   Telder - Schotel
Hak - hiel   Teuten - praten
Hals - wordt altyd voor keel gebruikt   Tit - borst eener vrouw
Harkens - vel papier   Toonen - teenen
Harren - uitstaan, verdragen   Touke - eenjarig schaap
Heit - Vader   Treemen - sporten
Hom - wordt altyd voor zich gebruikt   Tuttel - familienaam
Hoet - ligchaam   Tuut - kus
Homstuk - sneede brood   Twinter - tweejarig paard
Hozen - kousen   Uuttikst - begrafenis
Hulder - hommel (by)   Varen - ryden op den wagen
Iel - eelt   Vent - jongman, ook knecht
Inter - eenjarig paard of koe   Vlinder - kapel
Jaar - uÿer   Vlint - (wendisch vlint) keisteen
Jamk - byna   Vrenzen - hinnikken
Jins - gylieden   Vring - hek op eenen dam
Kekelen - praten, babbelen   Waart - Wrat
Kel - verschrikt   Wammes - Kamizool
Kop - hoofd   Wasschop - Bruiloft
Krekt - (fr. correct)   Wies - Verwaand, trotsch
Kuÿeren - wandelen   Zigt - zaad-sens
Lakkerig - drop   Zigten - Zaad-maaÿen
Lelk - boos, kwaad   Zoepen - Z.n. Karnemelk, werkw. drinken
        Zwa - seis, om gras te maayen.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners zyn, over het algemeen, gastvry, gul, eerlyk en opregt, nedrig en eenvoudig doch styfhoofdig en geldgierig, niet zeer beschaafd en onkundig, zeer gehecht aan het oude, zoo in de Godsdienst, in kleederen, als anderszins.
Behalve twee huisgezinnen die de Roomsche godsdienst belyden, zyn alle ingezetenen Hervormden.
Het lezen, schryven en rekenen is hier zeer achter uit, zoo dat vele bejaarde lieden slechts hunnen naam, weinige matig en eenige geen letter kunnen schryven. – De meeste inwoners kunnen gebrekkig lezen, en hierin wordt meest van oude godsdienstige boeken, als: een bloemhofje, een gebede boekje, een boek van Brakel enz. gebruik gemaakt.
De algemeene tyd van opstaan is, des zomers te 4 en des winters te 6 uren, van ontbyten te 8, (zynde er dan reeds koffy gedronken) van middageten te 12, van avondeten des zomers te 7½ en des winters te 6, en de tyd van naar bed gaan is gewoonlyk te 9 uren.
De openbare verkoopingen van vee; gereedschappen, enz. op boereplaatsen, geeft den jongen lieden van beide kunne gelegenheid om zich te kunnen vermaken. Deze gezelschappen houden onder het zingen van onstichtelyke liedjes en het drinken van brandewyn, dikwyls tot den morgen aan.
De inwoners bezoeken elkander op driederlei wyze::
1° Komen gemeenlyk om 10 a 11 uren de gasten by den gastvriend aan en dan wordt er terstond koffy gedronken. Om 1 uur wordt het middag eten op tafel gebragt, hetwelk doorgaans bestaat uit eene ongerezene meelpuil (zak, of ketelkoek) van boekweitenmeel toebereid, uit aardappelen met spek of ham en vleesch en eindelyk uit de zoo zeer beminde bry. Na een paar malen koffy gedronken en gegeten te hebben, gaan de gasten om 11 a 12 uren naar huis.
2° bezoeken de buren elkander, dikwyls in de lange winteravonden op een kopje koffy of chocolade en een pyp tabak van 8 tot 12 uren.
3° bezoeken de meisjes elkander van des middags 11 tot 12 of 1 uur in den nacht, welke als boven onder 1° onthaald worden, terwyl het gezelschap te 6 of 7 uren doorgaans vermeerderd wordt door eenige jongelingen, welke den avond met hen onder het drinken van koffy, brandewyn enz. doorbrengen. Dit laatste wordt hier eene piezeldery genoemd.
Hier wordt eene eenvoudige Tafel gehouden: de daglooners eten meest driemaal des daags aardappelen, en, zoo hen die ontbreken, roggebrood; doch wanneer zy zwaar moeten werken, als baggeren, maaÿen enz. zyn pannekoeken met spek, gebakken van boekweitenmeel, de gewone kost. – De meer gegoede landbouwers eten ook veel brood en aardappelen, doch deze spyzen worden meer door meel, gort, erwten, boonen, bry enz. afgewisseld. Eén os, één stier of eene kleine jonge, doch niet zeer vette koe met 1, 2 à 3 goed gemeste varkens maken doorgaans de voorraad in spek en vleesch, voor eenen landbouwer, gedurende een geheel jaar uit, terwyl hierin de behoefte des daglooners door een klein varken vervuld wordt.
De ingezetenen zyn groote liefhebbers van koffy, zoodat dezelve 4 a 5 maal des daags door hen gedronken wordt, de thee daarentegen wordt zeer weinig gebruikt.
By trouwen en bruiloftsplegtigheden heeft het volgende plaats, de jonge lieden tooÿen zich, in het huis van één der ouders, op zijn fraaist, doch ongekunsteld op, en gaan aldus, vergezeld van de naaste bloedverwanten en vrienden, naar het Gemeentehuis, alwaar de echtvereniging geschiedt. (Eene kerkelyke inzegening heft hier zelden of nooit plaats.) Na deze plegtigheid begeeft men zich in eene vrye kamer van het Gemeente huis, alwaar de aanwezig zynde manspersonen eene fraai met papier bekrulde kalken tabakspyp en de vrouwen een aardig bewerkt bloempje, het welk voor de borst wordt gestoken, wordt vereerd, welke kleinodiën mede naar huis genomen en als stukken van hooge waarde in het kabinet of aan den wand of zolder bewaard worden. Na zich aldaar eenen geruimen tijd vermaakt en een goed glas wyn of brandewyn gedronken en een pyp tabak gerookt te hebben, gaat men naar huis terug, alwaar de bruiloftsgasten op eenen maaltyd, meest uit witte brood en vleesch bestaande, en vervolgens op wyn of brandewyn onthaald worden, waarna op eene eenvoudige wyze gedanst en gezongen wordt.
Al deze vermakelykheden eindigen met het naar bed brengen van de nieuwsgetrouwden, wanneer ieder zich te 2, 3 à 4 uur, doorgaan een weinig beschonken, naar huis begeeft.
Wanneer iemand zal begraven worden komen de bloedverwanten, vrienden en naburen tegen 12 uren aan het sterfhuis.
Dan wordt gewoonlyk het lyk door de naburen aan de aanwezigen vertoond, vervolgens naar het Kerkhof gevoerd (gevolgd wordende door de familie enz. van welke de vrouwen, een zwart kleed, dat hen op het aangezigt na, geheel bedekt, hebben omgeslagen), waarna hetzelve op eene baar geplaatst, onder het luiden der klok om het kerkhof gedragen en ter aarde besteld wordt. Na, aan de armen eene liefde gift geschonken te hebben, keert men naar het sterfhuis terug, alwaar witte brood gegeten en bier gedronken wordt, terwyl men om 3 uren naar huis terugkeert.
De algemeene rouw over kinderen ouders, broeders of zusters duurt 1 jaar, voer eenen Oom of eene Moei een half en over eenen Neef of eene Nicht 6 weken.
Op nieuwjaarsdag gaan vele kinderen, vooral uit den geringen stand, bylangs de huizen, de inwoners een gelukkig nieuw jaar wenschende, waarna hen, als bedelende, een paar olie- of nieuwjaars koeken gegeven wordt, terwyl de buren dan elkander op een kopje koffy een bezoek geven. Deze gewoonte, alsmede om op Paschen witte brood en eyeren en op Kerstyd witte brood te eten, is hier sedert onheugelyke tyden in gebruik geweest.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Nagenoeg een kwartier uurs ten Zuiden der kerk ligt het vermaarde huis de Nienoord hetwelk gesticht is door het beroemde geslacht van Ewsum, den oudtyds van den Oert genaamd werd en van waar dit huis, volgens het algemeen gevoelen, den naam ontving van het Nye, of Nieuwe Oert of oord. (Dit geslacht legde in het midden der 16de eeuw de Zevenhuister turfgraveryen aan en dit deed de Leek ontstaan. Ten opzigt van de naamsverandering van het geslacht van dien naam, dient te worden opgemerkt, dat na de stichting van den Huize Ewsum, te Middelstum, door den Hoveling Ewe van den Oert, nadat diens slot de Oert (in eenen oorspronkelyken Vidimus brief van 1474, eene Keizerlyke Borg genaamd) door de Groningers verwoest was, hetzelve toen den naam van Ewsum droeg, zoo veel beteekenende als Ewessum: ik ben het eigendom van Ewe; zoodat van dien tyd af de Heeren van den Oert bekend werden als Heeren van Ewsum.
Dit slot is geheel uit het water opgetrokken, pronkende met eene fraaye marmeren poort, in 1708 door den Beeldhouwer Bielefeld vervaardigd, waarop men het volgende opschrift leest

“Dominus
“Providebit
“Georgii Wilhelmi et Anna ab Ewsum
“S.R.T. Comitum ab Inh: und Kniphausen
“Domiinorum Ninortæ et territori
Vredewold.”

Op de vleugels ziet men twee Grieken Democritus lagchende en Heraclitus weenende alsmede Furor en Mansuctude afgebeeld.
Ten opzigte van het Huis Benkema, waarvan men in de geschiedenis vindt gewag gemaakt, mag men zeker vaststellen, dat dit dezelfde Burgt is geweest, welke naderhand onder den naam van Carelsveld is bekend geworden. Dit kasteel is voor eenige jaren, onder het bezit van den HoogWelGeboren Heer J.C.F. Baron van Inh: und Kniphausen, door eene onbekende oorzaak in brand geraakt en tot den grond toe in de asch gelegd.
Byna alle inwoners geloven aan heksen spoken en dergelyke bygelovigheden, byvoorbeeld:
1° Wanneer eene koe, een paard of eenig ander dier eene byzondere ziekte krygt, of plotseling sterft, wordt zulk een schepsel voor betooverd gehouden; zelfs gelooven dit vele ouders van kinderen, die er sukkelachtig en kwynend uitzien, terwyl zy door de kransen, welke de toverheksen gemaakt hebben, gelyk zy zeggen, doch die niets anders zyn, dan gewaste draden, waarin de vederen zich samenpakken, en in de bedden en kussens, waarop de lyders slapen, gevonden worden, nog te meer in hun dom bygeloof gesterkt worden.
2° Gelooven de meeste inwoners, dat sommige menschen, na hunnen dood, om by hun leven gedane en niet volbragte beloften, niet kunnen rusten en dat zy dan, in de gedaante van geesten, op zekere uren van den nacht, op kerkhoven, by burgten enz. als dolende rondzwerven.
3° Wanneer het op St. Margaretha’s dag regent dat het dan 5 weken achter elkanderen regenen zal, terwyl het tegen overgestelde eene droogte van dienzelfden tyd aankondigt.
4° Wanneer het op St. Martini nacht vriest, men dan eenen vorst van 40 dagen te wachten heeft.
5° Wordt hier algemeen aan de zoogenoemde Nachtmerrie geloof geslagen.
6° Geloven vele inwoners, dat de rogge per mudde, zoo vele guldens in het aanstaande jaar zal kosten, als de kwartel, tegen den oogsttyd, malen slaat.

Men zingt hier, behalve eenige zoogenoemde straatdeuntjes, een zeer oud en bekend lied, onder de benaming van Ho, Ho, Pierlalo, hetwelk op bruiloften onder het dansen eener Ronde gezongen wordt, bestaande hetzelve uit tweeregelige verzen, met herhaling telkens van ho, ho, Pierlalo en ho zie zo.
Tot de voornaamste oudheden en merkwaardigheden van Midwolde behoort in de eerste plaats.
Een wyd beroemd praalgraf, gesticht in het jaar 1669, door Anna van Ewsum, ter eere van hare beide Echtgenooten. Carel Hieronimus Baron en Georg Wilhelm, Graaf Inh: und Kniphausen . –
Deze tombe is vervaardigd door den beeldhouwer Rombout Verhulst, te ’s Gravenhage, voor eene somma van 7,500 guld. buiten en behalve het beeld van den Graaf, dat door eenen B. Eggers is vervaardigd.
Boven de tombe ziet men de navolgende inscriptie in eenen zwarten steen gebeiteld:

Via lethi
Via Vitae
Perenni memoria
Viri sanguine et prosapia illustrissimi
D. Caroli Hïeronymi
S.R.J. Liberi Baronis Inhausae et Kniphausae
Domini Ninoortae, territorii Vredewoldae,
et Uplewertae
Inter illustres et P.P. Gron. et Oml. ordines post
alia publica
Munera vite administrata in Celfiss. ord. Gen. Foed.
Belgica Potentiss. consessu Assessoris orinarii
Adeoque illustrissimo Kniphausano sanguini
Innatae quasi prudentiae, ac virtutis gloria
In paie et bello, veri cohaeredis,
Conjugis sui dum fata fiverunt, charissimi, postquam
explevissit
Mortalis hujus vitae annos XXXI, mensis IX, conjugii
sectum annos VII mensis II,
Hagae comitum inter gravissimos Proceres Reip pridie
Kal. Aug. MDCLXIV
Praematura quidem et acerba morte, pia tamen, quia
in Domini fide,
Ad fedes aetermas traducti,
Hoc monumentum posuit, dicavit, consecravit
Anna ab Ewsum, ejus vidua,
Nobilissimi etantiquissimi generis splendore orcellentissimae.
In toga et sago, etiam difficillimis temporitus
De patria semper bene meritae familiae Ewsumanae
genuina soboles
Nie-oortae ac territorii Vredewoldae unica haeres,
Cumantem ipsa postmodum, illibao adhuc actatis
Fruens flore, ex occulta propensione in splendidissimam
Kniphausiorum gentum, per secunda vota mipsisset
Illusstrissimo viro, prioris sui mariti cognato,
Georgii Wilhelmo, S.R.I. libero Comiti
Inhausae Kniphausae, Elternae, territorii Vogelsanck
Et oppidi Bastenach, domini Nie-oortae,
Territorii Vredewoldae et Uplewertae ;
Memores ambo, in concordi et indivisa societale
Vitae Suut, mortalitatis, hic itidem suis, suorumque
Exuviis inspem gloriosae resurrectiones,
Per unicum sospitatorem Christum
Conditorium Solemne
Ducreverunt ac destinarunt
Anno MDCLXVIIII

2° Hier is onder het koor der kerk, eenen grafkelder, aan de Nienoord toebehoorende, bestaande uit twee gewelfvormige gangen, door eenen muur van elkander gescheiden, lang byna 8, breed iedere gang 2.5 en hoog 2 Ned. ellen.
In de Zuider kelder bevinden zich 8 koperen kistjes, ieder van byna 1 Ned. el lengte en plm 5 breedte, die alle beenderen bevatten van menschen, welke voor de stichting dezer kelder overleden zyn, en toen waarschynlyk van elders hierin zyn overgebragt. – Op ieder derzelve staat een opschrift, als:
ÆXUVIÆ
Philippi Wilhelmi S.R.I. Lib. Baronis v. Inh: und Kniphausen, eltern et Vogelsanck.praefic hereditary oppidi Bastenaci eius quf coniuces Macdalenae natae comitissae nassoviae sigensis pictatis erga parentibus ducta Brema hic transferri Curav. Georg Wilhelm Comes ab Inh. und Kniphausen, (Op eene naar zilver gelykende plaat gegraveerd.)
=====
Wilhelm Fryheer van Inh. en Kniphausen. Obyt den 25 Juny 1654. Hema Margaretha Frÿlin van In- en Kniphausen, den 13 Juny 1665.
=====
Wilhelm van Ewsum, Heer van Nyenoorth, ende des landes Vredewoldt. Obyt 7 Mei 1643.
=====
Caspar van Ewsum, Heer van Nyenoorth, Vredewold, Noordwyck, Dressart van Coevorden ende des Landschaps Drenthe, Colonel, obyt 1639, op Hemelvaartsdagh.
=====
Sibilia van Ewsum, Dochter van Nienoordt ende des landes Vredewoldt, Obyt 1636.
=====
Elizabeth ... obyt 29 Sept. 1645
=====
De opschriften der 2 andere kistjes zyn niet, dan met moeite, leesbaar. – Behalve deze 8 vindt men in den Zuider kelder nog 3 houten en een looden kist.
In den Noorder kelder zyn 4 houten en 3 koperen kisten, waaronder ééne van eene buitengewone grootte, van geel koper waarop men deze woorden leest: “Dominus Providebit”, alsmede “Hy zal ingaan in vrede, zy zullen rusten op hare slaap steden, een iegelyk, die in zyn opregtigheid gewandeld heeft. Jez: LVII vers II.” Zy houdt in zich het gebeente van eenen Carel Hieronimus, die in de kerk, op zyn doodbed, wordt voorgesteld.
3° De fraai bewerkte Predikstoel, met kunstig beeldwerk versierd, vervaardigd door den Bouwmeester A. Meyer in het jaar 1709 voor eens somma van 650 gulden.
4° Is merkwaardig het voormalig klooster op de Traan waarvan nog de buitengewoon dikke muren en de byzondere bouworde der beide boeren behuizingen getuigen. Op één der schoorsteenmantels – geheel van marmer, zyn twee oude wapens, alsmede het jaargetal 1570 uitgehouwen.

Aanmerking van den Heer N.Westendorp.

Deze wapens dienden afgeteeekend en
gekend te worden, om daardoor meer op
het spoor te komen.

5° Ruim 10 Nederl. roeden ten noordwesten van de Westelykste plaats, ziet met eene opgeworpene hoogte, ruim 2 N. ellen boven het land verheven en in gedaante en grootte aan eene Drentsche Tumuli gelyk zynde.
6° In het Veen of in de Klien, byna 100 Nederl. roeden van de bovengenoemde plaats, heeft men, van tyd tot tyd, op verschillende plaatsen, vele urnen, van onderscheidene gedaante en grootte, opgedolven, met eene zekere geele of zwarte stof gevuld, en wel zoodanig naast elkander geplaatst, dat eene groote door vele kleinere omringd was.
De oudheidkundige Westendorp heeft, voor eenige jaren, nopens deze oudheden, eenige berigten ingewonnen, en zal hier van, waarschynlyk, in zyne werken, gewag gemaakt hebben.
7° De Familiezaal op den Huize Nienoord, waarin men de bewoners en bewoneressen van dit Huis in levensgrootte ziet afgebeeld en waarby men Latynsche en Nederduitsche opschriften leest.
Men telt uit het geslacht der Ewsums verscheidene vermaarde mannen, welke zoo wel in eenen Staatkundigen loopbaan, als in den krygsdienst hebben uitgemunt en op de Nienoord gewoond hebben, als:
Wigbolt van Ewsum, Heer van Nienoord, welke zich ten tyde der Spaansche overheersching, in den oorlog, eenen onsterfelyken naam heeft verworven.
Voorts Caspar van Ewsum, Heer van Nienoord, welke gedurende een tydvak van 40 jaren, Drossard van Koevorden is geweest en zich tevens in den krygsdienst heeft beroemd gemaakt; want in eene Geschiedenis van het Graafschap Benthem, wordt onder anderen, het volgende gelezen. “Anno 1626, in Julio, heeft zyn Gn. Graaf Ernst Casemir den Heere Caspar van Ewsum, Heer van Nienoorth, Drost tot Covorden, in der Landtschap Drenthe, Overste, met een partye volks en geschut gezonden naar het Huys te Laghe, gelegen in de Graefschap Benthem, waarop Spaens Garnisoen lagh, onder ’t Commando van den Heere van Keteler; en waaruit seer groote en gedurige excursiën geschieden, in de naburige Nederl. Provincien; Welck Huys dan den Heere van Nyenoorth heeft ingenomen, en, met eenige tonnen Buskruydt, gelegdt in de kelders, laten in de lucht vliegen.” Hy was gehuwd met eene Dochter van den Geleerden Johan van der Does, Heer van Noordwyk, ook onder den Latynschen naam van Janus Dousa Nordovix bekend.
Wyders Wilhelm van Ewsum, Heer van Nienoord, welke in den bloei zyner jaren overleed. Hy liet eene dochter na met name Anna van Ewsum, welke in haar eerste huwelyk getrouwd was met Carel Hieronimus Baron van Inhausen und Kniphausen, wiens ambtsbetrekkingen men kortelyk vindt aangeteekend in de inscriptie boven de Graftombe, en in haar tweede huwelyk met Georg Wilhelm Graaf von Inhausen und Kniphausen Heer van Nienoord, Vredewold en Uplewert. Hy was in 1694 tot den Gravenstand verheven, ingevolge Diploma van Keizer Leopold, welke thans nog op het Huis de Nienoord berustende is, en waaruit men zyne gewigtige en eervolle betrekkingen, als Staats- en Krygsman kan zien, alsmede uit een werk, handelende over de overwinning der Moluksche eilanden, door de Hollanders, Spanjaarden en Portugezen, gedrukt te Amsterdam by J. Des Bordes in 1706, opgedragen aan dezen Georg Wilhelm. Van zyne schriften zyn er geene andere bekend dan zyne Entretiens solitaires d’une ame devôte avec son Dieu etc. opgedragen aan Koning Willem III en Hoogst deszelfs Gemalin Maria, gedrukt te Amsterdam in het jaar 1694. Hiervan bestaat ook eene Nederduitsche vertaling, door M. Schagen, gedrukt te Amsterdam, by J. Entrup. – Hy overleed den 5 September, één zoon nalatende.

Aldus naar myne beste kennis en wetenschap
opgemaakt, te Midwolde in het laatst der maand
September van het jaar 1828.

(get) G.D. Scholma.

De Heer Westendorp heeft, in plaats van Georg Wilhelm, den naam van Graaf Carel Hieronimus geschreven, dit is abusief; want laatstgenoemde was geen graaf.
Georg Wilhelm was wel niet in deze Provincie geboren, doch daar Vondel, Rubbens, Schuurmans, enz. voor Nederlanders doorgaan en toch niet in Nederland geboren zyn, zou dan bovengenoemde Graaf met regt ook geen Groninger kunnen genoemd worden, daar hy den meesten tyd van zyn leven in deze Provincie gewoond heeft? – en het is om deze reden, dat ook de vragen a, b, c, d, en e zyn beantwoord geworden, daar echter een ontkennend antwoord op de 3de vraag de Natuurlyke wegvalling van de evengenoemde vragen moest ten gevolge hebben.
Sedert de inlevering myner antwoorden enz. zyn my nog eenige merkwaardige byzonderheden van Midwolde te binnen gekomen, welke misschien nog van dienst kunnen zyn, als:
1° Is er op den Huize Nienoord eene Familiezaal aanwezig, waarin men de oude bewoners en bewoneressen van dit Huis, in levensgrootte ziet afgebeeld en waarby men fraaÿe Latynsche en Nederduitsche opschriften leest.
2° Een zoogenaamde Grot, in den tuin van de Nienoord, zynde merkwaardig in de Natuurlyke geschiedenis. Het is een gebouw van omtrent 6 ellen hoog en 4 ellen in het vierkant, wier wanden met duizenden van schelpen van onderscheidene gedaante, grootte en kleur zyn ingelegd, verbeeldende een aantal onderscheidene wapens, namen en zonderlinge figuren – Voor deze Grot f waren, voor eenige jaren springende fonteinen welke, lam geworden zynde, thans niet meer bestaan.
3° Dat de oude Gave van Oostwold (bekend in de tegenwoordige Staat van Stad en Lande en in Brucherus gedenkboek) haren oorsprong heeft by het voormalige Klooster op de Traan, te Midwolde, waarvan nog sporen overig zyn, en dat, volgens overlevering, deze Gave tot aan dit Klooster zou bevaarbaar geweest en met het Klooster van Aduard gemeenschap gehad hebben . –

(get) . G.D. Scholma.

1. Wigbold van Ewsum is geboren in het jaar 1521 en gestorven in 1584.
2. Casper van Ewsum is Hemelvaartsdag van het jaar 1639 overleden; doch zyne geboorte is my voor als nog onbekend.
3. Georg Wilhelm is niet in deze prov. geboren.
Hy was de zoon van Philip Wilhelm, Vryheer van Inh. und Kniphausen en van Anna Elisabeth, dochter van Georg – Graaf van Wurtna en Freudenthal uit Bohemen, weduwe van eenen Baron van Conawitz.
a. Hy schynt te Bremen geboren te zyn, alwaar zyn vader, na de heerlykheid Kniphausen verloren te hebben, zich destyds ophield.
b. In het jaar 1635. –
c. Leopoldus etc. – Generoso sincerè Nobis dilecto Georgio Wilhelmo libero Baroni ab Inhausen et Kniphausen, Eltern, et Dominij Vogelsang, hareditario Civitatis Bastenaci Prafecto, Nobili Domino in Nienort et Vredewolde, Generalium Foederati Belgii Ordinum eximio Status Consiliario, nec non Ordinis equestris in Frisia Orientali Prasidi, gratiam Nrâm Casaream et omne bonum. –
“Suemadmodum â sole reliqua sidera lumen et inferiora hac corpora, vires et incrementum sentiunt, Sic ab Imperatoria dignitate dignitatum maxima in reliquos hominum ordines et Status honorum ornamenta promanant – Benignè nunc contemplati sumis illustres et pervetustas Familias cum Georgij Wilhelmi liberi Baronis ab In- et Kniphausen, tum ejusdem Uxoris, Anna ab Ewsum; et considerantes, uod ista Familia, interpracipuas Frisia Orientalis Semper recensita illustrioribusq matrimoniorum foederibus et conjunctionibus Sacri Romani Imperij Principum ac Comitum, quos inter Nassovÿ et Frisia’ Orientalis Principes, tum Comites ab Erpach, Solmis, Moeurs, Leiningen, Öttingen, Manderscheid, Kulenberg et alij numerantur, feliciter innexa multos viros fortes ac strenuos, et Sago et togâ claros produxerit, qui virtutis Suæ merito diversarumque scientiarum et linguarum cognitione, rerumque quæ generosas mentes maximè decent, usu sibi comparato ad primarias cum in patriâ tum foederato Belgio functiones, officia et dignitates provecti ac Dynastiæ ab In- et Kniphausen nobis sacroque Romano Imperio immediatè subjectæ (possessores): de cætero Aetiam testantibus historijs exercitio fœderum pacis et belli olim celebres: / de Nobis et Divis Prædecessoribus Nostris Romanorum Imperatoribus ac Regibus sacroque Imperio et Augustâ Domo Nostrâ, nec non de Patria totaque adeò Republicâ Christianâ, quaḿ optimè promereri studuerunt: quorum quidem resgestæ et insignia merita, sicunt palaḿ sunt passimque cognita, ita et propior memoria subit tam Avi ipsius Iconis à Kniphausen, quaḿ prædictæ uxoris Atavi, Hiddonis ab Augustissimis olim Romanorum Imperatoribus ac Regibus, Prædecessoribus Sacri Imperij liberorum Baronum dignitate auctus eandem summâ cum laude semper sustinuerunt: hic autem Hiddo videlicet Trajecti in publico Aurei velleris Equitum Cœtu â Carolo Vto in eundum Ordinem adsceitus, ob præclare in dictos Prædecessores nostros, sacruḿque Imperium merita Dynastiâ Nienort et Dominio Vredewolde in Provincia Groningensi, et Omlandiâ Sitis donatus fuit.
Et cuḿ prætera compertum habeamus, dictum Georgium Wilhelmum liberum Baronem ab In- et Kniphausen laudatissimis eorum vestigijs â primis ætatis suæ temporibus generoso animi ductu insistendo omnes conatus et actiones in eum velut scopum non tantuḿ sedulò diligenterque direxisse, ut â vetusta Marorum successione in se transfusum et continuatum decus domesticum, tam ab oblivionis interitu vindicare, quaḿ proprijs meritis atque virtutibus pulcherrimè adauctum et illustratum ad posteritatem suam propagare posset: Sed et indiversis occasionibus expeditionibusque bellicis in Germania susceptis, tum in munijs etiam alijsqué negotijs gravissimis et comissionibus pro officij sui, quo apud Generales Fæderati Belij Ordnies fungitur, ratione tractandis et peragendis adhibitum, patriæ que commoda et quas impræsentiarum communes cum eâdem habemus rationes, singulari prudentiâ dexteritatdexteritatéque ad plenarium superiorum suorum satisfactionem, curando insignem Semper nobis Sacraoque Imperio et Augustæ Domui Nostræ comprobâsse fidem et devotionem; néque dubitemus, quin in eodem, quo coepit, bené merendi studio constanter perseveraturus, nullamque imposterum occasionem neglecturusit, quae in Nostrum dictique Imperij ac Augustæ Domûs nostræ obsequium commodumque possit redundare. Æquum etiam ac munificentiâ Nostra Cæsareâ proprium dignumquè censuimus, prædictum Georgium Wilhelmum utpotè facultatibus Susinendæ marjori dignitati necessarijs abundanter instructum, et inter patres familas integræ ac illustris prosapiæ ab In- et Kniphausen principem locum obtinentem in benigni favoris Nostri ipsiusque meritorum hodié et olim apud posteros luculentum testimonium, altio ris dignitatis prærogativâ insignire. quo novâ honoris palmâ ornatus et animatus, non suos solum, sed et alios ad æmulationem opportunè accendere possit et valeat / Na dat eindelyk de Keizer vervolgens den te voeren titel, het geslachtswapen enz. bepaald heeft, zoo sluit Z.M. aldus. “Harum testimonio literarum manu Nostrâ subscriptarum et Bullæ nostræ aureæ typario munitarum, quæ dabantur in Civitate Nostrâ. Viennæ die nonâ mensis Martij anno Domini millesimo Sexcentesimo nonagesimo quarto Regnorum Nostrorum Romani trigesimo Sexto, Hungarici trigesiom nono, Bohemici verò trigesimo octavo.””

(get) Leopoldus
vt Amadeus Comes de Windyschrâtz
Ad mandatum Sacae Ca’sae
Majestatis proprium
(get) Lutzo Dolberg mana propria

D.A. Son Excellence
Monseigneur LeComte
De Kniphausen

Baron d’Autel du Pays de Vogelscanck et de la Ville Baronien, Seigneur de Nienoort et du Territoire de Vredewold, Deputé aux États Généraux des Provinces Unies, et President de la Noblesse en Oost-Frise.
Monseigneur,
La passion que j’ai de donner à votre Excellence des marques publiques de mon respect, ne me permet pas de laisser passer l’occasion qui s’en présente. Voici l’Histoire de la Conquête des Moluques, ses fameuses Isles Orientalis, qui seules au monde produisent l’excellente épicerie qu’on nomme Cloude Girofle.
La valeur et la prudence des Habitants des Provinces Unies les ont misis fous leur domination. Je prens la liberté, monseigneur, de vous offrir cette Histoire qui leur est si glorieuse, ceux qui ont précedé v. Ex et les autres seigneurs avec qui vous maniez aujourd’hui les affaires de l’État ont dirigé cette grande conquête, et vous travaillez maintenant à la conserver, en travaillant à la conservation de la République. Vous contribuets, Monseigneur, à la prospérité de ces Provinces par vos soins assidus dans les affaires politiques, et par une piété exemplaire, qui sans doute attire la bénédiction de Dieu sur elles. Il y a longtemps, Monseigneur, que j’admire en vous ces vertus, et quoi qu’elles soient généralement commes je me fais un honneur et un devoir de les publier encore ici, et de me dire avec un parfait attachement et un profond respect.

Monseigneur
De Votre Excellence
le très-obéissant et très-somis serviteur,

(get) Jaques Des Bordes

E. De titel van dit werk luidt aldus: “Entretiens solitaires d’une âme dévôte avec son Dieu, qu’elle necesse de cherches par ses méditations et par ses prières ardentes.”

A. Amsterdam. Imprimé aux dépens de l’Auteur, par Pierre Chayer, - M.DC.XCIV.
Dit werk is in 1693 op de Nienoord geschreven en opgedragen aan den Koning Willem III en Hoogst deszelfs Gemalin Maria.
Hetzelve is verdeeld op de navolgende wyze:
Première Partie.
Chap. I. Dans lequel in Fidèle peut apprendre à faire à Dieu une humble et sincère confession de la Misère et de la fragilité de sa nature.
II. Qui comprend un Acte d’humiliation extraordinaire du Chrétien devant son Dieu.
III. Où le Chrétien méditant l’ouvrage de son salut, ne s’attribue rein afin d’attribuer tout à la grâce et à la vertu de Dieu.
IV. Qui est une suite des Saintes méditations où le Fidèle s’abandonne pour célébrer la grâce de Dieu, qui dans l’ouvrage de son salut manifeste sa bonté et sa puissance infinie.
V. Où le Chrétien envisage encore de plus près ses deux Ennemis Capitaux, sa Chair, et le Diable, (qui sont toujours occupés à trouver quelque moyen de le perdre) afin de se fortifier contre leur assents.
VI. La voix d’une Ame abattue à la bue de tant d’ennemis, qui ont juré sa perte ; et qui dans une sainte méfiance d’elle-même, appelle Dieu à son secours.
VII. Où le Chrétien après avoir réfléchi meure ment sur sa corruption et sa fragilité naturelle, et sur les grands dangers auxquels l’exposent les assents continuels que lui livrent Satan et le Chair, cherche sa consolation dans la méditation de la bonté ineffable que Dieu a pour ses Enfants.
VIII. Où le Fidèle marque l’ ardeur avec laquelle il se retire sous l’ombre des ailes de son Dieu, pour s’entretenir dans sa douce Communion, et éviter par ce moyen les inusités de ses Ennemis.
IX. Où l’âme fidèle après avoir découvert la beauté de son Dieu, et les douceurs inexprimables qu’il y a à le posséder, marqué le désir ardent qu’elle a pour la jonessance de ce qu’elle regarder comme son seuls et son souverain bien.
X. Qui contient les saints transport d’une Ame fidèle, lors qu’après avoir savouré la douceur des biens de la grâce elle s’élève jusques dans le Ciel pour y goûter par avance ceux de la gloire.
XI. Qui contient une méditation sincère des marques que Dieu donne à ses Enfants de l’amour qu’il a pour eux, par les grands bienfaits qu’il leur communique.
XII. Où l’on voit l’amour réciproque et sincère qu’un Chrétien a pour Dieu, qui lui donne à tous moments des marques sensibles de son amour.
XIII. Où le Fidèle de tous les bienfaits dont Dieu le comble, prend occasion de méditer et de goûter la douceur de l’amour que son bien faiteur a pour lui, et de celui qu’il a pour son bien faiteur.
XIV. Où le Chrétien tout penitré des douceurs que la méditation de l’amour de Dieu excite dans son âme, déplore la misère d’une âme qui ne ressent pas cet amour, et qui ne cherche pas Jésus Christ qui en est la source.
XV. Méditation plus particulière de l’amour de Jésus Christ qui étreint le coeur de Fidèle, et l’oblige à ase donner de tout son coeur à celui qui s’est livré lui-même à la mort afin de le sauver.
XVI. Où le Fidèle pour renouveler de plus en plus dabs son âme le souvenir de l’amour infini de Jésus Christ, s’attache à méditer la commémoration que nous in faisons par la participation au Saint Sacrément de la Cent du Seigneur.
XVII. Où le Fidèle dans l’examen qu’il fait de lui-même pour communier dignement, demande à Dieu qu’il veuille caliner le trouble que la vue de ses péchés cause à son âme.
_____

Seconde partie.
Chap. I. Qui renferme une juste idée d’une humiliation sincère devant
Dieu, dans l’exemple d’un Fidèle, qui après avoir déploré la misère de l’homme pécheur, confesse humblement les propres pédiés, et s’accuse lui-même, pour relever la Miséricorde Divine.
II. Les cris et les larmes d’une Ame véritablement pénitente.
III. Qui contient le souverain remède qui seul est capable d’adouber les amertumes de la répentance du pécheur.
IV. Qui renferme une vive répresentation du désir dont un Chrétien, après avoir médité avec son ses misères, brûle pour posséder Jésus Christ qui seul l’en peut délivrer.
V. La grande diligence de l’Esponse a chercher à posséder son Bien aimé.
VI. Où le Chrétien tâche de découvrir autant qu’il peut la beauté et l’excellence de la vie à venir, et s’excite par ce moyen à la designer avec ardeur.
VII. Où le Chrétien après avoir médité avec attention le bonheur des Fidèles, dispose son âme à souffrir avec patience, et avec joie les calamités de la vie, en vice, de ce bonheur inestimable qui l’attend.
VIII. Où le Fidèle adresse son ardente Prière au Père de nôtre Seigneur Jésus Christ.
IX. Prière au Fils.
X. Prière au Saint Esprit.
XI. Prière aux Trois Personnes de la Très-Sainte et Très adorable Trinité tout ensemble.

Fin.

Van dit werk bestaat er ook eene Hollandsche vertaling van den j. 1747 door Marian Schagen en gedrukt te Amsterdam by den Boekverkooper F.J. Entrop.