Zoek op de website

Niebert

Gemeente Marum

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Niebert.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Dit dorp heeft geene gehuchten of buurtschappen welke byzondere namen dragen, en het ligt in eene uitgestrektheid van 1¼ uren gaans t.w. in eene Zuidwestelyke strekking, van het Oostelyker Tolbert tot aan het Westelyker gelegene Nuis ½ uur gaans, en in eene noordelyke strekking by langs eenen rydweg de boerenakker genaamd, welke de grensscheiding tusschen het Tolbert en het Niebert uitmaakt ¾ uren gaans. De naamsoorsprong schynt voort te komen van Buurt eene verzameling van woningen en dus nieuwe Buurt in onderscheiding van het Olde Buurt (Tolbert).

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

De Kerk in dit dorp is geheel zonder duifsteen en zonder eenige opschriften: op de torenklok leest men boven om den rand P. Overmey me fecit Leowardiae 1681 en op de eene zyde leest men NYBERT.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De rivieren of afwateringen zyn het dwarsdiep (de scheiding tusschen Lucaswolde en het Niebert) loopende van het Zuidwesten naar het Noordoosten door de hooilanden tot ten noorden van de Kerk, hier neemt hetzelve eene noordelyke loop, onder den naam van het wold- of langdiep, tusschen de dorpen Sibaldeburen en Oldekerk door, tot voorby het zoogenoemde gaarkeuken, waar het eene noordoostelyke loop aanneemt, onder den naam van het Hoendiep tot voorby Niezyl, waar het zich met het Niezylsterdiep vereenigd en door de Kommerzyl ontlast. De oude Ee loopende van het oosten naar het westen door de hooilanden, en ontlast zcih in het begin van het wold- of langsdiep.
De Tocht komende uit de Veenen en loopende van het Zuiden naar het noorden en ontlast zich in het dwarsdiep. In deze Tocht ontlasten zich eenige kleine afwateringen t.w. de Ryt en de Dwarstocht van het Oosten, en de Grouw en oude weg van het westen.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Maren, gasten, wierden, warven essen enz. heeft men in dit dorp niet.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

Aanmerkelyke bosschen heeft men in dit dorp niet.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Dierenryk heeft men hier paarden, koeÿen, schapen, varkens en hoenderen, weinige ganzen en eenden, en enkele kalkoenen en duiven; doch behoorlyk wild voor de jagt, en ook behoorlyk visch in de wateren. -
Uit het Plantenryk: rogge, boekweit, haver, aardappelen, vlas en behoorlyk tuinvruchten, benevens hard en week hout, vruchtboomen en matige weilanden.
Uit het Delfstoffelykryk: goede veengronden tot turf en bagger, leemaarde tot doschvloeren en metselwerk en weinige keisteenen. -

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Van het Zuiden afgerekend heeft men hoog of onvergraven veen, hiervan ten noorden vergraven veen, hiervan ten noorden eenen gemengden grond, bestaande uit pl.m. drie palmen veen en aarde op eenen zandigen bodem, zeer geschikt tot bebouwing met boekweit, verder noordwaarts goed akkerland met p:m: vier plm. vruchtbare aarde op eene zandige bodem, waarop goede rogge, boekweit en aardappelen gebouwd worden, hiervan ten noorden de boerenwoningen met deszelfs tuinen en heemsteden, met plm. zes plm. vruchtbare aarde op eenen zandigen bodem; verder noordwaarts, meest matige weilanden met plm. vier plm. vruchtbare aarde op eenen zandigen bodem, nu heeft men den ryweg, hierby langs heeft men de ambachtslieden en de meeste daglooners woningen, vervolgens ten noorden de ryweg mindere weilanden met plm. drie plm. vruchtbare aarde, op een leemachtigen en zandigen bodem, vervolgens het zoogenaamde meenscheer (wandeschar) zynde heideveld met twee plm. min vruchtbare aarde, op een leemachtigen bodem; vervolgens ten noorden de hooilanden met een veen en veenachtigen ondergrond.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Byzondere Kunsten of Wetenschappen worden hier niet uitgeoefend.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Men heeft in dit dorp thans een koren windmolen, een boekweitmaaldery, twee broodbakkeryen, een wagenmakery, één yzersmedery, drie winkeliers, twee linnenweveryen, twee timmerbazen, drie schoenmakeryen, eene wallenaaister en eene linnennaaister.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Het luchtgestel is er matig gezond.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Dit dorp heeft ééne kerk, één leesgezelschap te zamen met Nuis en Marum, en één zanggezelschap te zamen met Nuis.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

De inwoners vinden hun bestaan (buiten de ambachtslieden) door den Landbouw en dagloonen.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De inwoners van dit dorp spreken onzuiver Nederduitsche taal, waarin de eui voor ooi en oe voor ui of úú wordt uitgesproken: b.v.

heui voor hooi   meui voor moei of tante
meullen - molen   jeude - jood
dat leuf ik niet voor dat geloof ik niet   meurgen voor morgen
zeuven voor zeven   heuren voor hooren
boes - buis   hoes - huis
moes - muis   zoer - zuur
broen - bruin   roen - ruin enz.
bek - mond   heit en mem - vader en moeder
kop - hoofd   bes en beppe - grootvader en grootmoeder
hakken - hielen   breur - broeder enz.
nouw - nu   disse - deze
as - als   douw - gy
wassen - waren   do - toen
na - naar   ien - een, eene of eenen
oenze - onze   dut - doet
hom - hem   hie - hy

niks of jamk niet voor weinig of niet.
luttik beetje voor een weinigje, luttik entje voor een klein eind wegs - touw - hout enz.
Krekt voor even zoo, of gelyk host voor omtrent
hie zé voor hy zeide, zie zéden voor zy zeiden
peerd, peerden voor paard, paarden enz.


Een voorbeeld van de platte boersche taal.

Do ik vanne meurgen na de meullen ging, reed ik een luttik entje op een heuiwagen daar wassen twie broene peerden veur, het iene was n roen en het ander n merrie, zie wassen puur gelieke groot, en zie scheelden ook jamk niet van haar, de kerel ze dat de roen ook fiks draven kon’ en hie leek ook mooi beus (driftig) in de touwen. Dat vertelde ik onze Volk, do zéden heit en mem “as hie ook ’n keul (kol) voor de kop had, en n’ zwarte start, dat ze hom dan wel koopen wollen.” Bes en Beppe hebben ook host zoo’n roen.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Hun karakter, levenswys, zeden en gewoonten zyn algemeen zeer goed: werkzaamheid en spaarzaamheid wordt hier byzonder in acht genomen.
De tyd van opstaan by de landbouwers is het geheele jaar door des morgens van 4 tot 5 uren, ontbyten te 8 uren, middageten te 12 uren, avondeten van 6 tot 7 uren en naar bed gaan des avonds van 9 tot 10 uren; doch by daglooners is de tyd van opstaan zeer ongeregeld, vooral in de tyd van turf maken en maai en hooi tyd, dan is de tyd van opstaan by hen des nachts van 12, 1 tot 2 uren, en dus den tyd van eten en naar bed gaan ook zeer ongeregeld.
De vaste vermaken en uitspanningen (byzonder onder de jonge lieden) zyn, Nieuwjaarsavond en dag. St. Pieterstavond en St. Stephanusavond.
Deze avonden worden in eene gulle vrolykheid doorgebragt; dan haalt ieder jongeling zyne beminde uit om haar by den eenen of anderen kastelein op een glaasje brandewyn of ook wel wyn te onthalen.
De bezoekingen onder de bejaarde lieden geschieden meestal des winters; de aankomst dezer bezoekingen is des voormiddags van 10 tot 11 uren en blyft voortduren by gebruik van matig spys en drank tot des avonds van 9 tot 11 uren.
Ook is hier zeer in gebruik vooral onder de meisjes het zoogenaamde piezelen, (dit woord schynt voort te komen van peuzelen of niet veel verrigten: want byzonder komt dit woord niet veeltyds voor van iemand die niet vlug werken kan; hy of zy is een peuzelder) en zulke dagen gaan ook meest met snappen door. Zy komen hare vriendinnen bezoeken des voormiddags van 9 tot 11 uren en blyven dit bezoek volhouden tot des avonds van 6 tot 8 uren.
Merkwaardige bruiloften heeft men hier zeer zeldzaam.
De begravenisplegtigheden zyn algemeen deze: de aanverwanten worden verzocht om op den dag van begraving het lyk naar het graf te vergezellen. hierna keert men naar het huis des overledenen en om eenen maaltyd te doen, bestaande uit wittebrood en bier.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Van burgten en voormalige burgten, Spookverschyningen uit oude tyden enz. is hier niets bekend.

Aanmerking van den Heer Westendorp

Van Burgten niet? dat is mis.