Zoek op de website

Nieuw Beerta

Gemeente Beerta

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Nieuw Beerta of Beerster-hamrik.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

De Kroonpolder en de Nieuwe Stadspolder. Deze liggen over het geheel ten oosten van de Kerk, de eerste drie vierde en de tweede een uur afstands. De Nieuwe Beerta heeft dien naam in tegenstelling met de oude Beerta. Beersterham wil dunkt my zoo veel zeggen als een inham of lager liggend aanhangsel van de oude Beerta; de Hamrikken toch zyn nader by den Dollart en liggen veel lager. – Rik komt misschien van ryk. Deze opvatting strookt ten minste volkomen met het rympje (dat de vrouwen alhier voor omtrent eene eeuw plagten te zingen by lustige kraamvisiten) “Wie Beerster hammeriken, waar hebben wie ons geliken.” Zoo noemde men ook Nieuwolda of Midwolder-hamrik “het golden hamrik”. De Kroonpolder is genoemd naar Antonius van Kruin een Zeeuw, die dezen polder, uit hoofde van het toenmalige onvermogen der Stad Groningen, in 1696 heeft ingedykt, op eigene kosten, onder voorwaarde, dat hy een zestig jarig vruchtgebruik zou genieten, ten einde van welken tyd n.l. in 1756, de eigendom aan Groningen kwam. De nieuwe Stadspolder heeft den naam van deszelfs lateren oorsprong of latere indyking in 1740 en wel door genoemde Stad.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

a. Neen.
b. Het opschrift op onze torenklok luidt dus: De ingesetene van het carspel Niewe Beerta hebben deze klocke laten gieten in de tyt als Gerardus Gramsbergen pastor Hanno Jurriens ende Tjapko Poppens olderlingen waren heeft my gegoten ras als hi noch Friejer was anno 1704 Tittie Goossens. –

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

De Westerwoldsche Aa loopt ten zuiden van de Nieuwe Beerta tot aan de zoogenoemde Tuutjeshut, zynde deze nagenoeg een vierde uurs van de Nieuwe of Langer Akkerschans gelegen. Hiervan wordt de Nieuwe Beerta vervolgens afgescheiden door een maar , de oude Aa genoemd. Deze vereenigt zich oostwaarts met de ringsloot (aldus geheeten, dewyl zy om de polders vloeit, gerekend met den ringsloten binnen dezelve), die westelyk bylangs den ouden dyk van het Z.O. naar het N.W. in het Tjam loopt. Ten Westen van de Nieuwe Beerta is het Bellingwoldster diep of Boeskool diep (naar Roelf Boeskool), die vroeger daarby gewoond heeft) tot aan het Finsterwolder- of (in den wandel) Achterhamrik. Hier neemt het benoorden den heerenweg eene wending naar het N.O. tot aan het bovengenoemde Tjam. Dit Tjam loopt tusschen Finsterwolderhamrik en de Nieuwe Beerta door en na door twee watermolens zyn water geloosd te hebben, heeft het deszelfs uitwatering door de Vierkarspelzyl. In het Tjam loopt ook de Maryke dat aan het Noordereinde van den ouden dyk onder denzelven door het water van den Kroonpolder opneemt, door middel van eene ringsloot. De Nieuwe Stadspolder heeft zyne uitwatering door eene Zyl naby de landhoeve van de Weduwe Kornelius Jans Mulder. Onze geheele kerkelyke Gemeente heeft dus hare uitwatering in den Dollart. Oostwaarts in de Nieuwé Beerta, ten N.W. van het voetpad hebben eenige landeryen eene afzonderlyke uitwatering in het Tjam, door een maar met eene klieve, om dat zy aanmerkelyk lager liggen en ten einde by stilte het hooger water in het Tjam te weeren.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

Geene.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

De Zeedyk, Buitendyk of Nieuwe dyk begint by de Statenzyl en loopt van het Z. naar het N. tot aan het Nieuwe Stadspolder Zylhuis; verder O. en W. tot aan de plaats van de Erven van Engel Pieters Engels. Hy is vyftien voeten boven het maaiveld. Bylangs denzelven zyn drie batteryen thans in hoogte gelyk met den dyk. De vleugeldyk loopt by langs de Westerwoldsche Aa van af den ouden dyk tot aan den Buiten dyk, meestal Z.W.Z. en N.O.N. Digt hier aan liggen drie batteryen, nagenoeg even ver van elkanderen, de een eigenlyk op het einde van den Vleugeldyk, alwaar deze zich zydelings vereenigt met den ouden dyk. De middeldyk, die by of aan de Statenzyl begint kruist den Vleugel – en Nieuwen dyk, loopt Z.O. en N.W. tusschen de beide polders door tot aan den Koedyk, en is elf voeten boven het maaiveld. De oude dyk, in zoo ver hy tot onze kerkelyke Gemeente behoort, begint ten oosten aan de oude Aa (zynde eene weinig nader aan de Nieuwe Schans dan de op den Vleugeldyk staande battery) en loopt nagenoeg in het N. op tot aan den Koedyk. Zyne hoogtte is te ongelyk om eene gemiddelde maat op te geven. De Kaaidyk aan deze zyde van de Westerwoldsche Aa is van vyf en een half tot acht voeten hoog boven het maaiveld, naar mate men meer Oost- of Westwaarts rekent. – Oostwaarts over de Statenzyl, aan het Hanoversche, liggen nog drie bunder lands, waaronder eene oude vervallene battery en een dyk, twaalf voeten boven het maaiveld.

7. Welke bosschen zijn daar?

Geene.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Van de graansoorten, is gerst het hoofdprodukt, hierop volgt haver, dan rogge en tarwe. Thans veel minder tarwe, dan rogge; doch deze verhouding hangt af van den verschillenden prys.
Onder de peulvruchten bekleedt het Koolzaad verre weg de voornaamste plaats, het welk (indien het niet van de vorst afhing), ruim zoo veel zou opleveren als de gerst. Aweelzaad teelt men in eene veel mindere mate, schoon ook van belang, en een weinig gele mostert. – Veldboonen weinig meer dan tot eigen gebruik (voor paarden), velderwten en wortels geryf. Aardappels en knollen komen veel van buiten.
Eene zeer gewigtige grassoort voor deze Gemeente is de roode of Brabandsche Klaver, als zynde uitmuntend paardevoeder. Met een stuk wel geslaagde klaver kan de landmand drie maal zoo veel uitrigten als met de gewone weide. Op het land verrottende, geeft zy eene vette mest, waartoe zy derhalve ook wordt aangewend. Daarenboven is zy zeer dienstig ter verstikking van onkruid, b.v. kiek. Men oordeele hieruit van de grootte. Kamille wast hier als onkrúid.
Onder de Ooftboomen kan men tellen appel- pere- pruim- kerse- aalbessen en kruisbessen boomen.
Aardbeziën en flambozen gunt men ook eene plaats. Voor wynstokken en nog meer voor perziken en Abrikozen, laat men te veel gunstige gelegenheid ontglippen. Men vindt hier veel en daar onder wel aangelegde en ruime boomgaarden, vooral sedert de tien laatste jaren.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

De beide polders maken over het geheel geen noemenswaardig onderscheidt. De zware, vette klei zit tien voeten diep, lager vier voeten darg en vervolgens geel en wit zand. De Nieúwe Beerta, overigens aan de Polders gelyk, heeft van drie tot zestien voeten klei, het minst naar den kant van het Finsterwolder-hamrik, gerekend vooral de oostzyde van de Nieuwe Beerta. De ondergronden zyn op onderscheidene plaatsen ook verschillend zoo wel van hoedanigheid als diepte.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Twee roggemolens, de een met een pelwerk en de ander met een boekweitmolen, drie linnenweveryen, vier yzersmeden, vier stelmakers, een verwer, twee Kuipers, vyf broodbakkers, zes schoenmakers, acht kleermakers en vier wol- en linnennaaisters.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Zeer veranderlyk. By Noorde- en Ooste winden iets guurder uit hoofde der nabyheid van den Dollart. Om dezelfde reden ook ongezonder, ten minste heerschen er op bepaalde tyden des jaars koortsen, vooral de galkoorts, waar van deze zomer weder een sterk voorbeeld heeft opgeleverd.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene kerk, eene hoofdschool en een zoogenaamd byschooltje op den Kroonpolder, drie Leesgezelschappen en twee zanggezelschappen.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Landbouw de hoofdtak van bestaan.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Proefje van onze platte taal:
K. (na hem de vragen over deze gemeente te hebben voorgelezen)
Dor (scherp korte o) heb en z’joe wat te doun mokt, meester.
Ik. Dat wil nyt veul zeggen, maar de tiet is host te kort.
K. Hou wyje dat ’t regt kriegen met de lenkte van de dieken?
Ik. Nyt beter als fan en lantmeter, dy zien meetkette dor tou gebroekt het. De ofstant nor ’n voutganerte bereken is ’t onnaukeurig.
K. Joe zel noderhant wel gelegenhait geven worden om als naukeurger te levern.
Ik. Dat den kook.
K. De tol (taal) is ook al wat ongemakelk.
Ik. Ken ja heuren hou de mensken prooten en aan pen en enkt mekijrt mie ’t nyt.
K. Mot wyt ze wat, dat krakter, dat ’s en verdolt slim ding.
Ik. Als kieren jor of drei woont har, zol (de o, als in bok) dat wel beter gon, maar ‘k sel ’t moken nor mien beste gewyten en ’t lyfst nyt overdrieven.
K. Den heije dr ook noderhant gyn beschuldegen van.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De ingezetenen zyn over het algemeen werkzaam. De boer munt uit in de praktyk van den landbouw en is naauwlettende op zyn bedryf. Dit neemt niet weg, dat zy een meer dan gewone leeslust bezitten tot úitspanning en stichting. Men houdt meest van ernstige onderwerpen, van geschiedenis, godsdienst en zedekunde. Wylden de kundige Mensinga heeft de zucht voor de Natuurkunde gaande gemaakt, zoo dat de werken van Uilkens niet vergeten worden. Roman’s worden weinig gelezen liever reisbeschryvingen. Zy kenmerken zich door een gelykmatig en vast karakter, dat zoo wel het uiterste van styfzinnigheid als van laffe toegevendheid zoekt te vermyden, doch nog eerder tot gene dan tot deze overhelt. Dronkaarts moet men met den lantaarn zoeken. In het godsdienstige heerscht eene bezadigde denkwys die by enkelen tot dweepzucht en styve regtzinnigheid en zeer schaars tot vrydenken overlaat. Het onderwys der jeugd neemt men wel ter harte en geeft gaarne eenen Stuiver voor privaat onderrigt in de muziek en zangkunst. Avondschool is er het geheele jaar door.
Hierby gaat gepaard opregtheid en gastvryheid in den omgang. Partyzucht en twist kent men naauwelyks meer dan by naam (dit plagt voor jaren anders te zyn). Hoe eerlyk overigens de boer den handwerksman behandelt is hy evenwel niet vry te pleiten van soms te veel diensten van hem te vergen (b.v. tydens het zaaddorschen en den oogst en eene gebiedenden toon tot hem te voeren).
Het werkvolk gaat des zomers te vier uren aan den arbeid, ontbyt te zeven en rust van tien tot half elf. Men houdt middag te twaalf, hervat het werk te half twee tot vier en vangt weder aan van half vyf tot zes uren, wanneer het avondeten plaats heeft. Des winters staat men te zes uren op en eet des avonds te zeven. Tydens het zaaddorschen en den oogst werkt men den geheelen dag door. De boer eet meer vaste dan lekkere kost. De wyze van bezoeken is niet kostbaar en gaat geregeld toe.
De Kleederdragt blinkt niet veel en draagt meer het kenmerk van kostbaarheid (in zoo verre men op de deugdzame hoedanigheid der stoffen ziet) dan van zwierigheid.
By begrafenissen worden de buren van weerszyden twee te maaltyd genoodigd. By eenen ouden dooden volgt de geheele en by eenen jongen de halve gilde. De familie wordt verzocht tot halve neven en nichten toe, en by het overlyden van de man of vrouw strekt zich dit uit tot de vrienden van weerszyden. Eenen ouden doode draagt men meestal twee maal om het Kerkhof en men is zeer gesteld op de tegenwoordigheid van den leeraar, by gebreke van welke men zelfs den Conselent verzoekt.
Bruiloftsfeesten beginnen weder een weinig op te komen. Men hoort wel zoo veel van bruidsviciten, (waarby men het hart onder een glas wyn soms tot diep in den nacht lustig ophaalt), welke beurtelings aan het ouderlyke of eigene huis van bruid en bruidegom gegeven worden, ook daarenboven wel eens aan het huis van den maagdsman of pleegsman, hoe men het noemen wil. Van beide zyden worden de ouders, broeders en zusters genoodigd, ook halfbroeders en halfzusters.

Al luidt het slot wat Kalverachtig,
de zaak is niet te min waarachtig.

(get) E. Molema
September
1828