Zoek op de website

Nieuw Scheemda

Gemeente Scheemda

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Nieuw Scheemda of Scheemderhamrik.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Het gehucht het Waar ligt ½ uur Noord-oostwaarts van hetzelve en heeft zynen naamsoorsprong van de schutting van het water in het Zyldiep, dat naar Termunterzyl loopt.
De naam Scheemderhamrik is gemakkelyk op te sporen.
Ham beteekent zoo veel als een stuk rik of riek zoo als het voormaals werd geschreven, ryk dus hamrik of hamriek een ryk stuk.
Scheemderhamrik zal derzelve beteekenen: een ryk stuk land van de Scheemda, hetwelk het waarlyk ook is; want het is al kostelyk kleiland.
De naam Nieuw Scheemda zal dit dorp, zeker in lateren tyd ontvangen hebben, n.l. na 1659, toen het in het kerkelyke een op zich zelf staande gemeente geworden is, welker kerk in 1661 gebouwd is.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of Duifsteen is er niet aan de kerk. Het opschrift op de torenklok is: Laudate dnm omnes gentes laudate eum omnes populi. F. Hemony me fec: Amsteloda: A° 1661.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Het groote Maar, loopende tusschen Nieuw-Scheemda en Wagenborgen door naar het Termunterzyldiep.
Het kleine Maar, komt van Noordbroekster Hamrik, loopt van het Z.W. naar het N.O. en in het Westeinde van Nieuwolda in het Termunterzyldiep.
De diepen zyn: het Houthalster; of zoogenoemde oude diep, komende van den Dam in Noordbroek, loopende eerst Oost dan N.O. en in het Westeinde van Nieuwolda in het Termunter Zyldiep. En het Termunter Zyldiep loopende van het Z. naar het N. door Nieuw Scheemda.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Dierenryk: Koeyen, paarden, schapen, verkens, kalveren, lammeren, eenden, hoenderen, hazen, patryzen en zoetwatervisch.
Uit het Plantenryk: tarwe, rogge,gerst, haver, boonen, erwten, raapzaad, wortels, aardappelen, (weinig) kool- en tuinvruchten.
Uit het Delfstoffelykryk: niets.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

In het Westeinde van Nieůw-Scheemda eene egale dikte klei van pl.m. 5 ellen daar onder 3 ellen 1 a 2 palmen darg, eene soort van Veen, dan Zand en Welwater.
Van de kerk tot het Waar nagenoeg dezelfde diepte klei, doch niet meer dan 2 ellen darg, dan Zand en Welwater.
Westkant van het Zyldiep palende zylings aan het zoo evengenoemde Westeinde is de geheele diepte n.l. van boven tot het welwater 5 a 5½ ellen, met eene trapsgewyze neerdaling naar het Waar, tot de diepte van 8½ el; de darg is hier ongeregeld van 1 tot 3 ellen.
Zuidoost zyde van het Zyldiep heeft men op de hooge plaatsen veelal 2 ellen klei met 1 el 5 a 6 palmen darg of Veen. Ook heeft men daar nog plaatsen waar niet meer dan 1 el klei en 1 el darg op het welzand is.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Er zyn de volgende: 1 houtzaagmolen, 2 Korenmolens die tevens pelmolens zyn, 1 hout- en steenkopery, 1 kalkbrandery, 3 bakkeryen, 3 smederyen, 3 Kuiperyen, 2 Stel- of Wagenmakery, 4 timmerlieden, 2 huisverwer, 4 kleermakers, 4 schoenmakers, 1 Klompmaker, 2 linnen- en vyfschachtweveryen.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

Zeer veranderlyk; meestal koud en vochtig.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Eene hervormde en 1 doopsgezinde Kerk; 2 scholen, 1 in Nieuw Scheemda en 1 op het Waar en twee Leesgezelschappen.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de opgenoemde Handwerkslieden (deze ook slechts gedeeltelyk) bestaan de inwoners dezer Gemeente voornamelyk van den akkerbouw en van de Veeteelt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne platte taal is over het algemeen, zoo als die van het geheele Oldambt.
de a wordt niet helder maar dof uitgesproken.
de e (scherplange) wordt als ij uitgesproken; doch de zachtlange behoudt haren klank.
de o wordt in sommige woorden als ö en in andere als eu uitgesproken b.v. börger, keuning.
de ij wordt meestal als i of ii gebezigd en de uitspraak van ij klinkt als ei.
de ei klinkt als ai b.v. zy wassen der baide bi (zy waren er beide by).
de ie klinkt als ij b.v. ik zij die wel (ik zie u wel).
de ui klinkt meestal als oe b.v. ik ken mi nyt boegen (ik kan my niet buigen).
de oe klinkt meestal als ou b.v. zoo zegt men tegen hoed – houd, boek – bouk, stoel – stoul of stoule enz.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

De inwoners dezer Gemeente zyn in het algemeen eerlyk, opregt, godsdienstig, arbeidzaam, gedienstig, hulpvaardig en mededeelzaam, niet overgegeven aan dronkenschap en andere onbetamelykheden en vyanden van twist.
Men staat er des morgens vroegtydig op en na ontbeten te hebben, begeeft men zich aan den arbeid tot des middags 12 uren, dan eet men, en na een weinig gerust en thee gedronken te hebben, begeeft men zich om twee úren weder aan den arbeid tot des avonds 6 uren, wanneer men weder eet, en zich tegen 9 a 10 uur naar bed begeeft.
Men bezoekt elkander gewoonlyk des avonds om 7 uur na het eten en om 10 uur eindigt men zyn bezoek.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Geene.

De onderwyzer van Nieuw-Scheemda
(get) K.H. Ten Berge.