Zoek op de website

Nieuwe Pekela

Gemeente Nieuwe Pekela

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Nieuwe Pekela.
Bevattende eene bevolking van 4164 zielen.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Onder deze Gemeente behooren geene gehuchten of buurtschappen, dan alleen een gedeelte van het Nieuwe Stadskanaal, dat 1½ uren van de kerk gelegen is, en het welk eene Z strekking van de kerk der Gemeente heeft.
De naamsoorsprong is hetzelve verschuldigd aan een nieuw gegraven kanaal, dat van wege de Stad Groningen gegraven, Zuidoostwaarts aanloopt, by langs de scheiding van Drenthe, en welk Kanaal bestemd is tot het afvoeren van turf welke in de langs hetzelve gelegene wyd uitgestrekte venen gegraven kan worden.
Pekela, is deszelfs naam verschuldigd aan het oude riviertje de Pekela, het welk uit de hooge veenen van het Zuidelyk gedeelte der provincie Groningen aan de oostelyke grenzen der provincie Drenthe, omstreeks het nu droog gemaakte Hoedmans meer ontsprong, waarvan straks nader.
Nieuwe Pekela heet onze woonplaats in tegenstelling van de oude Pekela, welke vroeger aangelegd werd en ten oosten aan de Nieuwe Pekela grenst.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Aan onze kerk bevindt zich geene dufsteen of duifsteen, daar derzelver oude gedeelte van graauwen baksteen is opgemetseld, en het voor een jaar vernieuwde gedeelte van gewonen rooden is opgetrokken.
Op onze torenklok wordt het volgende omschrift gevonden.
Vernieuwd toen K.L. Tiktak Schout, J. Boelens Secretaris, L.K. Tiktak kerkvoogd waren in de Nieuwe Pekela anno 1818. Andries H. van Bergen en M. Fremy me Feierund.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

In onze Gemeente vindt men eigenlyk geene rivier meer. Schoon hier eertyds het riviertje de Pekela stroomde, dat uit de hooge veenen van het Zuidelyk gedeelte van de Provincie Groningen aan de oostelyke grenzen der Provincie Drenthe aan het nu droog gemaakte Hoetmansmeer ontsprong en de scheiding maakte tusschen het voormalig Oldambt en Westerwolde, tot dat hetzelve zich aan de Bult niet ver van Oude Schans in de Westerwoldsche Aa stortte. Den naam van Pekel Aa zal het ontvangen hebben wegens de ziltigheid van deszelfs water. Thans is dit Riviertje byna onkenbaar, doordien een kanaal, gegraven om den turf uit de Veenen te vervoeren, deszelfs verschillende kronkelingen doorsnydt, zich dan eens met hetzelve vereenigende, dan weder het verlatende. Dit Kanaal is thans ons Hoofddiep. Uit hetwelk op den afstand van iedere twee plaatsen breedte eene wyk in de Veenen is opgegraven, om den turf in het hoofddiep te kunnen brengen. Nog is er naby het oosteinde der Gemeente, het Heerendiep, mede uit het Hoofddiep ten Zuiden in de Veenen schietende en waarin weder dwarswyken inschieten om den afvoer van turf gemakkelyker te maken.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

In den omtrek onzer woonplaats vindt men aan de Zuidwestelyke grenzen van dezelve, het nu droog gemaakte Hoetmans meer, alwaar de Stad Groningen in den jare 1804 acht veenplaatsen ter vergraving heeft uitgedaan.

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

In den omvang van onze Gemeente vindt men van dit alles niets, daar de grond hier over het geheel vlak en effen is, wyl dezelve geheel bestaat uit toebereide veenaarde, en wy in dezen opzigte niets aan de Natuur te danken hebben, dan het Veen, en den zandigen ondergrond. Echter loopt er aan de Zuidzyde van het Hoofddiep op plusminus een vierde uurs afstand van hetzelve door een groot gedeelte der Veenen, beginnende niet ver van de Oostelyke grenzen, eene Zandige hoogte, die op sommige plaatsen wel 5 ellen boven het maaiveld zich verheft, en deze geheele streek tot aan het einde der Gemeente loopt. De hoogte kost aan de Veengebruikers dikwyls vele moeite en kosten ter verarbeiding en doorwerking; doch trekken ook sommigen weder eenige vergoeding, door den verkoop van wit zand.

7. Welke bosschen zijn daar?

In onze Gemeente vindt men geene bosschen en over het geheel zeer weinig houtgewas, waarin men te minder belang stelt, omdat de brandstof hier overvloedig en zoo gemakkelyk verkrijgbaar is.

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

Uit het Dierenryk vindt men hier paarden, koeijen, schapen, zeer weinig zwynen, eenden, hoenders, tevens eene aanzienlyke hoeveelheid wild van hazen en patryzen en onze wateren bevatten een menigte, van visch, als aal, baars, snoek, Sly of Zeelt, voorn enz.
Uit het Plantenryk treft men hier aan: veel rogge, boekweit, aardappelen, benevens gerst, boonen, erwten, haver, raapzaad, vlas, rapen, kool, wortelen enz.
Uit het Delfstoffelykryk heeft men hier: veel turf en zand.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Over het geheel is de grond alhier gelyksoortig dewyl dezelve bestaat uit toebereide landen, waarop voorheen veen heeft gezeten en welke door toebereiding met zand en straatvuilnis tot vruchtbaar bouw- en weideland is herschapen. Voorts liggen er nog achter de toegemaakte landen hier en daar dallen, welke wegens de kosten der toebereiding en der lagen prys der veldvruchten veelal ontoegemaakt blyven liggen en die men somtyds met boekweit bezaait.
Waar het veen nog niet is afgegraven daar bestaat het bovenste gedeelte uit hoogveen, hier worden dus geene andere dan toebereide teelgronden aangetroffen.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Daar hier het grootste gedeelte der bevolking bestaat uit zeelieden, Veengebruikers, landlieden, handwerkslieden en arbeiders, zoo wordt er opzettelyk weinig aan de beoefening van Kunsten en Wetenschappen gedacht; echter zal men hier toch onder de beoefenaars van Kunsten mogen tellen:
Schilders, gouddraadwerkers, teekenaars, scheepsbouwmeesters.
Van de schoone Kunsten worden hier eenigermate beoefend de Zangkunst en de Instrumentale Muzyk.
Onder de nuttige Kunsten; het Horologiemaken. –
Van de Wetenschappen worden hier in meerdere of mindere mate beoefend:
de Godgeleerdheid
de Geneeskunde
de Wysbegeerte
de Wiskunde
de Historiekunde.

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

Onder de Fabryken en Trafyken hier ter plaats moet men tellen:
twee tabakskerveryen, drie bierbroúweryen, eene katoendrukkery, twee verweryen, vier kalkbranderyen.
Onder de Handwerken die hier gedreven worden, behoorden de volgende:
1. Voor den innerlyken welstand:
Landlieden, Veenbazen of Veenboeren, Jagers, Molenaars, Grutters, Bakkers, een Koemelker, Slagters, Komenyswinkels, Linnenwevers, Kleermakers, wollen en Linnen naaisters, Schoenmakers, twee Hoedemakers enz.
2. Handwerken, die ons huisvesting enz. bezorgen.
Metzelaars, Timmerlieden, Smeden, Verwers en Glazemakers.
3. Handwerken voor het gemak, den opschik, de weelde, enz:
Schrynwerkers, Draaijers, Wagenmakers, Kuipers enz.
4. Handwerken die de voortbrengselen van het Dierenryk verwerken:
Leerlooijers.
Voorts Hoef- of Grofsmeden, 4 goud- en zilversmeden, één gouddraadwerker.
Kooplieden, Commissionairs, Schippers, voerlieden, één postillon, vrouwenhoedemakeryen enz.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtsgesteldheid is hier over het algemeen zeer gezond, wegens de hooge ligging onzer plaats en de milde doorstrooming van steeds vloeijend water die steeds de kwade dampen verdryven, en de zoo noodige zuiverheid der lucht bewaren. Zelden of nooit ziet men hier daarom eene ziekte heerschende worden, zy bepalen zich meestal by eene enkele streek of zelfs by een enkel huis.
Ik geloof alzoo, wanneer men zich hier wacht voor de schadelyke avondlucht en voor koude vatting, vergezeld van eene matige levenswyze, dat men hier als dan zoo gezond leeft als in eenig gedeelte van ons Koningryk.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Wy bezitten alhier:
Een Hervormde kerk, gebouwd in 1704, en in 1767 aanmerkelyk vergroot en in 1827 wederom aanzienlyk vergroot en verfraaid, zoo dat zy thans wegens hare netheid een sieraad onder de landwerken uitmaakt.
Een Luthersche Kerk, met een orgeltje voorzien, gebouwd in 1760.
Een Doopsgezinde, die echter sedert lang, wegens het klein aantal belyders, niet meer tot dat einde gebruikt wordt.
Hier zyn mede:
Een Hoofdschool in de nabyheid der kerk, die in den jare 1817 aanmerkelyk vergroot en vervolgens verbeterd werd. Eene byzondere school in het boveneinde der Nieuwe Pekela, die mede in 1825 tot eene goede school geheel nieuw verbouwd werd.
Een school te Nieuwe Stadskanaal, dat nog tot onze Gemeente behoort. Dezelve werd in 1815 door de Stad Groningen aldaar gesticht en is allezins een geschikt gebouw.
Nog bestaat er eene byzondere school in de Oude Pekela alwaar die kinderen uit deze Gemeente ter school gaan, welke er naby wonen.
Hier bestaan 3 Leesgezelschappen, het Nieuwe Stadskanaal mede gerekend.
Er bestaan hier twee ZangGezelschappen, een te Nieuwe Pekela en een te Nieuwe Stadskanaal.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Onder de middelen van bestaan moet men hier in de eerste plaats tellen, onze uitgebreide scheepvaart, die een aantal van pl:m: 90 grootere en kleinere Kof- en Smakschepen bezig hout, benevens de vry aanzienlyke Reederyen, daaruit voortvloeijende, welke scheepvaart hier steeds de hoofdbron van het bestaan der meeste ingezetenen blyft, zonder welke onze Gemeente waarschynlyk in eene laagte zou zinken, welke haar by vele plaatsen zou doen ten achteren staan: voorts komen hier in aanmerking: de Veengraveryen, die aan een groot aantal werklieden en vrouwen mede grootendeels hun bestaan verschaffen. – Benevens den Landbouw en veeteelt, die aan velen, hoe wel dan veelal schamel brood verschaft. Men kan hier byvoegen de Byenteelt, die hier mede door velen beoefend wordt. Uit de opgenoemde middelen van bestaan vloeit dan ook het bestaan der in N° 11 opgenoemde Fabryken, Trafyken en Handwerken voort, waarvan hier sommigen een te bekrompen bestaan hebben, doordien er van sommige beroepen te veel zyn, en het uitvoeren van allerlei produkten, zoo ruimschoots vry gelaten wordt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

De platte taal die hier gesproken wordt, heeft veel van het platduitsch: doch zeer ongelyk, wyl onze Gemeente, eene Kolonie zynde, uit verschillende oorden hare inwoners heeft ontvangen. Hier heerscht een algemeen gebrek in het gebruik der h, zoo dat men hier niet zelden kan hooren: “ik heb een aas naar Hamsterdam stuurt”.
Arm het zien Harm broken. Daar is en ond in de utte enz.
Doch by de jonge lieden, die van het verbeterd onderwys genot hebben gehad vindt men dit gebrek slechts zelden meer.
Om een algemeen denkbeeld van de platte volkstaal te geven, zal ik een klein gesprekje in die taal aanvoeren.
A. Wat lopt daar gunter in joen tuun achter ’t huus?
B. ’k Heb dry keninen en zeuven duuven kregen.
A. Das ja en hyle bult! Hou veul der veur?
B. n’ Diktun.
A. Das mi veuls te veul maar heur rais! twy gullen.
B. Ofste mi dat of niks butste is mi krek al liek.
A. Nou, is di dat hen of na neit genog; dan kenste ze hollen; ze bin mi gein dait meer weerd.

Evenwel wordt hier van tyd tot tyd de taal zeer verbeterd, door de toenemende beschouwing en een verbeterd onderwys; zoo dat thans de eenigzins beschaafde hier zeer dragelyk spreekt.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Het Karakter over het algemeen is yverig, werkzaam zy zyn vriendelyk en gastvry, vooral by bekenden, gehoorzaam aan de wetten der overheden, eerlyk in dien zin, dat men hier byna nooit van dievery of huisbraak hoort: over het algemeen matig in spys en drank; er heerscht veel zindelykheid in huizen en kleeding, vooral by onze zeelieden, die soms tot uitersten over slaat, zoo worden mede de woningen netjes onderhouden. Buiten de arbeidende klasse slaapt men hier lang; doch gaat men ook niet vroeg te bed. De tyd van ontbyten is gewoonlyk 8 uren, met middageten te 12 en het avond eten by de arbeidende klasse te 6 en by de andere standen te 8 uren.
Vermaken en uitspanningen vindt men hier weinig en bepalen zich meest tot avond visites, die hier soms kostbaar zyn, daar men een heerlyk Collation met chocolade, heet bier enz, met een uitmuntend stuk vleesch geeft; terwyl men dan ’s avonds te 6 uren komt en ’s nachts te 12 uren scheidt. Voorts in het bezoeken der jaarmarkten van omliggende plaatsen. De mannen komen somtyds in een Logement zamen of bezoeken eene Societeit. Men bezoekt elkander zelden, zoo men niet bepaald genoodigd wordt. De tafel is hier doorgaans eenvoudig, zelden ziet men er meer dan een geregt. By het trouwen houdt men nog de oude manier, in zoo ver dat familie en vrienden in den nadenmiddag, by elkander komen en dikwyls laat in den nacht scheiden; terwyl er dan gedanst, gezongen en gesprongen wordt en de luidruchtige vrolykheid zich van verre doet hooren. By begrafenissen geeft men gewoonlyk soep, met wittebrood en somtyds een stuk gebraden vleesch of Ham er by.
Over het geheel is men hier vriendelyk en dienstvallig, hulpvaardig in nood: de familietrek is er vry sterk. De kleederdragt is net en proper, zonder al te zwierig te zyn. Zy zyn godsdienstig.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Aangezien deze Kolonie van late dagteekening is, zynde hier de eerste kerk eerst in 1704 gebouwd, zoo moet men hier geene oudheden zoeken. – Spookverschyningen waren hier voor 25 jaren en vroeger in ruime mate. Hier liep op onderscheidene plaatsen een zoogenaamde stommelstaart, een groot ruigharig monster met oogen als een theeschoteltje. Het moet nog al goedaardig geweest zyn; want ik heb niet gehoort, dat het ooit iemand benadeeld heeft. Waar het gebleven is, weet ik niet, het moet naar duistere oorden vertrokken zyn, want hier hoort men er niet meer van spreken. – Waar voorheen de volwassen jongeling in de schemering by iedere schrede verschrikt omzag, daar loopt thans het kind met volle gerustheid, zelfs in den nacht, zynen weg, dank zy de toenemende verlichting!
Voorts zag men hier gelyk elders dikwyls voorlopen, ook enkele verschyningen van den Duivel; heksery en toovery was hier mede algemeen. Maar ik betuig van al deze omstandigheden in jaren niets gehoort te hebben; zoo als hier algemeen zeer weinig vooroordeel heerscht, en het volk dus zeer geschikt maakt voor het invoeren van verbeteringen.
Als een zeer verdienstelyk man verdiend hier genoemd te worden:
Jurjen Koerts den ouden, die in 1802 in het 83ste jaar is overleden, welke zoo veel heeft toegebragt tot den bloei dezer Veenkolonie. Zelf een aanzienlyk Veen eigenaar zynde, verzorgde hy een menigte menschen van brood, en die hem als hunnen vader eerden. Als ryk man, was hy door zyne eerlykheid, zedigheid, Godsdienstigheid en meerdere deugden, een leerryk en stichtend voorbeeld voor deze Gemeente; waarvan hy tot aan zynen dood Kerkvoogd en Ouderling was. Door zyne braafheid en kunde van de Veenen, stond hy by de Regering der Stad Groningen steeds in de blakendste gunst en genoot derzelver volle vertrouwen, Eene fraaye zerk dekt zyn graf en dat zyner Echtenoote; waarop wylen de Schoolopziener H. Wester het volgend grafschrift vervaardigde.
“Een grijsaard, van zyn vroege jeugd aan werkzaamheid gewoon; Die door oud Nederlandsche deugd een schat verkreeg ten loon; De Veenkolonie bloeijen deed; getrouw was in zyn stand; Zyn Vlyt en Krachten heeft besteed tot heil van Stad en Land: Die nuttig bleef voor velen tot zyn dood,
Ligt hier begraven naast zyn Echtgenoot.”