Zoek op de website

Nieuwolda

Gemeente Nieuwolda

1. Hoe is de naam van uwe woonplaats?

Nieuwolda of Midwolder Hamrik.

2. Welke gehuchten en buurtschappen liggen in dezelve? Hoe ver en in welke strekking liggen deze gehuchten of buurtschappen van de kerk? en wat weet gy, nopens den naamsoorsprong van ieder derzelver en van de plaats uwer woning zelve?

Het gehucht Oostwolderhamrik is met dit dorp in het kerkelyke vereenigd en de buurtschap Dellen behoort in het kerkelyke gedeeltelyk tot dit dorp, gedeeltelyk tot Wagenborgen; doch in het burgerlyke zyn beide met dit dorp vereenigd.
Oostwolder Hamrik ligt ½ uur oostwaarts en de Dellen ½ uur noordwaarts van de kerk. Het woord Hamrik beteekent zoo veel als rykstuk; dus Midwolder Hamrik een ryk stuk van Midwolda, zoo is ook Oostwolder Hamrik een ryk stuk van Oostwold. Beide zyn het werkelyk ook; dewyl het al kostelyk kleiland is.
De naam Midwolda of Nieuw Midwolda waarvan men de eerste lettergreep heeft laten vallen zal deze plaats zeker ontvangen hebben na 1648, toen het in het kerkelyke een op zich zelf staande gemeente geworden is; welker kerk op den 25 Sept. 1718 is ingewyd door den Predikant H. Dronryp; hebbende men zich gedurende dien tyd met de uitoefening van den openbaren godsdienst in de school beholpen.
De buurt Dellen heeft haren naam van het lage land waaruit zy bestaat; want Dellen of Dalen beteekent laagte. Het land tot deze buurt behoorende moet door watermolens boven water gehouden worden.

3. Is er ook dufsteen of duifsteen aan uwe kerk, en hoe groot zyn die steenen? Is er ook een opschrift op uwe torenklok of zyn er ook opschriften op uwe torenklokken? en zoo ja; hoe luiden die?

Duf- of Duifsteen is aan deze kerk niet.
Het opschrift op de torenklokken is op de groote
I. Borchard Fudit Enchuse 1775.
en op de kleine
Vernieuwd toen Pieter Harms en Nantko I. Dallinga kerkvoogden, R. Engels Pastor. A.P. Wedda, Maire en Jakob Takens adjunct te Nieuwolda waren, door M. Fremy en A. van Bergen Anno 1812.
En buiten in de toren zyn twee zerken gemetseld waarop het volgende gebeiteld staat:
a. Deze toren is gebouwd door de besturing van den Heer E.T. de Drews, Taalmr van geswne meente in Groningen en Cornelis Fockens kerkvoogden in der tyd; toen Johannes Siertsema Predikant en Arent Willems geëligeerde waren Tot Nieuwolda in het jaar 1765.
b. Den drieënigen God is dit Heildom uit de aanwinst der Godvrugtige kerk begifinge van zal. Timon Harmens op des Dollarts gezegenden aanwas gebouwd, door de bestiering van den E.E. Hr Johan de Drews, uit vaderlyken Stam de 4de Burgemeester van dien naam, en de E. Focko Hommes kerkvoogden in dier tyd, ingewyd door Herman Dronryp Pred: ter plaatse op den 25 September in het jaar der Zal. 1718. Zoo wordt ook gy zelve als levende steenen gebouwd tot een geestelyk huis 1 Petr. 2:5.

4. Welke rivieren, stroomen, maren, kolken of diepen worden in uwe kerkelyke gemeente gevonden? en welke is derzelver loop en uitwatering?

Door deze Gemeente loopt het Zyldiep naar Termunterzyl, eerst van het Waar ½ uur oostwaarts, dan ½ uur noordwaarts en vervolgens 1 uur oostwaarts alwaar het door de Termunterzyl in de Eems loopt. In dit Zyldiep hebben uitwatering: het Groote of Hondshalster maar, dat zich door eene klyve even ten westen de Knuif, in hetzelve ontlast; het Waddykstermaar, hetwelk zich by de scheve klap door eene klyve in hetzelve ontlast; het Kattendiep hetwelk van Oostwolderhamrik westwaarts in hetzelve loopt in het zoogenoemde Kostverloren, – zynde eene uitwatering van de Midwolderlanden ten noorden de oude dyk loopende in het Kattendiep dat zich in het Zyldiep ontlast.
Verder zyn er in het Westeinde ten Zuiden dezer Gemeente twee kolken, die mede in het Zyldiep uitwateren.

5. Welke meeren in den omtrek van het dorp uwer woning, het zy nog aanwezig of drooggemalen?

6. Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogten of dyken in diens omvang? Hoe hoog zyn dezelve en welke is derzelver uitgestrektheid?

7. Welke bosschen zijn daar?

8. Welke zyn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurryken?

De voortbrengselen uit het dierenryk zyn: Koeijen, Paarden, Schapen, verkens, Kalveren, lammeren, hazen, patryzen, eenden, hoenderen en duiven.
Uit het plantenryk:
tarwe, rogge, garst, haver, erwten, boonen, raapzaad, aardappels, moes- en tuinvruchten.
Uit het Delfstoffelyk ryk niets.

9. Welke is de grondsgesteldheid in de uitgestrektheid van uw kerspel? Hooger en dieper?

Van boven is het kleigrond en onder dezelve zit darg; (eene soort van Veen) doch zeer ongeregeld.

10. Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?

Geene

11. Welke Fabryken, Trafyken of Handwerken worden daarin gedreven?

In deze Gemeente zyn twee Koren Windmolens, die tevens pelmolens zyn, twee bierbrouweryen, één gruttery, twee houtstekken, één kalkbrandery en Steenkopery, verder heeft men hier bakkeryen, Smederyen, Stel- of Wagenmakeryen, huisverwers, timmerlieden, Kleermakers en Schoenmakers en herbergiers.

12. Welke is de luchtgesteldheid in uwe stad, in uw dorp of in uw gehucht?

De luchtgesteldheid is zeer veranderlyk, meestal koud en vochtig.

13. Hoe vele kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?

Een hervormde kerk, twee scholen, twee Lees- en één zanggezelschap.

14. Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uwe woonplaats?

Behalve de opgenoemde Handwerkslieden en eenige Winkeliers en molenmakers, benevens twee geneesheeren bestaan de inwoners dezer Gemeente van den Akkerbouw en van de Veeteelt.

15. Hoe is hunne platte taal? Men verlangt dit door naïve en uitgekozene voorbeelden opgehelderd te zien.

Hunne platte taal is over het algemeen als die van het geheele Oldambt, en bovenal veel overeenkomst, met die van de andere Hamrikken in deze omtrek. Evenwel is de taal van de aanzienlykste dezer Gemeente vry wat beschaafder als die van de daglooners.

16. Welke is hun algemeen karakter en hunne levenswyze; welke zyn hunne zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huisselyke en maatschappelyke byzonderheden komt hoe liever; b.v. welke is de tyd van opstaan, van ontbyten, van middageten en avondeten, van bedgaan, van vermaken en uitspanningen, wyze van bezoeken, tafelgebruiken by het trouwen en by begravenisplegtigheden en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwyze enz. enz.

Van het Karakter der bewoners dezer Gemeente, van dat teedere punt, zeg ik liefst niets anders, dan het spreekwoord zegt: Men vindt overal kaf onder het koren.
De levenswyze is die van den boerenstand. Op hunne zeden valt niets nadeeligs aan te merken.
De tyd van opstaan, ontbyten, middag eten enz is hier zeer ongelyk, dewyl vele inwoners dezer Gemeente tot den boerenstand en andere tot den burgerstand behooren, zoodat een ieder zich dit veelal naar zyne eigene omstandigheid regelt.

17. Welke plaatselyke byzonderheden zijn u nog bekend, die onder geene der vorige vragen kunnen beantwoord worden? Hieronder kan men ook nemen de Burgten en de voormalige Burgten, spookverschyningen en dergelyke bygeloovigheden, welke van ouden tyd zyn, en voorzeker op daadzaken van den tyd steunen, of uit heidenschen tyd afkomstig zyn; overleveringen, byzondere kinderliedjes of oude gezangen, die algemeen bekend zyn; oudheden, merkwaardigheden, geboorte van geleerde, kundige, dappere en verdienstelyke mannen van allerlei stand; enz.

Geene.