Zoek op de website

Noordbroek

Gemeente Noordbroek

De naam onzer woonplaats is Noordbroek. Dezelve grenst ten noorden aan Siddeburen, Ten oosten aan Scheemda, ten Zuiden aan Zuidbroek, ten Zuidwesten aan Sappemeer en ten Westen aan Slochteren. Zy maakt eene Gemeente op zich zelve uit. Broek wordt zy genoemd naar hare voormalige grondsgesteldheid, vóór de overstrooming van den Dollart; en Noordbroek om haar te onderscheiden van Zuidbroek dat op een uur gaans afstand regt ten Zuiden van ons dorp gelegen is.
De gehuchten, die tot ons dorp behooren, zyn de Korengast, Broeksterhamrik en Veenhuizen. De beide eersten, die uit eenige aanzienlyke boerderyen bestaan, liggen in eene noordoostelyke strekking van de Kerk; de Korengast op een vierde uur gaans afstands en het Hamrik op een klein half uur gaans. Veenhuizen ligt een vierde en een half uur gaans ten Zuidwesten van de Kerk en bestaat uit het fraaije buitengoed van den Heer Mr J.C. Gockinga, eenige kleine boerderyen en vele daglooners woningen. De oorsprong van den naam dezer gehuchten wordt door de namen zelve aangeduid; de Korengast bestaat meestal uit eene hoogte, waar zeer veel koren verbouwd wordt; het Hamrik is eene nieuwe streek, en Veenhuizen wordt alzoo genoemd naar deszelfs grondsgesteldheid.

Met deze gehuchten bestaat Noordbroek eene oppervlakte van een vierkante uur gaans of vyfentwintig vierkante Ned: myl. Het wordt door een’ weg van vyf Ned. mylen lengte, die gedeeltelyk bestraat is en genoegzaam regt Zuid en noord loopt in twee byna gelyke deelen verdeeld: in een oostelyk en westelyk gedeelte. Het Oostelyk gedeelte bevat de Sectiën: Korengast, Evenreiten (effen reit) de Meedens en de Zuiderklei. Dit is, met uitzondering van eene enkele zandhoogte, als die waarop de woningen op de Korengast staan en eene andere in het Zuidelyk gedeelte, voor drievierde uitmuntende kleigrond en een vierde gemengde roode zavelgrond. De klei ligt er ter dikte van ½ tot 1 el. (De Evenreiten, in weerwil van derzelver naam is vooral eene uitmuntende kleigrond) De ondergrond in deze Sectien is op sommige plaatsen zandig op anderen leemig of moerig.
In het Westelyk gedeelte, dat een vierde kleiner is dan het Oostelyke liggen de volgende Sectien. Zuiderzand, eene zand- en veengrond; Veenhuizen, eene veen- en zandgrond, en Bovenmeerland eene meest moerige ondergrond met eene dunne laag zavel; een gedeelte dezer Sectie is echter zeer goede kleigrond.
Daar het oostelyk gedeelte geene of althans zeer weinige mest behoeft; kunnen de drie laatstgemelde Sectien en de nog jaarlyks ontgonnen wordende gronden zoo goed onderhouden worden, dat ze even wis zyn voor hunne vrucht als de beste kleilanden.
De voornaamste wateren dezer Gemeente zyn: het diep of de vaart voor schuiten, loopende vanaf de Straat eerst een dertien honderd el westwaarts, vervolgens zoo ver in het Zuidwesten op, tot dat het, zich nog eens heen en weer kronkelende, te Sappemeer in het Winschoterdiep valt. Het oude diep, dat voor vele jaren door een vallaat met het groote diep verbonden zou zyn geweest, doch nu door een dam daarvan afgescheiden is, loopt van af de straat eerst een twaalf honderd el oostwaarts en vervolgens met eenige kronkelingen zoo ver in het noordoost op tot het zich by het Waar (onder Nieuw Scheemda) met het Zyldiep vereenigd, welk laatste deszelfs water te Termunterzyl in den mond van de Eems werpt. Behalve deze beide genoemde waters heeft deze Gemeente even als andere Gemeenten verschillende kleinere waterleidingen als: het dwarsdiepke, twee oude goten, de Zuider, middel- en noord lange watering, meerlandes watering; een klein en een groot maar (in Broeksterhamrik enz). Deze wateringen voeren het water in het oude diep of Zyldiep of leiden hetzelve naar de vier watermolens, welke langs de Oostelyke grenzen dezer gemeente geplaatst zyn.
Voor een dertig, veertig jaar stonden het Meerland, de Evenreiten en een groot deel van de Sectie Korengast bestendig des winters geheel onder water; zoodat men by de straat te Noordbroek de schaatsen kon onderbinden en ryden naar Scheemda, Nieuw Scheemda, Midwolde, of byna waarheen men verkoos zelfs naar Groningen; doch door welgeplaatste watermolens en geschikte waterleidingen, misschien ook door natuurlyke en kunstmatige verhooging van den grond, zyn die landen thans ook van het winterwater ten eenenmale bevryd.
Behalve de Korengast zyn er nog een paar andere hoogten in deze gemeente: eene in het Zuidwestelyke gedeelte en de andere in de zandrug langs welke grooten deels de weg en straat loopen en langs welke de huizen van het eigenlyke dorp gebouwd zyn. De eerste beslaat de uitgebreidheid van eenige bunders en zal op deszelfs grootste hoogte tien a twaalf voet boven het overige land zyn: de tweede doorloopt byna het geheele dorp, is op sommige plaatsen ook nog wel zes of acht voet hoog en verliest zich hier spoediger daar langzamer in de veenen. Deze laatste landhoogte is gewis eene voortzetting van de eerste en heeft met dezelve vereenigd in vroegeren tyd als een beschermend Ridder onwrikbaar pal gestaan en gelukkigen weerstand geboden tegen het razend woede van den toen teugelloozen Dollert.

Bosschen ontstaan er in deze gemeente niet, dan dat by het fraaije-buitengoed Veenhuizen, hetwelk eenige bunders beslaat en thans tot mannelyken kracht komt. Voorbrengselen uit het delfstoffelyk ryk levert deze Gemeente al mede niet op, ten zy men als zoodanig aanmerke de turf en bagger, die er voor slechts weinig meer dan eigene plaatselyke behoefte gemaakt wordt.
Het groeijend ryk levert daarentegen veel op.
Appels en peeren zyn er doorgaans meer dan voor eigen gebruik. Pruimen en kersen zijn er minder, en mispels, perziken, abrikozen, moerbeijen, kornoeljes, druiven, kastanjes, noten enz. worden alleen door liefhebbers aangekweekt. Aalbessen, kruisbessen, flambozen, en aardbeijen zyn er veelvuldig: doch daarvan wordt weinig verzonden. Groote boonen, turksche boonen; pronkers, krombekken, saladeboonend, stambonen, wortels, knollen, aardappels, koolboerekool (hier eenvoudig moes genoemd) salade, uijen, chalotten, prei, schorsneeren, andyvie, seldery, peterselie, radys, ramenassen, in een woord alle gewone keukengroenten tieren hier welig en worden in grootere hoeveelheid voortgebragt dan noodig is om de inwoners te voeden. Van de aardappelen, wortelen en uijen worden dan ook jaarlyks van zes tot achtduizend mudden uitgevoerd.
Alle veldvruchten in ons klimaat, die op een goeden klei- en zandgrond geteeld worden, komen ook hier uitmuntend voort. Koolzaad, veld- of paardeboonen, erwten, tarwe, rogge, gerst, boekweit en haver wordt hier zeer veel verbouwd; ook mangelwortels voor het vee; als mede eenig vlees. Vyfendertig boerderyen zyn er in deze gemeente genoegzaam allen van om de veertig, vyftig bunders; als nu ieder boerdery door elkander, na aftrek van het noodige voor de huishouding een groot achthonderd mud granen verkoopt (waarop men het berekent) dan zal de jaarlyksche uitvoer van onderscheidene graansoorten bedragen de aanmerkelyke hoeveelheid van 28000 mud. Er zyn jaren waarin 2000 mud koolzaad uitgevoerd wordt.
Het dierenryk levert op: paarden, koeijen, schapen, varkens, hazen, vossen, honden, katten, bonsems, wezels, egels; hoenders, duiven, eenden, ooijevaars, kivieten, patryzen, kraaijen, eksters, raven, kaauwen, spreeuwen, mosschen, leeuwerikken, vinken, sysjes, nachtegalen, zwaluwen, koekkoeken, valken; kikvorschen, padden, hagedissen; aal, snoek, baars, zeelt, braassem, voorn; byen, groote wespen, hommels, mieren, muggen, vliegen, kevers, krekels, rupsen, vlinders, schalebyters; slakken, pieren enz. Jaarlyks worden hiervan naar buiten verkocht een honderd stuks vet rundvee en een dertig; vyf en dertig ton boter. Kaas wordt er niet gemaakt dan voor eigen gebruik.

De lucht is hier, schoon over het algemeen meer vochtig dan droog, vry gezond. De west- en Zuidweste winden geven in den Zomer en herfst veel regen. De Zuidewind is in den Zomer zoel, soms drukkend; de Oostenwind droog en zaar, en de noordewind, vooral by eene lage barometer kan hier byzonder koud en guur zyn. Men hoort hier minder van ziekten, dan in de zuivere kleistreken. Het meerdere gebruik van groenten is misschien eene oorzaak mede van deze gunstige gesteldheid. – De herfst- en Voorjaarskoortsen zyn hier echter niet geheel vreemd.

Het getal inwoners bedraagt hier achttienhonderd. Vyftien zestiende deel der inwoners belyden de Hervormde godsdienst; de overigen zyn Doopsgezinden, eenige Lutherschen, Roomschen en Joden. Zy bestaan meest uit den landbouw en veeteeld; benevens uit de kunsten en handwerken hiertoe betrekkelyk, en daar zelfs de geringste daglooner een’ tuin achter zyne woning heeft, zyn zy in hunne soort, meestal zeer welvarend. –
Er zyn twee Predikanten, een Hervormde en een Doopsgezinde; een geneesheer (voor heen drie), twee schoolonderwyzers, een úúrwerkmaker, twee goud- en Zilversmeden, één Koperslager, vyf smeden, drie wagenmakers, drie Kuipers, acht timmerlieden en metselaars, zes kleermakers, acht schoenmakers, een’ leerlooijer, een hoedemaker, een touwslager, zes bakkers, één koek- en banketbakker, twee slagers, dertien winkeliers, achttien tappers of herbergiers, een brouwer, drie glazemakers en verwers, een blaauwverwer, zeven warmoeziers en vele daglooners.
Men vindt in dit dorp twee kerken, eene aan de Hervormden en eene aan de Doopsgezinde Christenen behoorende. Die der Hervormden eene deftige Kruiskerk met een fraai orgel en sierlyken preekstoel is van hoogen ouderdom; sommigen menen wel uit de dertiende eeuw; doch voor het begin der zeventiende eeuw heeft men daarvan in ons dorp geene schriftelyke bescheiden. Voor zoo ver men zien kan is er geen dufsteen aan de kerk. De baksteenen zyn tot op eene aanmerkelyke hoogte ter grootte van 30½ N. duim lengte, 15¼ breedte en 9 N. duim dikte; de muren zyn ter dikte van byna een N. el. Ten Oosten van de kerk staat op eenige schreden afstand een dikken, lagen, stompen toren, waarin eene klok van ruim 1600 N.P. “Hergoten in den jare 1817 voor de Hervormde Gemeente Jezus Christus te Noordbroek.
De kerk der doopsgezinden, een zeer net en fraai gebouw, is uit de goederen der Hervormden gesticht geworden in het jaar 1811.
Twee uitmuntende scholen zyn er in deze gemeente met voortreffelyke schoolonderwyzers woningen. Op een’ derzelve is een torentje met een uurwerk en eene klok, hebbende de laatste tot omschrift: “Als de Heer Cornelius Schay, Raadsheer yn Groningen en Henricus Yanssonius Pastor en Joachim Frederiks Kerkvoogden tot Noordbroek waren is deze klocke nieus gegoten Anno MDCC.”
Er bestaat hier ook een werkhuis, gesticht in 1819, dat door deszelfs eenvoudige inrigting het werk van wylen den Heer C.H. Gockinga, boven meest alle anderen aanpryzing verdient.
Er zyn hier drie molens, een pel- en roggemolen en twee boekweit, sichorei of mostert molens; benevens eenige scheepsrederyen.
Voorts bestaan hier drie leesgezelschappen en een Departement voor doofstommen.

Over het algemeen zyn de inwoners dezer plaats, werkzaam zuinig, tuk op voordeel, eerlyk, nuchter, matig, spaarzaam en kuisch; doch hebben misschien nog eene zekere maat van gehechtheid aan eigene inzigten met andere Oldambsters gemeen. Daar aan is het ook toe te schryven, dat hunne platte taal weinig verandering ondergaat, zwemende meer naar het Onstweddersch dan naar het Rotterdamsch.
Hiervan een enkel staaltje tot eene proef:
A. Hè (heb) (*) je joen heu al in hoes?
(*) è klinkt helder als in des; de á heeft een klank tussschen de o in op en die in os in; de ò klinkt helder als in os; de ó klinkt dof, als in op; de klank die men in het Oldambt aan de ô of û in de woorden turf, kurk, korf, vork, morgen enz. geeft, kan men in onze taal met geene letters uitdrukken: zy komt misschien tusschen de klanken kurk en kort in.
B. Ne: wi wóllen ’t môrgen mennen.
A. So : onze náber, Pyter Jááps, wil môrgen hen ’t sunnen (in de zon uitstrooijen) as ’t goud weer is: zien drij daimt achter de missem (mesthoop) en zien tweie en vieve in de Everaiten wassen nog nyt goud dreuge (droog).
B. Jan men mag ter wel wat veurzigtig met wezen: de pláátse dy der vleden jáár in Zuudbrouk op brand is; dat zól ook deur ’t bruijen van ’t heu komen wezen.
A. ’t Ken wel wezen: máár ze hebben dou ook segt, dat de luttje maid ’s ávens mit de lampe ná de tûrfhôrn (turfhoek) west hadde.
B. Ja en dou is ter nog bi zegt, dat ze ’t schienvat (lantaarn) oetlynd had hadden.
A. Juust: – máár dáár schut mi in ’t zin: zel joen ólle meuke nog weer trauwen?
B. Ja; ze is de broed: ze het lest mit heur breugen (bruigom) in ons hoest west. ’K môst er om lagchen; ze is so fel ná hôm, ze zól hóm wel opeten; máár hy is ook nog ’n fikse kerel: en as he heur wat ná de hand gait den leuf ’k vast, dat ze hôm nog al heur goud máákt.
A. Nón (nu) dat had ’k van dy òlle beppe (grootje) meer dócht. ’t Spreekwoord zegt anders: n’ òlle mui is ’n wisse kui (in het Oldambt zegt men anders kou: kui zegt men nog op Westerwolde) máár ’t gait altüd nyt deur.
B. Ne, ’t minsten van heur leuf ’k nyt, dat wi veul opsteken; máár dy op arfenissen en speulen in de lôtterei steunen, bin der ook al of.
A. Krek: de verdynde en vergáárde stuver gait er mit.
Antje (de dochter van A). - Genáven mit n’ ander! Janoom! bin i hier ook? hou gait ’t nog?
J. - Goud, wicht! hou gait ti ’t nog?
Antje. Ook nog goud.
J. - Wáár hest te hen west?
Antje. Even op ’n bòsschóp ná ’t loug tou.
J. - Den hest ook vast een jonge had.
Antje. J. wyten ja wis wel beter, Jan Oom! dáár dou wi summers nyt an. dan is ter veul te dròk. tou.
J. - Ja ’k wyt nyt of toe wel zoo vroom biste as te mi wies máken wilte: ’k heb der ’n beetje van heurd.
Martje (de vroúw). Wat zee joen vrauw van Zuidlaarder markt? (Dit valt niet in den hooityd in maar in den herfst)
J. - O, mün wiif was zoo hellig as ’n spinne. Ze het ragten angáán op de wigter der oet en der deur.
M. - ’k Was zoo lelk as ter tou, dou ’k ;t heurde. ’k kon ’t eerst hyl nyt gewáár worden. Dry kroeskroppen, alle dry glende knopen an de rok en ’n knolschille in ’t overhembd? – ’k Dòcht eerst, dat ’t boeren zeuns van de polder west wassen of dáár zoo wáár heer: want dy binnen ook al gek genóg; máár endelik kwam ’t er op oet ’t hadden studenten west! Dou zee ’k vort: doe gaiste nijt weer na ’t mark tou as ik of dien váár der nyt bi bin. Foi! gáán dáár bi studenten! Wel het ’t van zün levent heurt? Ze zóllen joe hyl en dal op ’t rebel brengen. Ze móssen mi máár veur had hebben: ’k zól zegt hebben: Bin ’n der gyn juffers meer in de Stad? J. huiven bi mi nyt komen; ’k heb wel ander boonen op benne as verschimmelde grauw arten.
A. - Vrauw! Vrauw!
M. - Ja, dy nachtschrewouwers! As ’k ter regt om denk bin ’k glende! (hier ten uiterste vertoornd; betekent eigenlyk rood heet of zelfs wit heet als yzer; echter zegt men ook: de brij is glende hyt) Bi de stráát loopen te gengelen; ’n ordennelik mens de gek an scheren en ’s ávens alle knippen en kroegen in, dat is heur studyren. Gaile (regt knappe: men gebruikt dit woord als men het tegendeel wil aanduiden) vryers! ’k mag ter nyt van heuren. Tou Antje! steukel ’t wáter wat an, en máák de koffi kláár: máár dou der nyt te veul sókkerai in: maar ’n luttik beetje.
A. - Ja, dat ’s goud: dan komt ’t verstand weer tou bedaren; doe vourste dáár zoo even ook oet veur vuur en veur keerse. – Tou náber! Steek as an; of smook i ander tabak?
J. - ’k zel wel: nee de tabak is hyl goud: máár ’k heb hóm nog half vol.
A. - Hou is ’t mit joen zömervalgde (braakland)
J. - Wi hebben ’t bet eerguster ynmaal omkregen.
A. - Hè je joen twenter (tweejarig) bólle (stier) nog?
J. - Nee: ’k heb hóm vertoesschet veur ’n enter (eenjarig) veerse (var) enz. enz.

Des zomers staan de boeren hier des morgens te half vier, vier uur op; de burgery te vyf, zes uur.
’s Winters wordt het met beide standen een groot uur later.
Onder de boeren en ook onder de voorname burgers drinken Vader en moeder by het opstaan een kop koffy. De tyd van ontbyten is by de burgery te zeven, acht uur; onder den boerenstand des zomers te vyf- zes- des winters ook te zeven acht uur. De burgery ontbyt met een boterham en een kop koffy: de boerenstand met bry (eene dunne pap bestaande uit garsten gort en karnemelk, onder elkander gekookt) en daar insgelyks boterhams by. Des voormiddags te tien uur, half elf, wordt er een kopje koffy gedronken: het boeren werkvolk van het mannelyk geslacht zyn hier van uitgezonderd; ook die van het vrouwelyk geslacht, die op het veld zyn, alwaar men koude thee of dun bier heeft. Twaalf uur is de tyd van het middagmaal; die op eenigen afstand van het huis op het veld zyn te werken, wordt aldaar het eten gebragt. Men spyst met eene enkele schotel, bestaande uit tuinvruchten met een stuk spek of soms een stukje vleesch. De boerenstand heeft des zomers boven deze schotel telkens nog eene koude melksoep (keel van melk en brood met melk er op). De meeste gewone middagspyzen zyn: wortels, knollen of rapen, appels, kool, erwte soep allen tot op een derde of kleine helft met klein gesnedene aardappelen doorgemengd; staak- en stamboonen, waalsche of groote boonen, paardeboonen, erwten, boerekool, aardappelen, pannekoek en gort. Na het middageten heeft het boerenvolk een uur schoft (rusttyd). Te drie uur drinkt men een kopje thee: die op het veld zyn hebben, zoo als straks reeds gezegd is, thee of dunbier met zich. Buiten het zwelen, (hooi in oppers of hoopen maken) hooi en koorn inhalen, raapzaad en boekweit dorschen is het by de boeren te zes uur holdert (gedaan werk) en dan gebruikt men ook dadelyk het avond eten. Te negen uur gaat met naar bed. De burgery eet ’s avonds te zeven uur en gaat te tien uur naar bed. Het avond eten bestaat by den boer uit bry en boterhams; vooraf gegaan door het overgehouden middageten van den voorgaanden dag. By de burgery wordt de bry veelal vervangen door de koffy. Sommigen zoo wel burgers als boeren drinken te negen uur halftien nog een kopje koffy; doch dit is niet algemeen.
De kleedertooi is hier naar de welgesteldheid der inwoners niet zeer overdreven. De gouden hoofd- en halssieraden der vrouwen mogt men misschien hiervan uitzonderen: deze (ooryzer, spelden, oorringen ketting) bedragen de waarde van twee- tot vierhonderd gulden. Men heeft daagsche en zondaagsche kleederen. De verdienste der daagsche kleederen is, dat zy heel, schoon en naar het jaargetyde geschikt zyn. In de Zondaagsche kleederen wordt ook fraaiheid gevorderd. Genoegzaam alle mannen dragen het geheele jaar door wollen kleeding, vyfschacht of laken, ook eenig manchester, nanking en bontgoed. De vrouwen dragen, des zomers katoen en des winters vyfschacht. Het gebruik dezer laatste stof vermindert echter zeer: het zy door de goedkoopheid der katoen, het zy door den beklagelyken stilstand der spinnewielen, die men byna nergens meer in een zoogenaamd fatsoenlyk huis te zien krygt. Ieder meisje van eenige beteekenis leert breiden, linnen en zelfs wollen naaijen; maar het krassend gesnor (onmogelyk niet het zacht gegons genoemd!) het krassend gesnor der spinnewielen is voor de verfynde ooren onzer vrouwen en dochters, die ieder komma eener toon weten te vatten, volstrekt overdragelyk.
De Heer J.C. Gockinga, die gaarne het voorbeeld geeft om alles wat goed, edel en billyk is, liet voor eenige jaren zyne eigene dochters het spinnen leeren: doch de dames mogten zoo aanzienlyk zyn als zy wilden; Mynheer mogt Voorzitter van de Regtbank te Groningen, Lid van een der Kamers zyn; andere titels en waardigheden hebben, te vergeefs: het voorbeeld was niet krachtig genoeg; de boerinnen verwonderden zich, maar – volgden niet; en het staat te vreezen, dat zy nimmer weder zullen spinnen, ten zy er buitengewone en langdurige goedkoopte in koren en zuivel ontsta of dat de Koningin en de Princessen zelve (als ten tyde van Omphalé) haar weder voorspinnen. De bezoeken (visites) zyn hier vry onkostbaar. Men gaat ’s avonds te zeven uur naar elkander toe; drinkt een kopje koffy met een enkel glaasje jenever voor de mannen en een klein glaasje brandewyn voor de vrouwen na. By de allervoornaamste en dezulken die zeer zelden by elkander komen, drinkt men inplaats van koffy wel eens een kopje chocolade. Men spreekt intussschen over wêer en wind; huisselyke en Gemeente zaken, vrede en oorlog; pryst hemelhoog de deugden des Konings en verbaast zich in diepe staatkundige wysheid over de domheid en ongodsdienstigheid der groote Monarchen, die de godvergeten Turken nog niet uit Europa jagen. Te tien uur gaat men weer naar huis.

De uitspanningen en vermakelykheden, die men behalve de zoo even beschreven avondpraatjes geniet, bestaan in het bezoeken en ontvangen van familie, het doen van een tourtje met een of ander rytuig; het bywonen van harddravery; te kermis gaan, als wanneer het voor de jongelingschap byna eene schande is geen vryer of vryster te hebben; uitmyninge of andere openbare verkooping by te wonen, vergadering van leesgezelschap en des winters het schaatsijs, waar Amor niet mankeert, zoo dra er slechts eene enkele witte muts fladdert.
Het raapzaad dorschen moeten wy even wel niet overslaan. Op dit by ons genoegzaam eenigst overgebleven landmansfeest moet alles wat in het dorp armen heeft en arbeiden kan en wil den boer bystaan. Zoodra des morgens de dauw is opgetrokken rydt men met wagens naar het veld. Daar wordt het groote raapzeil uitgespannen, de paarden, die het zaad er uit moeten treden, klaar gemaakt en de twee of vier dragers, die het zaad om te dorschen in draagzeilen (draagkleeden genoemd) aanhalen, beginnen hun werk. Zoo dra er een kleed vol op het zeil is komen de paarden daarin en nu moet ieder op zyne plaats. De boer heeft het opzigt en het bestuur over het geheele leger, (zoo wordt deze bende van 25, 30 man genoemd). Men draagt, men schudt, men harkt, men veegt, men praat, men schertst, men lacht, men roept en schreeuwt en moedigt elkander aan om te bersten. ’s Middags zet het leger zich in een’ bonten groep neder. De aarde is hun tafel; een houten bordje, een end plank, een potje of akerdeksel of ook de grond zelve dient tot tafelbord. Men roept den hemel, die als op hen ter neder lacht in een stil gebed aan, en nu eet men pannekoek, met en zonder spek, ook wel met krinten en melk en bischuit, en wie het verkiest eet boterhams na. Na den eten dankt men met een van vreugde en te vredenheid zwellend hart den goeden Vader der blyde natuur in eene stille gemoedsverheffing en gaat na eenige oogenblikken rustens weer even luidruchtig aan het werk. De boer loopt gedurig met bier en jenever rond om de van hitte en stof byna stikkende dorschers in de weer te houden. Een of twee maal wordt er ’s namiddags een kwartier uurs of een half uur gerust. Men drinkt eens gezamenlyk een paar keeren rond, de rookers steken een’ korten pyp op en men gaat weder aan het werk als wolven op den prooi. Het gejoel, het geroep en geschreeuw wordt niet minder. De eenvoudige scherts vliegt luidschaterend rond. Eindelyk komen de dragers met het laatste kleed vol en nu barst alles in een daverend gejuich uit. De dragers, die men om hun zwaarder werk als de helden van het terrein beschouwt, werpen nu hunne draagzeilen neder en bekommeren zich over niets meer. Veel zaad is er in den namiddag reeds naar huis gevoerd: het geen nog in het zeil is, wordt in zakken en op den wagen gemaakt; het gereedschap wordt geborgen, het leger pakt zich insgelyks op de wagens, de trein keert luid zingende en juichende huiswaarts en de vlammen van het in brand gestoken stroo der legerplaatsen flikkeren in de lucht.
Te huis bevindt zich een’ uitmuntenden disch bereid, er is een vet kalf of lam geslacht, waarvan een overheerlyke soep gekookt is. Verder heeft men gort met pruimen of ryst met rozynen, gedroogde appelen of iets anders, een berg van spek en vleesch, brood en bischuit en stoet en bier, en alles wat een hongerigen maag kan doen jubelen. Doch voor men zich daaraan kan neder vlyen om de vermoeidheid der leden te vergeten, moet het oude gebruik in eere gehouden worden. De Jongelingschap wil walen.
Men roept en schreeuwt om de dragers, die als de voornaamste mannen hierin de eerste moeten zyn: doch deze zyn buiten in den hof reeds aan den gang: Zy hebben by hunne te huis komst bloemen en groente in de emmers met waschwater gevonden en dit is eene uitdaging van den kant der boeren schoonen, die nooit zonder gevolg is. Nu stormt alles weer naar buiten. Ieder flinke knaap grypt nu een meid of dochter of vrouw om den middel, werpt zich met haar op den grond, wentelt zoo eenige schreden met haar voort, geeft haar een’ kus, drinkt een glas jenever of bier met haar, dat de omstanders verpligt zyn hem te reiken, kust haar nog eens en zet haar wêer op de beenen. Nu neem men eene andere, en dit gaat zoo voort tot al de schoonen gewaald zyn van elk die dit wenscht of van ieder dien zy wenschen. Hy die met geweld niet walen wil, of den hoed op heeft als een ander waalt, wordt gehoogwipt, dat is: men slaat een haarspit (een klein aambeeld om seissen te scherpen) en pakt den onwilligen by armen en beenen en laat hem herhaalde keeren daarop met de zit of stuit nêervallen. Dat het walen meer en minder gezwind afgedaan is en de kussen meer en min hartelyk gegeven, ontvangen en terug gegeven worden spreekt van zelf.
Heeft deze of geene jongeling zich op eene of andere wyze aan het walen onttrokken en staat dit de meisjes niet aan dan vindt hy aan tafel wel eens haver onder zyn bord en dit houdt men voor eene groote schande. Is er eene kwade feeks van eene meid, die de jongens al te veel gekweld heeft of op wie men anders fel gebeten is, dan komt er wel eens een rappe gast, die haar aangrypt en haar als by ongeluk met zich door brandnetelen of ook wel in eene sloot of gracht wentelt.
Aan tafel eet en drinkt men vervolgens eens regt goed zyn genoegen, rookt nog een weinig uit eene lange pyp en gaat te negen, half tien daarmêe naar huis.
Aan het maaijen en zwelen plagt men voorheen ook eenige feestelykheden te verbinden: het regt van te walen laten de maaijers en zwelers nog niet geheel ontglippen, ook hebben zy doorgaans lekkerder eten: doch voor het overige worden deze werkzaamheden meer met andere gelyk gesteld.

De plegtigheden by het trouwen worden langs hoe minder. Gaf men voorheen hier bruiloften waarop tachtig tot tweehonderd genoode gasten kwamen, thans geeft men er byna geheel geene meer en zoo er nog bruiloft gegeven wordt, dan worden er toch doorgaans al geene gasten meer genood dan een dozyn van de naaste bloedverwanten en een paar naburen.
Het vrijen geeft hier, gelyk door het geheele Oldambt, wat meer omstandigheid. Een jongman, die wenst te trouwen kent of zelf een geschikt voorwerp of hem wordt er eene door een’ ander aangeraden. Is in het laatste geval het meisje hem onbekend, dan tracht hy haar ergens te ontmoeten; doch gelukt dit niet, dan wordt er een boodschap aan huis gemaakt: men wil een paard koopen of eene koe of heeft iets anders te zeggen. Bevalt het meisje den knaap, dan verzoekt deze een getrouwd man, meest al den geenen, die met hem geweest is om haar te bezien, om zyn verlangen aan de ouders, zoo die er zyn, en aan de beminde voor te stellen, en te verzoeken of de jonge man mag komen te vrijen. Deze man die maaksman of degensman (misschien verdedigingsman) genoemd wordt, voldoet daaraan; gaat met een week of twee er heen, wordt uitmuntend onthaald; doch krygt veelal geen bepalend antwoord; men had zoo iets geheel niet verwacht: men was onbekend met den persoon, die dochter, (schoon die vyfmaal lont geroken heeft) was op zoo iets gansch niet verdacht geweest; kortom men kan er niets van zeggen: wil de degensman met een paar week komen aanvragen, dit stelt men in zyn believen. Deze had men niet meer verwacht; hy is dus te vrede; men kon hem ook oogenblikkelyk ronduit afgezegd hebben; ofschoon dit laatste zeer zelden gebeurt. Met veertien dagen komt de maaksman wêer aan: maar nu zyn er bergen van zwarigheden: de dochter is nog niet trouwens gezind; is ook nog te jong: men kan haar nog niet missen, er zyn nog vele haren aan de klink om de jonge lui in een bestaan te zetten, enz. enz. en daarom is het beter, dat men zich hier mede niet verder inlaat. De maaksman laat zich hiermêe echter niet afzetten: want de vryer is rondom een knap jongman, en kan naar vrij wisse berekening althans wel duizend gl. en meer krygen dan de jonge dochter. Dit laatste doet veel af. Eindelyk na een en andermaal aangemerkt te hebben en toegestemd te zyn, dan die eerebiedt, eere waard is, vertrekt de maaksman met de toestemming, dat de jonge man in de andere of daarop volgende week op dien en dien dag eens zal komen vrijen.
Men gaat op den bepaalden dag, meest op Vrydag er heen. Vader, moeder en dochter zyn alleen in de kamer. Men groet op de beleefdste wyze; geeft vader de hand; vraagt moeder heel vriendelyk hoe zy gaat, en kust de dochter: de maaksman doet dit voor, de vryër doet het na: wie van beiden het hartelykst? Wel, ik denk van de vrijer: althans deze gaat het meest aan en wordt daarom ook naast de dochter geplaatst, aan hare linkerhand, en streelt haar en kust haar en zegt haar zoo veel moois als hy maar kan. In het eerste half uur zyn de jonge lieden door de tegenwoordigheid van vader en moeder wel eenigszins schuw: maar spoedig betert dit. De maaksman houdt de oude lui in praat, de vryer praat soms eens mêe; men eet en drinkt en schertst en is vrolyk. Ook gaat men wel eens even opstaan en zoo gaat de tyd, van af des namiddags drie, vier uur tot ’s morgens twee, drie uur, al spoedig voorby. Dan gaat men dikwyls half, of somtyds wel eens heel beschonken naar huis, en is zeer bly, dat men het met veel moeite zoo ver heeft gekregen, dat men nog eenmaal mag wêer komen te vrijen. Dit gebeurt doorgaans na verloop van eene week. Men wordt even zoo ontvangen en even heerlyk onthaald als de voorgaande keer. Als het huwelyk nu niet afkomt, dan krygt men het onder het uitstel, dat is: de oude lui en de jonge dochter nemen zes of acht week tyd van beraad, gedurende welken tyd zy niet verpligt zyn beslissend antwoord te geven.
Onder het uitstel kan de vryer het meisje een of twee maal in de week bezoeken: maar de maaksman komt dan niet mede. Verstrykt het halve uitstel voor de vryer afgezegd wordt; dan komt er voor hem vry wat hope; en is de tyd van uitstel geheel om dan gaan maaksman en vryer in volle pracht als twee strydhanen zoo moedig, om het jawoord te halen.
De naaste bloedverwanten van ouders der aanstaande bruid zyn op het bruidsmaal genoodigd en nu heeft het opdisschen, gasten en brassen, verlevendigd door gesprek en scherts geen einde. Voor middernacht doorgaans is hy de bruidegom en zy de bruid. ’s Morgens met ter lichten scheidt men. Zyn de maaksman en vryer te paard of met een rytuig, dan vinden zy by de afreize hunne paarden zeer kwistig en kwastig met allerlei linten versierd en zoo trekken zy dan in zegepraal als helden uit den stryd naar huis.
Nu duurt het soms nog wel een vierendeel jaars voor het huwelyk voltrokken wordt en in dezen tusschen tyd bezoekt de bruidegom als zoon van huis zyne bruid zo dikwyls als hy verkiest of zyne omstandigheden zulks toelaten.
Van het eerste oogenblik af dat de maaksman het voorstel gedaan heeft is de jonge man verbonden en kan behoudens zyne eer even min terug treden als de bruid na het geven van het jawoord. Uit het laten opkomen om te vryen, moet men voor den vryer geene al te gunstige gevolgen trekken: vóór het onder het uitstel is weet de vryer niet of zyn voorstel in aanmerking genomen wordt, dan of men hem om zyn eers wil een paar maal laat komen vryen: maar komt het onder het uitstel dan is hy zeker, dat zyn voorstel in aanmerking komt en kan hy zich staande houden tot het uitstel half om is, dan houdt hy zich overtuigd, dat ouders en dochter onder elkander reeds ten zynen voordeele beslist hebben of dat zyn voorstel althans in zeer ernstige overweging wordt genomen. Het wordt door de jonge dochter niet tot eere gerekend, wanneer zy den vryer na verloop, van het halve uitstel nog afwyst.
Wordt er enkel nog eene groote bruiloft gegeven, dan houdt men ten opzigte van het noodigen der gasten ook nog het oude gebruik in eere: eene week of veertien dagen vooraf gaat de manskok in zondags kleed met een’ grooten handstok in de hand, waaraan boven eene dikke kwast van allerlei lint is vastgemaakt by de gasten rond en noodigt hen met een of ander rymdeun ter bruiloft. Wy hebben een zoodanig deun magtig zien te worden: het luidt als volgt; doch is ongelukkig geen van de oudsten.
“Ziet vrienden! hier een’ stok, met een lint
Zoo als de bruid van N. . . . het te zamen bindt.
Vrienden! wilt nu hooren en my wel verstaan,
Waarom ik hier ben gekomen en ook tot u ingegaan.
Het is niet, om met dez’ kwast, te pronken en te pralen,
Maar het is om U myn boodschap te verhalen.
N.N. als Bruidegom en AB. als bruid,
Die hebben my gelast en gezonden uit,
Dat ik U groeten zou van hunner beider wege
En van hunne ouders ook en andere vrienden tevens:
Maar bruidegom en bruid, die hebben my doen belasten,
Dat ik U nooden zou als echte bruiloftsgasten,
Om te komen en doen de maaltyd met haar
En met de dan genoode bruiloftsschaar,
Daar zal men U dan geven iets van een vette koe;
Maar mooglyk niet van een vet Zwyn;
Maar gezoden, gebakt en gebraden zal het zyn;
Ja ook best bier, Jenever en brandewyn,
Zal daar ook voor de genoode gasten van alles zyn;
Koffy en thee zult gy daar ook kunnen drinken mêe
Gelyk ik wens in vrêe.
En dan zal ik langen aan de mannen daar alzoo strak
Lange pypen en tabak.
En kunt gy het van koude daar dan niet harden
Dan zal men U een weinig vuur bezorgen tot verwarmen:
Want tafels, stoelen, banken, zullen er zyn bereid
En kussens met vier hoeken kunnen daar worden opgeleid
Daar kunnen de vrienden dan gaan zitten ter hunner eeren
En met de bruidegom en bruid, gelyk ik wensch in goeden welstand verkeeren.
Rondom den disch
Waar dan ook de Bruidegom en bruid, gelyk wy wenscen in goeden welstand tegenwoordig is.
In de tegenwoordigheid van leeraar of een predikant;
Die zult gy daar zien zitten aan uw regter of linkerhand.
`Dan eer ik nu myn rede toe U end
Moet ik U nu maken den tyd bekend,
Dat ik U in deze ook zeggen mag
Dat is . . . . . . . . . . dag.
Maar ook moet ik inmiddels niet vergeten,
De genoode gasten moeten ook de plaats weten,
Het is voor U ook in geen’ onbekenden hoek
Dat is in Zuid- of in Noordbroek,
Voorts wensch ik dan de vrienden den zegen des Heeren,
En dat Gy daar in goeden welstand als vrolyke bruilofts-
gasten moogt verkeeren.
En nu tot besluit
Doe ik nogmaals het complement van den bruidegom en de bruid.”

Op de begrafenissen, hier uitigsten genoemd, zyn soms wel veertig tot zestig gasten, om, zoo als het heet, den overledene de laatsten eer te bewyzen. –
Behalve het gebed en de dankzegging des Predikants vóór en na het middagmaal, hoort men hier weinig tot stichting en hartverkwikking.
De geschiedenis des zieken en der ziekte worden naauwkeurig verteld en nog al oplettend aangehoord; doch voor het overige spreekt men op zyn best over allerlei onverschillige dingen: slechts zeer weinig over dood en eeuwigheid.
Men eet en drinkt en als op eene bruiloft; sommigen tot vol en zad wordens toe, als voor eene geheele week; sterke drank wordt er niet vergeten.
Beroemde of beruchte mannen heeft dit dorp, zoo ver ons bekend is, niet opgeleverd, dan den voor eenige jaren overleden Heer C.H. Gockinga in leven Ridder en by herhaling Lid van de Staten Generaal; die om zyne bedaarde wysheid en onkreukbare trouw, in onderscheidene hooge, zelfs in de hoogste regeringsposten betoond, om zyne nederigheid, menschlievendheid en andere burgerlyke en huisselyke deugden van allen, die hem gekend hebben nog hoogelyk vereerd wordt.
Meer byzonderheden zyn ons niet bekend, die wy meenen vermeld te moeten worden. Is er reeds te veel papier verklad, men wyte het aan onzen goede wil, wy zouden ook niet tot die uitvoerigheid gekomen zyn, hadden wy hiertoe geenen wenk gekregen; en wenken van hen, die men hooglyk vereert en kinderlyk bemint zyn meer dan bevelen. –

(get) Joh. Smid
ook namens mynen ambtgenoot
(get) A.J. de Vries.